Job 5:1-5
Een zeer warme twistrede begonnen zijnde tussen Job en zijn vrienden, doet Elifaz hier het billijke voorstel om de zaak voor een scheidsgerecht te brengen, misschien zal dit wel het beste wezen in alle geschillen, als de partijen niet kunnen overeenkomen, en hoe eerder men het doet, hoe beter. Elifaz is zo vast overtuigd van het voortreffelijke van zijn zaak, het recht aan zijn zijde te hebben, dat hij Job voorstelt om zelf de scheidsrechters te kiezen, vers 1. Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoord"? dat is:
1. "Is er iemand, die lijdt, zoals gij lijdt, kunt gij een voorbeeld bijbrengen van iemand die werkelijk een heilige was en tot zo'n uiterste van ellende is gekomen, als waartoe gij gekomen zijt? Nooit heeft God met iemand die Zijn naam bemint, gehandeld zoals Hij met u handelt, en daarom kunt gij gewis niet tot de heiligen behoren."
2. "Of: is er iemand, die spreekt zoals gij spreekt, heeft ooit een Godvruchtig man zijn dag gevloekt zoals gij hem gevloekt hebt? Of zal iemand van de heiligen u rechtvaardigen in deze hartstocht, of zeggen dat dit slechts de zwakheden, de vlekken zijn van Gods kinderen? Gij zult geen van de heiligen vinden, die uw pleitbezorger of mijn tegenstander zal willen zijn. Tot wie van de heiligen zult gij u keren? Wend u tot wie gij wilt, en gij zult zien dat zij allen van mijn gevoelen zijn, ik heb de communie sensus fidelium-het eenstemmig gevoelen van al de heiligen aan mijn zijde, allen zullen zij instemmen met hetgeen ik zal zeggen."
Merk op:
a. Godvruchtige mensen worden heiligen genoemd, zelfs in het Oude Testament, en daarom weet ik niet waarom wij in ons gewone spreken (of het zou moeten zijn omdat wij loqui cum vulgo-spreken moeten zoals iedereen) die titel alleen aan die van het Nieuwe Testament geven en niet spreken van de heilige Abraham, de heilige Mozes, de heilige Jesaja, zowel als van de heilige Mattheüs, de heilige Markus, en de heilige David, de psalmist, zo goed als van de heilige David, de Britse bisschop. Aäron wordt uitdrukkelijk de heilige des Heeren genoemd.
b. Allen, die zelf heiligen zijn zullen zich wenden tot hen, die dit ook zijn, zullen hen tot hun vrienden kiezen en met hen omgaan, zullen hen tot hun rechters kiezen en hen raadplegen. Zie Psalm 119:79. De heiligen "zullen de wereld oordelen," 1 Corinthiers 6:1,2. "Wandelt op de weg van de goeden," Spreuken 2:20, op "de oude weg," in "de voetstappen van de schapen." Iedereen kiest de een of andere soort van mensen aan wie hij zich tracht aan te bevelen, en wier gevoelens de toetssteen voor hem zijn van eer of oneer, en nu zullen alle heiligen zich zoeken aan te bevelen aan degenen, die heilig zijn, en goed willen zijn aangeschreven in hun mening.
c. Sommige waarheden zijn zo duidelijk, zo algemeen bekend en aangenomen, dat men zich gerust op wie ook van de heiligen er voor beroepen kan. Er zijn dingen, waaromtrent zij het ongelukkig oneens zijn, maar er zijn veel meer, en die van groter belang zijn, waarin zij het eens zijn met elkaar, zoals: het kwaad van de zonde, de ijdelheid van de wereld, de waarde van de ziel, de noodzakelijkheid van een heilig leven, en dergelijke meer. Hoewel zij niet allen deze waarheden zo beleven als zij moesten, zijn zij toch allen bereid hun getuigenis er voor af te leggen. Nu zijn er twee dingen, die Elifaz hier beweert en staande houdt, en hij twijfelt niet of alle heiligen zullen er mee instemmen.
I. Dat de zonde van de zondaren strekt tot hun verderf, vers 2. De dwaas brengt de toornigheid, zijn eigen toornigheid, om, en daarom is hij dwaas door er aan toe te geven, het is een vuur in zijn gebeente, in zijn bloed, genoeg om hem door koorts te doen bevangen, nijd is verrotting van de beenderen en doodt alzo de dwaas die er zich mee kwelt. "Zo is het met u" zegt Elifaz, "terwijl gij met God twist, doet gij u het grootste kwaad, uw toornigheid over uw rampen en beproevingen, en uw nijd over onze voorspoed, vermeerderen slechts uw pijn en uw ellende, wend u tot de heiligen, en gij zult zien dat zij hun belangen beter begrijpen." Job had aan zijn vrouw gezegd dat zij sprak als één van de zottinnen, en nu zegt Elifaz hem dat hij handelde als één van de dwazen, als de slechten, dat is: de onnozelen. Of wel, het kan aldus bedoeld zijn: "Als de mensen in het verderf worden gestort en omkomen, dan is het altijd hun eigen dwaasheid, die hen ten verderve brengt. Zij doden zich door de een of anderen lust, en daarom, Job, hebt gij de een of andere dwaasheid begaan, waardoor gij u in deze rampzalige toestand hebt gebracht." Velen verstaan het van Gods toorn en ijver. Job behoefde niet verontrust te zijn over de voorspoed van de goddelozen, want de glimlachjes van de wereld kunnen hen niet beschermen tegen de toorn Gods, zij zijn dwaas en onnozel zo zij dit denken. Gods toorn zal de dood, de eeuwige dood zijn van hen op wie hij valt. Wat is de hel anders dan Gods toorn, zonder einde en onvermengd?
II. Dat hun voorspoed van korten duur is en hun verderf gewis, vers 3 -5. Hij schijnt hier Jobs toestand op gelijke lijn te stellen met de gewone toestand van de goddelozen.
1. Job is gedurende enige tijd voorspoedig geweest, hij scheen bevestigd en was gerust in zijn voorspoed, hij scheen er op te vertrouwen, gelijk dwaze, slechte mensen gewoonlijk doen. Ik heb gezien een dwaze wortelende, in hun eigen mening en ook in die van anderen bevestigd, en bevestigd zullende blijven. Zie Jeremia 12:2, Psalm 37:35, 36. Wij zien wereldse mensen wortelen in de aarde, op aardse dingen vestigen zij hun hoop, en daaraan ontlenen zij het sap van hun vertroosting. Hun uitwendige staat kan bloeiend zijn, maar de ziel, die in de aarde wortelt, kan niet voorspoedig wezen.
2. Aan Jobs voorspoed was nu een einde, en zo is er aan de voorspoed van andere goddelozen ook spoedig een einde gekomen.
A. Elifaz voorzag met het oog van het geloof hun verderf. Zij, die alleen op het tegenwoordige zagen, zegenden hun woning, en achtten hen gelukkig, en wensten zichzelf in hun plaats en toestand te zijn. Maar Elifaz vloekte haar, vloekte haar plotseling, zodra hij zag dat zij begonnen te wortelen, dat is: hij voorzag en voorzeide duidelijk hun verderf. Niet dat hij er om bad, "ik heb de dodelijke dag niet begeerd", maar hij voorspelde hem. Hij "ging in in Gods heiligdommen," en daar merkte hij op hun einde, en hoorde hun vonnis lezen, Psalm 73:17, 18. Dat "de voorspoed van de zotten hen zal verderven," Spreuken 1:32. Zij die het woord Gods geloven, kunnen "de vloek des Heeren in het huis van de goddelozen zien," Spreuken 3:32, al is het ook nog zo fraai en zo stevig gebouwd, en nog zo vol van alle goede dingen, zij kunnen voorzien dat Hij het ter bestemder tijd zal verteren "met zijn houten en met zijn stenen," Zacheria 5:4. B. Hij zag eindelijk wat hij had voorzien. Hij was niet teleurgesteld in zijn verwachting nopens hem, de uitkomst beantwoordde er aan, zijn gezin was vergaan en zijn bezitting verwoest. In de bijzondere omstandigheden waarvan hij hier spreekt, doelt hij klaarlijk en hatelijk op Jobs rampen.
a. Zijn kinderen waren verbrijzeld, vers 4. Zij dachten veilig te zijn in het huis van hun oudste broeder, maar waren verre van heil, van veiligheid, want zij werden verbrijzeld in de poort, misschien was de deur of poort, van het huis het hoogst gebouwd, en is zij het zwaarst op hen gevallen, en er was geen verlosser, niemand om hen te redden van de dood onder de puinhopen. Gewoonlijk wordt dit verstaan van de gezinnen van de goddelozen, om hen, doordat gerechtigheid aan hen geoefend wordt, te noodzaken terug te geven wat zij onrechtmatig verkregen hebben. Zij laten het na aan hun kinderen, maar het erfrecht van hun kinderen zal toch de eigenlijke rechthebbenden niet van de bezitting kunnen buitensluiten, want deze zullen hen door de geregelde loop van wet en recht verpletteren (en er zal niemand zijn om hen bij te staan), of misschien wel door verdrukking, Psalm 109:9 en verv.
b. Zijn bezitting was geplunderd, vers 5. Zo was het ook met Jobs bezitting, de hongerige rovers, de Sabeërs en Chaldeën, liepen er mee heen en slokten het in, en dit, zegt hij, heb ik ook dikwijls van anderen gezien. Wat door roof en plundering verkregen werd, ging op dezelfde wijze weer verloren. De zorgzame eigenaar heeft het omtuind met doornen, en dacht het toen veilig, maar de heining bleek onbeduidend voor de hebzucht van de rovers (als honger, gelijk men zegt, door stenen muren heen zal breken, hoeveel te meer dan niet door doornheggen) en tegen de vloek Gods, die door distelen en doornen heengaat en "ze tegelijk verbrandt," Jesaja 27:4.