2. Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijne menigte 1): Wien zijt gij gelijk in uwe grootheid? 2)
1) Nauwkeuriger "tot zijne beweging, " d. i. al wat geruis en leven in het land veroorzaakt. Daaronder mag men echter niet de heersende klassen en standen in tegenstelling tegen de stillen in den lande verstaan; ook mag men niet alleen aan de volksmenigte denken, maar aan het volk met zijne goederen, en zijn rijkdom, dat welvaart en levendigheid (Hoofdstuk 30:10) veroorzaakte.
2) Deze vraag doet als antwoord verwachten: "aan niemand!" Gij zijt naar uwe mening enig in uwe soort. Maar Ezechiël antwoordt: gij zijt gelijk aan Assur, die zich in Zijnen tijd ook onvergelijkelijk heerlijk achtte. Daaruit leidt hij af: Assurs lot zal ook uw lot zijn.
Wij zijn best in staat om over ons zelven te oordelen door vergelijking. Zij, die hoge gedachten van zich zelf hebben, verbeelden zich zo groot en zo goed te zijn, als die en die, welke vermaard geweest zijn. De vleierij der vorsten zeggen hun, wie zij gelijk zijn, in pracht en grootheid, welnu, zegt God, laat hem den beroemdsten Potentaat nemen, die er ooit is geweest, en men zal hem toestaan, dat hij hem gelijk is in grootheid en nergens in minder den hij, maar laat hem ook nemen, wien hij wil, hij zal bevinden, dat zijne dag kwam om te vallen, hij zal zien, dat er een einde is aan alle zijne volmaaktheid, en moet daarom het einde van de zijne op dezelfde wijze verwachten. Merk hieraan, de val van anderen, zowel in zonden als in het verderf, zijn tot waarschuwing en vermaningen voor ons, om niet gerust en hooggevoelende te zijn, of te denken, dat wij buiten gevaar zijn.