Ezechiël 2:6-10
Nadat de profeet zijn aanstelling ontvangen heeft, ontvangt hij hier zijn opdracht. Het is een erepost, waartoe hij bevorderd is, maar tegelijk is het een post van dienen en werken, en hier wordt van hem geëist:
I. Dat hij stoutmoedig zal zijn. Hij moet bij de volbrenging van deze opdracht handelen met onoverwinlijke moed en vastberadenheid, en zich niet laten storen in zijn werk, en zich niet laten neerslaan door de moeilijkheden en de tegenstand, die hij er waarschijnlijk in ontmoeten zou: Mensenkind, vrees niet voor hen vers 6. Zij, die iets willen tot stand brengen in de dienst van God, moeten niet bevreesd zijn voor het aangezicht van de mensen, want de vrees voor mensen is een strik, die ons in de dienst van God zeer bemoeilijken zal.
1. God zegt de profeet, wat het voor mensen zijn, tot wie hij gezonden wordt, als in vers 3, 4. Het zijn doornen en distelen, die krabben en scheuren, en iemand kwellen waarheen hij zich wendt. Zij bedenken steeds nieuwe plagerijen voor Gods profeten en zoeken hen te verschrikken in hun rede, Mattheus 22:15, het zijn stekende doornen en prikkende distelen. "De beste van hen is als een doorn, de oprechtste is scherper dan een doornenheg," Micha 7:4. Doornen en distelen zijn de vrucht van de zonde en de vloek, en van dezelfde datum als de vijandschap tussen het zaad van de vrouwen het zaad van de slang. Goddeloze mensen, in `t bijzonder de vervolgers van Gods profeten en volk zijn als doornen en distelen, die schadelijk zijn voor de grond, het goede zaad verstikken, Gods werk als tuinman hinderen, en Zijn knechten bemoeilijken, maar zij zijn nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding. Toch maakt God soms gebruik van hen tot kastijdingen onderwijzing van Zijn volk, zoals Gideon het de lieden van Succoth deed verstaan door doornen en distelen, Richteren 8:16. Toch is dit nog niet het ergste: zij zijn schorpioenen, vergiftig en boosaardig. De steek van een schorpioen is duizendmaal pijnlijker dan het prikken van een distel. Vervolgers zijn adderengebroedsel, zij zijn van het zaad van de slang, en slangenvenijn is onder hun lippen, en zij zijn listiger dan al het gedierte des velds. En, wat het lot van de profeet te smartelijker maakt, is, dat hij onder deze schorpioenen woont zij zijn voortdurend bij hem, zodat hij niet veilig en gerust is in zijn eigen huis, deze slechte mensen zijn slechte buren, die daardoor veel gelegenheid hebben, en die niet zullen laten voorbijgaan, om hem kwaad te doen. God zegt dit tot de profeet, zoals Christus tot de engel van een van de gemeenten, Openbaring 2:13. "Ik weet uw werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des Satans is." Ezechiël had in zijn visioen met engelen gesproken, maar als hij van die hoogte afdaalt, bevindt hij, dat hij bij schorpioenen woont.
2. Hij zegt hem, wat hun gedrag tegen hem zal zijn, dat zij zouden doen, wat zij konden om hem te verschrikken met hun blikken en hun woorden, zij zouden hem overbluffen en bedreigen, zij zouden hem met verachting en wrevel aanzien, en hun uiterste best doen om hem af te maken en beschaamd te doen staan, om hem de last te benemen, te profeteren of tenminste, hun hun zonden aan te zeggen en hen met Gods oordelen te dreigen, of, als zij daar niet in konden slagen, dat zij hem dan zouden kwellen en in verwarring brengen en de rust van zijn gemoed verstoren. Zij waren nu onderworpen, van alle macht beroofd, zodat zij geen ander middel hadden om de profeet te vervolgen dan met blikken en woorden, en zo vervolgden zij hem. "Zie, gij spreekt en doet die boosheden, zoveel gij kunt," Jeremia 3:5. Als zij meer macht gehad hadden, dan zouden zij meer kwaad gedaan hebben. Zij waren nu in gevangenschap, als straf voor hun rebellie, en in `t bijzonder voor de mishandeling van Gods profeten, en toch zijn zij zo slecht als altijd. Al "stiet gij de dwaas in een mortier met een stamper, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken, " geen leidingen zullen zonder meer iemand nederig maken en verbeteren, tenzij de genade Gods meewerkt. Maar, hoe boosaardig zij ook waren, Ezechiël moet niet voor hen vrezen, en niet ontzet zijn, hij moet zich niet van zijn werk laten afschrikken, en ook niet van een deel er van, hij moet zich niet laten ontmoedigen of terneerslaan door al hun bedreigingen, maar het met vastberadenheid en blijmoedigheid voortzetten, wijl hij zijn veiligheid zeker is, onder de goddelijke bescherming.
II. Er wordt van hem geëist, dat hij getrouw zal zijn, vers 7.
1. Hij moet getrouw zijn aan Christus, die hem zond: Gij zult Mijn woorden tot hen spreken. Gelijk het de eer van de profeten is, dat hun opgedragen wordt de Woorden Gods te spreken, zo is het hun plicht om zich er nauwkeurig aan te houden en niets te spreken dan wat met Gods Woorden overeenstemt. Predikanten moeten altijd spreken volgens die regel.
2. Hij moet getrouw zijn jegens de zielen van hen, tot wie hij gezonden wordt: Hetzij, dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen, hij moet zijn boodschap aan hen overbrengen, zoals hij die ontvangen heeft. Hij moet er hen toe brengen zich te schikken naar het Woord, en niet zich er op toeleggen om het Woord pasklaar te maken voor hun zin. Het is waar, zij zijn zeer weerspannig, zij zijn de weerspannigheid zelf, maar, niettemin "zult gij Mijn woorden tot hen spreken," of zij er een welgevallen aan hebben of niet." De onhandelbaarheid en onleerzaamheid van de mensen onder het Woord zijn geen redenen voor predikanten om op te houden met hun te prediken, ook moeten wij geen gelegenheid laten voorbij gaan om iets goeds te doen, al hebben wij ook alle redenen om te denken, dat het niet helpen zal.
III. Er wordt van hem geëist, dat hij gehoorzaam zal zijn aan zijn opdracht.
1. Hier is een algemene opgave van de inhoud van zijn opdracht, die in het boek stond dat voor hem uitgebreid was, vers 10..
a. De opdracht was uitvoerig, want de rol was voor en achter beschreven, aan de binnenzijde en aan de buitenzijde. Zij was als een vel papier op alle vier zijden beschreven. De ene zijde bevatte hun zonden, de andere de oordelen Gods, die om die zonden over hen komen zouden. God heeft zeer veel tot Zijn volk te zeggen, als het ontaard en weerspannig geworden is.
b. Zijn opdracht was droevig van aard. Hij werd met een treurige boodschap gezonden, de inhoud van het boek was: klaagliederen en zuchting en wee. De voorstelling van de inhoud is ontleend aan de indruk, die hij zou maken op de gemoederen van hen, die er aandachtig naar zouden luisteren, hij zou hen doen wenen, en luide uitroepen: "Weet en Ach!" Beide, de ontdekking van de zonde en de aankondiging des toorns zouden reden geven om te klagen. Wat kon beklagenswaardiger, treuriger, smartelijker zijn dan een heilig, gelukkig volk in zo'n toestand van zonde en ellende verzonken te zien zoals de Joden in die tijd waren, naar blijkt uit de profetie van dit boek? Ezechiël geeft antwoord op de klaagliederen van Jeremia. Hoewel God rijk in genade is, toch zullen onboetvaardige zondaars ondervinden, dat er onder Zijn woorden klaagliederen en wee zijn.
2. Hier wordt uitdrukkelijk last gegeven aan de profeet, om zich aan zijn opdracht te houden, beide, het ontvangen van zijn boodschap en het overbrengen er van. Hij zal die nu ontvangen, en hier wordt hem bevolen: a. Er aandachtig naar te luisteren. Mensenkind, hoor hetgene, dat Ik tot u spreek, vers 8. Zij, die uit naam van God tot anderen spreken, moeten eerst zelf naar God luisteren en van Zijn stem gehoorzaam zijn. "Wees niet weerspannig, weiger niet deze boodschap te doen, of ze over te brengen, vlucht niet, zoals Jona deed, uit vrees uw landgenoten onaangenaam te zijn. Zij zijn een weerspannig huis, onder wie gij woont, maar wees niet als zij, voeg u niet bij hen in iets kwaads. Als predikanten, die door hun ambt vermaners zijn, de zonde door de vingers zien, en toegeeflijk zijn jegens zondaren, en hen niet wijzen op hun goddeloosheid, of hun de noodlottige gevolgen niet onder de ogen brengen, uit vrees hun onaangenaam te zijn, en hun misnoegen op de hals te halen, maken zij zich daardoor tot medeplichtigen aan hun zonde. Als de mensen hun plicht niet willen doen en zich verbeteren, dan moeten toch de predikanten de hunne doen door hen te vermenen, en de terugslag er van zal hun troost zijn, wat ook het resultaat is, zoals het geval was bij die profeet, Jesaja 50:5. "De Heere, Heere heeft mijn oor geopend, en ik ben niet weerspannig." Zelfs de beste mensen hebben behoefte om gewaarschuwd te worden tegen de ergste misdaden, als hun lot gevallen is in slechte tijden en plaatsen.
b. Het in zijn eigen geest te verwerken en er de gunst en de kracht van te proeven. "Hoor niet alleen hetgene, dat ik tot u spreek, maar open uw mond en eet wat ik u geef. Bereid u voor om het te eten, en eet het gewillig en met smaak." Al Gods kinderen zijn tevreden, ter beschikking te zijn van hun hemelse Vader, en te eten wat Hij hun geeft. Wat Gods hand Ezechiël toestak, was boekrol, of een boekdeel, een rol papier of perkament, geheel beschreven en opgerold. De goddelijke openbaring komt ons toe van de hand van Christus, Hij gaf ze aan de profeten, Openbaring 1:1. Als wij naar de boekrol zien, dan moeten wij oog hebben voor de hand, waardoor zij gezonden wordt. Hij, die ze de profeet bracht, "spreidde ze voor hem uit, opdat bij ze niet zou verslinden in blind geloof, maar de inhoud er van ten volle verstaan zou, en ze daarna ontvangen en zich toeëigenen". "Wees niet weerspannig, zegt Christus, maar eet wat Ik u geef". Als wij niet aannemen, wat Christus in Zijn geboden en leidingen ons toewijst, als wij ons niet onderwerpen aan Zijn Woord en roede, en ons niet met beide verenigen, dan zullen wij voor weerspannig gehouden worden.