4. En op enige vrucht uwer zending, op een gevolg uwer prediking moogt gij bij zulk ene gesteldheid des harten niet rekenen, want deze kinderen zijn hard van aangezicht en stijf van hart 1) (
Jesaja 48:4.
Jeremia 5:3.
Handelingen 7:51), Ik zend u tot hen, en gij zult, wanneer gij Mijn woord aan hen zult verkondigen, tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE! Met dat woord zult gij u als een gezant voorstellen van dien God, die hun God, de Heere is (
Jesaja 7:7;
25:8;
33:151) De Profeet tekent hier de Israëlieten als zo tot goddeloosheid vervallen, dat zij in hun gelaat toonden openbare vijanden Gods te zijn.
3) Nadat God Zijn knecht gezegd heeft hoe moeilijk zijn ambt was, bevestigt Hij hem nu en vermaant hem tot onverwinlijke stoutmoedigheid. Gij, zegt Hij, zult zeggen: Zo zegt de Heere HEERE, alsof Hij wil zeggen, dat dit een kracht genoeg bezit om alle beletselen te overwinnen, omdat hij Gods zaak volbrengt. Want God geeft hier niet een bepaald bevel, dat zou Hij later doen, maar het is een algemene uitspraak, zo zegt Jehova, dat is, niets breng ik uit mij zelven voort, maar ik breng getrouw over wat God bevolen heeft. Wij zien waarop God doelt, n. l dat Hij Zijn Naam stelt tegen de hardnekkigheid van het volk en beveelt dat de Profeet, waar hij met dit gezegde is aangegord, dapper en van onbevreesd gemoed zal zijn, ofschoon hij zware en harde vijanden tegen zich heeft.
Merkt hieraan: Christus geeft de middelen der genade aan velen, die hij weet dat er geen goed gebruik van maken. Hij geeft menige prijs in de hand van dwazen, die niet alleen geen hart daarvoor hebben, maar vele daartegen gekant zijn. Dus wil Hij Zijne genade verheerlijken, Zijne oordelen rechtvaardigen hen verantwoordelijk laten en hun verdoemenis des te zwaarder maken.
Met deze woorden moest de Profeet het woord, hetwelk hij moest spreken tot zijn volk, verklaren enkel en alleen het Woord Gods te zijn. Wat hij spreekt is Gods woord, en niets anders dan Gods woord. 5. En zij, hetzij dat zij het horen zullen en Uw woord gelovig aannemen en zich daarnaar richten, of hetzij dat zij het laten zullen, daarnaar moet gij niet vragen wat uw besluit betreft, Mijne zending werkelijk te volvoeren. Al is het dat zij ongehoorzaam zijn, zo moogt gij daarom toch niet van uw ambt ontheven willen zijn, integendeel moet gij u dadelijk hierop voorbereiden en toch gaan, waarheen Ik u zend, (want zij zijn een weerspannig huis). In Mijnen naam moet gij tot hen gaan, 1) zo zullen zij weten, dat een Profeet in het midden van hen geweest is 1), wanneer alles zo geschiedt, zo als Ik het u vooraf zal laten aanzeggen.
a) Ezechiel 33:33
1) Of de Profeet toehoorders vindt of niet, is het toch zijn werk te betuigen: "zo zegt de Heere Jehova. " Door die getuigenis, die onder hen werd gehoord, weten zij, al mochten zij, ook verder niets horen, dat er een Profeet onder hen geweest is. God heeft daarmee genoeg gedaan (Johannes 15:22).
In Jehova en Zijne verbondsbetrekking tot Israël ligt de noodzakelijkheid zijner openbaring; Zijn getuigenis, de bekendmaking van Hem moet in Israël worden vernomen. Zo wil Jehova zelf niet alleen de bekering, maar ook de verharding van het volk (Jesaja 6:9) in zo verre Hij in de eerste plaats slechts de prediking van Zich wil. Even gestreng als daarom aan de ene zijde de profetische verkondiging tot den wil Gods moet worden teruggevoerd, als een uitvloeisel en afdruksel daarvan moet worden aangezien, eveneens niet minder de werking daarvan-het horen en niet horen daarvan is gelijkelijk Gods wil, daar Hij anders Zijn woord moest terughouden.