13. U kunt toch, ook al moet u ook mijn leiding en hulp ontberen, wel zelf aan het heil van uw zielen werkzaam zijn; want het is God, uit wie alle bekwaamheid is (
2 Corinthiërs 3:5) en Hij is het, die in u werkt, zowel het willen als het werken naar Zijn welbehagen en dan hoeft u slechts aan dit werken in voortdurende strijd tegen de vijandige machten (
Galaten 5:17.
1 Johannes 5:4 v.
Efeze 6:10) gevolg te geven en dan zal het u lukken.
De apostel verdeelt de inhoud van het werken van de zaligheid in het willen en het werken; het eerste is de werkzaamheid tot het maken van een begin en brengt als zodanig de zaligheid niet tot stand; het tweede is de doorzettende werkzaamheid, die, wat in de eerste als inwendig doel aanwezig is, tot uitwendige daad maakt. Beide werkzaamheden komen op de weg van de zaligheid de mens toe, echter niet op die manier, dat zij uit hemzelf voortkomen, maar zij nemen hun oorsprong in een goddelijk werken, dat die vooraf gaat en de grond daarvan is. Dienvolgens werkt God in de orde van het heil het menselijk werken. (In de grondtekst staat voor dit werken het scheppen van de zaligheid, dat een tot stand brengen te kennen geeft, terwijl voor het andere de meer eenvoudige uitdrukking gebruikt is, die slechts een toedoen te kennen geeft). Door het "in u", wordt aangeduid, dat de goddelijke inwerking niet een is, die aan de menselijke werkzaamheid vreemd is, niet een zuiver correctieve, maar een, die in deze immanent en daarom ethisch is. De nadere bepaling "naar Zijn welbehagen" wijst er nog in het bijzonder op, dat de mens op die weg van de zaligheid zich op geen verdienste kan beroepen, maar volstrekt afhankelijk is van de genade, de vrije goedheid van God.
De genade van God, op zich nemende, om het werk, dat zij in ons begonnen heeft, ook te volbrengen, mag en moet een bron van gerustheid zijn, ook te midden van overblijvende zwakheid, maar zij moet tegelijkertijd de prikkel wezen van onze grootste, vurigste en gemoedelijkste ijver. Het denkbeeld, alsof hij, die het werk van deze genade aan zijn hart gewaar wordt, een zorgeloos, een werkeloos leven zou mogen, (ik zeg te weinig) zou kunnen leiden, is in zichzelf ongerijmd en de Schrift getuigt er tegen van bladzijde tot bladzijde, alsof zij alleen geschreven was om er tegen te getuigen. God werkt in ons onze zaligheid niet zonder ons, al werkt Hij ze zonder enige van onze verdienste of eigenmachtige medewerking. Hij werkt in ons, zedelijke personen, die wij zijn en blijven, een wil, Hij werkt in ons een werk ter zaligheid en dit dient door ons met vreze en beven aangenomen, behartigd, verantwoord te worden. Wat een gruwel, (als die denkbaar was) de overtuiging te hebben, dat God in ons werkt en te doen, te zijn alsof die overtuiging ons koud liet; in plaats dat het in alles aan ons zichtbaar wordt, hoe zij ons met al haar ontzaggelijkheid aangrijpt, drijft en regeert, zichtbaar hoe wij (schoon zonder angst, dat Hij de arbeid van Zijn handen in ons zal laten varen) altijd vrezen achterlijk te blijven in het metterdaad erkennen van een zodanige genade, altijd vrezen, ons niet aandoenlijk genoeg te betonen aan zo genadige werkingen! Zo'n vrezen en beven, zoals het geschiedt ter ere van God, drijft de hoogmoed buiten, die de machtigste is en de gevaarlijkste van al onze boezemzonden en die het meest blootstaat en blootstelt aan de verleidingen van de wereld en satan. Zo'n vrezen en beven bewaart voor alle verheffing op de verworven genade, op het in ons door haar gewrocht willen en werken, tegenover onze medezondaren. Zo'n sidderen voor onszelf, bij het bewustzijn van de hoge hulp van God, behoedt ons voor dat andere vrezen en beven, dat voortkomt uit de teleurstelling van het zich altijd weer aan de ziel opdringende denkbeeld, dat er enige voortreffelijkheid, hetzij van werken, hetzij van geloof, hetzij van ootmoed, hetzij van gebed in ons zijn kan, machtig om de gunst van God uit te lokken of voor ons te verzekeren. Dit vrezen en beven is het eerbiedig ontzag van het kind, dat, van zijn vaders liefde overtuigd, ja, doordrongen en zijn eigen zwakheden kennend, die, als zij zich tonen, die lieve vader diep bedroeven, over zijn hart en lippen waakt met de nauwgezetste en tederste bezorgdheid.
God is het, die in ons werkt het willen en het volbrengen. Daarom willen wij, maar God werkt in ons ook het willen; dus volbrengen wij, maar God volbrengt in ons ook het volbrengen naar Zijn welbehagen. Zo betaamt het ons te geloven en te spreken. Dat is recht, dat is waar, opdat onze belijdenis ontmoedig en onderdanig is en Gode alles wordt toegekend. Wij geloven denkend, wij spreken denkend, wij doen wat wij doen denkend; maar wat de weg van de godzaligheid en de ware godsdienst betreft, zijn wij niet bekwaam van onszelf iets te denken, maar dat wij bekwaam zijn, is uit God. Wanneer het daarom in de liturgie heet: verhef uw harten tot de Heere! - dan is dat een gave van de Heere, waarvoor wij worden vermaand, de Heere onze God te danken en te belijden, dat het recht en echt waardig en heilaanbrengend is, de Heere daarvoor dank te zeggen.
Dit is een aanmoediging voor mensen, die zich hun eigen zwakheid om te werken bewust zijn, waartoe zij van te voren vermaand waren (zie Haggai 2:5) en een drangreden tot ontmoedigheid en zachtmoedigheid en tegen alle trotsheid en ijdele eer, terwijl al wat wij hebben en doen van God is, gevende tegelijk te kunnen de oorsprong en het beginsel van alle goede werken; namelijk de genade van God in het hart, dat is een inwendige werking en alleen het werk van God. 14. a) Doe alle dingen, die u op uw Christelijke weg voorkomen om te doen (1 Corinthiërs 10:31), zonder mopperen, zonder enige uiting van ontevredenheid (Handelingen 6:1), als zou zich te veel worden opgelegd (1 Petrus 4:9. 1 Corinthiërs 10:10 en zonder tegenspreken, zonder bedenkingen op te werpen, of hetgeen u moet doen, ook werkelijk plicht voor u is en dus gedaan moet worden.
a) Romeinen 12:17. 1 Petrus 2:12
Dit is een vermaning, die nauw verenigd is met de vorige. De gelovige Christen wordt door Gods kracht opgewekt en gedreven; zij is krachtig in hem. Nu moet hij zich echter ook onbepaald daaraan overgeven en niet door te morren, door een bepaald verzet tegen Gods wil, noch achter twijfelingen en spitsvondigheden zijn ongehoorzaamheid bewimpelend, zich tegen God aankanten. Morren en ontduiken is het werk van een knecht, niet de weg van een kind, dat uit liefde gehoorzaamt.
In het mopperen tegen God openbaart zich het valse vertrouwen van zichzelf; want die tegen God moppert, is met zichzelf wel en integendeel met God niet tevreden. In het twijfelen en tegenspreken openbaart zich het valse wantrouwen ten opzichte van zichzelf, waaraan de inwendige godsdienstige en zedelijke vastheid ontbreekt. Waar het ware vertrouwen op God gevonden wordt, daar houdt het mopperen op, waar de echte zekerheid van de Christelijke godsdienstige overtuiging gevonden wordt, daar houdt het twijfelen op.