1. En a) u heeft Hij ook levend gemaakt, omdat u dood was, eensdeels u Joden door de misdaden, de overtredingen van de wet (
Galaten 3:19) en aan de andere kant, u, die heidenen was door de zonden. Overtredingen waren bij u, Joden, die de juiste weg heeft verlaten, die u door de wet aangewezen was en u heidenen leefde in zonden, u, die geen andere wegen dan die heeft gekend.
a) Romeinen 5:6. Colossenzen 2:13.
Nadat Paulus in Hoofdstuk 1:19 v. gesproken heeft van de grote kracht van God aan de gelovigen, die men kon leren kennen door hetgeen God aan Christus had gedaan, die Hij opwekte, verhoogde enz. wil hij nu met toepassing daarvan op de lezers, de laatsten doen voelen, dat God ook hen, toen zij dood waren in hun zonden, met Christus levend gemaakt heeft enz., dus ook aan hen die grote macht had bewezen. De zinsbouw wordt, voor nog het subject en het verbum wordt uitgesproken, door de toevloed van de gedachten van de relatieve zinnen in Vers 2, 3 afgebroken, maar in Vers 4 door "maar" weer opgenomen, in welk vers dan het subject, in Vers 1 nog niet genoemd, wordt genoemd en gekarakteriseerd. In Vers 5 vinden wij verder het verbum, met herhaling van het object, dat echter ten gevolge van hetgeen in de tussenzinnen gezegd is, reeds in Vers 4 in de eerste persoon is overgegaan. Beide keren moet het een aanwezige toestand zijn, waaraan de goddelijke kracht ontrukt. Bij Christus is het een toestand, die het tegendeel was van het lichamelijk leven, waarin Hij van de geboorte af was geweest, bij ons een toestand, die het tegendeel is van de persoonlijke levensgemeenschap met God, waarin wij als door God geschapen moesten staan.
De Schrift kent een geestelijke dood (1 Johannes 3:14. Mattheus 8:22. Lukas 15:24) en een tweede dood (Openbaring :11; 20:6, 14; 21:8, dus een soort van dood, die, zonder vernietigend te zijn, ook geest en ziel kan aangaan. De tweede dood is de toestand van een helse straf, die aan de andere kant van de eerste dood ligt. De geestelijke dood is de natuurlijke toestand van straf, die aan deze kant ligt, waarin ieder mens, afgezien van de genade, zich bevindt, dus een gevolg van de eerste zonde. Zegt men, dat deze geestelijke dood vervreemding van de inwendige mens van God, de Levende is, dan is daarmee minder gezegd, waarin die bestaat, dan wel waardoor die ontstaat. Hij moet bestaan in een oplossing overeenkomstig de lichamelijke dood en in een verdwijnen van het tegenwoordige leven, gelijk aan de dood. Zo is het ook; het inwendige van de mens werd, ten gevolge van de eerste zonde, door de dood aangegrepen, terwijl de vorige harmonische eenheid de vele krachten, die in het leven van geest en ziel in elkaar grijpen, zich oploste en terwijl het leven van de Geest naar Gods beeld en de afspiegeling ervan in de ziel verdwenen. Tot hiertoe vervulde Gods liefde het willen, denken en voelen van de Geest. Dit drievoudige van God vervulde leven van de Geest was het heilige beeld van de Godheid in de mens. Toen echter Satanische gedachten over een liefdeloze God in de mens ingang vonden, toen trad vijandschap (Romeinen 8:7) in de plaats van de liefde en verstoring (1 Corinthiërs 14:33) in de plaats van de vrede. De krachten van de ziel, die in God vrede hebben, raakten in verwarring en ontbrandden in begeerlijkheid, die strijdt tegen God. De Geest was aan de liefde van God ontvallen en de ziel aan de heerschappij van de geest. Ons leven is sinds slechts een schaduw van leven en uit de grond van de natuur, waaruit het is opgegaan, strekken zich vele armen uit, die de vluchtende schaduw eindelijk in de duisternis van de dood wegslepen.
Het wil maar niet in de mens, die levend is, om zichzelf te beschouwen als dood door de misdaden en zonden; zwak te zijn, daartoe zou men nog eerder kunnen komen. En het is waar, het woord van God beschrijft ons ook soms als zwakken en zieken, die de geneesmeester nodig hebben; maar ook dat bedoelt de Geest van God niet, zoals de mensen het graag uitleggen. Zij noemen zich zwak, omdat zij zichzelf doof maken, dat zij weer kunnen herstellen en reeds ver op de weg van verbetering zijn, het woord van God bedoelt echter een zwakheid, waarbij eigen hulp geen plaats meer vindt, waar de hoop op genezing alleen berust op de nabijheid en het alkunnen doen van de Geneesheer. Zo zeker als het lichaam zonder ziel dood is, zo zeker is de ziel zonder geest dood. Zij heeft wel een natuurlijk leven en daaruit krachten, verstand, wil, overleg; zij kan dat ook uit en door middel van de zintuigen en leden van het lichaam; maar God te kennen en Hem lief te hebben, Zijn waarheid te erkennen, het tijdelijke en het eeuwige met elkaar te verbinden, hoop van het eeuwige leven te koesteren, dat alles is voorbij en wat daarvan zich aan de doden mens opdringt, vindt veel tegenstand. De wandel en de werkzaamheid, waarmee men gewoonlijk deze dood bedekt, maakt het onheil niet minder, maar integendeel gevaarlijker.