24. Zo zullen alle bomen des velds, alle koningen op aarde met hun volken, die buiten het volk van Israël staan, weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom van Davids huis in Jojachin (
Vers 3) vernederd heb, den nederigen boom in den Messias (
Vers 22) verheven heb, den groenen boom, zo als hij nog in
Vers 5 was, verdroogd (
Vers 9), en den drogen boom in het tedere rijk, dat tot een heerlijken cederboom werd (
Vers 22) bloeiende gemaakt heb (
1 Samuël 2:4, en
Lukas 1:51): Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
De rede neemt ene groot verrasende wending, tot slot het beeld van het begin opnemende, maar nieuwe en heerlijke dingen verkondigende. Daar komt een ander en groter, dan die machtige adelaar Nebukadnezar, de sterke held Jehova zelf, en neemt weer van den top des hogen ceders, die geveld is, een teder rijsje en plant het op enen hogen en verhevenen berg; het is de Spreukenit uit den stam van Isaï die op den berg Zion (Jesaja 2:2; 11:10) zich tot den heerlijksten ceder zou verheffen, onder wiens takken alle vogels bescherming zullen vinden ziet daar de verhevene gedaante van den Messias, die in Zijn rijk alle volken zonder onderscheid verzamelt! Onder de menigvuldige voorzeggingen van den Gezalfde des Heeren en van Zijn koninkrijk door de gehele wereld staat deze van onzen Profeet zelf als een ceder; in de meest grootse en eenvoudige gelijkenis heeft hij de toekomstige zaligheid in hare meest algemene betekenis en waarheid op het treffendst afgebeeld. Meer bijzonder moeten wij intussen nog letten op de belofte, welke de Heere onder ene dergelijke zinneprent als de eerste, hier aan het slot dezer voorspellende rede plaatsen doet. Ongetwijfeld is het de vorst Zerubbabel, die hier in de eerste plaats wordt bedoeld, terwijl het een teder deel was van den oppersten tak des ceders, die in Babel was geplant en door den Heere op de bergen Israëls zou geplant worden; maar is nu alles wat van dien ceder tot hier gezegd wordt, te groot en te heerlijk, dan dat het in enen mens, en in Zerubbabel, ook bij de schoonste uitbreiding van den godsdienst onder de Chasmonesche vorsten, kan vervuld zijn, den vinden wij hier ene voorspelling van verdere uitzichten, die op den Messias wijzen, en die ons doen denken aan de zuivere herstelling der Israëlietische kerk, onder de regering van Jezus Christus, onzen Heere, en de toebrenging der Heidenen, zo als Hij zelf dit stuk heeft voorgesteld in de gelijkenis van het mosterdzaad (Mattheus 13:31, 32). Niet zelden gaf de genadige Ontfermer, in de donkere dagen des Ouden Verbonds ene Messiaanse voorspelling, die rijk en heerlijk was; daarmee mochten de godvruchtigen zich verkwikken en versterken, en werd het geloof der oude Gods kerk gaande gehouden en telkens opgewekt. Behoort de Messias en Zijn bestuur onder de kern van het Evangelie van den ouden dag, was dat stuk zamengeweven in de Israëlietische geschiedenis, niet minder is datzelfde ook hoofdzaak bij ons, en moet en zal het dat altoos bij ons blijven. Richte zich dan ons oog maar op Hem, die de geest en de kracht was der Profetie, op Hem, die door Zijn bloed Zich ene gemeente heeft gekocht uit alle geslachten, talen, volkeren en natiën, die gisteren en heden dezelfde blijft in der eeuwigheid, en die de Alfa en de Omega is. Hechte zich ons hart aan Hem, onderwerpe zich ons leven aan Zijn bestuur, en blijve het oog des geloofs op Hem gevestigd, in Wien al Gods beloften ja en amen zijn, Gode tot heerlijkheid.
Nadat de Ziener zich in de diepte der ellende had begeven, treedt hier de gehele kracht en volheid des geloofs in verheven geestvervoering en troostvolle verkondiging te voorschijn. De korte, maar rijke verkondiging van den Messiaansen tijd beweegt zich om drie grote tegenstellingen tegenover de voorafgaande bedreiging van straf: 1) in tegenstelling tot de nu vreselijk dreigende macht van Nebukadnezar verschijnt in de toekomst de Almacht des Heeren-de eerste is een werktuig tot verderf, maar de Heere volbrengt genade, en wel een wonder van genade daar hij uit het schijnbaar geringste het heerlijkste opwekt; 2) in tegenstelling tot de misdadige verblinding van Zedekia staat deze nieuwe planting Gods-de eerst zal te niet gaan, maar de door God geplaatste spruit zal daarentegen tot ene heerlijkheid komen, die alle verwachtingen te boven gaat; 3) in tegenstelling met de ellende, die Israël reeds heeft getroffen en nog zou treffen, staat die toestand, in welken Israël het middelpunt van de openbaring der Messiaanse heerlijkheid zal zijn, en daardoor een zegen over alle volken der aarde zal verbreiden.
Het "Ik" aan het begin der profetie vormt ene tegenstelling tegen de machteloze en vruchteloze pogingen van den tegenwoordigen tijd om Davids stam in zijne waardigheid te behouden. Als al die middelen der staatkunde schipbreuk hebben geleden, neemt de Heere de zaak ter hand, dezelfde, die deze plannen tot redding vernietigde. De ceder is hier, even als vroeger, de stam van David. De tederheid van het rijsje wijst er op, dat de Spreukenit van David eerst als gering en zonder gedaante zal voortkomen, overeenkomstig de aankondiging van vroegere profeten, dat de Messias in den tijd der diepste vernedering van het huis van David zal verschijnen, uit de vervallen tent van David zal voortkomen, een rijsje van Isaï's tronk, een scheut uit de wortelen van het dorre land zal zijn. (Amos 9:11. Jesaja 11:1; 53:2).
De Heere doet als Nebukadnezar, en doet toch zo geheel anders; gene verhoogt wat hoog wilde zijn, Hij verhoogt wat tot niets scheen vernederd te zijn.
Nebukadnezar had den top des ceders van Zion weggevoerd in een ander Kanaän, het land der kooplieden. De Heere, die Zijn volk eerst in Kanaän geplant heeft, plaatst nu integendeel ene tedere loot van den top des hogen ceders, ene jonge spruit uit Davids koningsstam op den berg Zion, om daar te planten, dat hij wasse en vrucht brenge en alle vogelen (alle volken) onder zijne schaduw wonen.
De Messias komt hier niet voor als ene idee, als een abstract ideaal, maar als een bepaald historisch persoon. Hij is het tegenbeeld van Jojachin; deze werd van den troon zijner vaderen afgestort in de diepte der ellende, gene, beginnende in de gedaante van een dienstknecht, openbaart Zich ten laatste als Koning der ganse aarde; daarentegen wordt de zijlinie, het huis van Zedekia uitgesloten van den zagen der belofte, de laatste blijft tot het vernederde huis van Jojachin beperkt.
De hoge berg is de heilige berg van Jeruzalem, die daardoor, dat de Messias in Zijn koningschap in trad, hoger werd dan alle bergen, het geestelijke middelpunt der wereld; want, zo gaat Vers 23 voort, wanneer God de Spreukenit uit het huis van David op den berg Zion zal hebben geplant, zal deze wassen en tot ene grote boom worden, onder welken alle vogels woning vinden. De persoon van den Messias zal toenemen totdat Zijn rijk, dat het geestelijke vaderland zal worden van al de volken der wereld, hun geestelijk voedsel en geestelijke bescherming verleent; en, zo besluit Vers 24, wanneer dat zal geschieden, zullen de bomen des velds erkennen, dat Ik, de Heere, het ben, die den hogen en groenen boom vernederd en dor gemaakt heb, maar den nederigen, en dorren boom verheven en groen. De bomen des velds zijn de volken buiten het Oude Testament. De hoge en groene boom is het koningshuis van David in de grootheid en macht, die het tot hiertoe had, de nederige en dorre boom is daarentegen dit huis onder de straf, waarin het door het gericht van Jojachin en Zedekia kwam, en waaruit het daardoor is verheven, dat de Messias daaruit voortkomt.
De kerstboom, die ons God heeft bereid: 1) naar zijne natuur, 2) naar zijne bestemming. I. Des zomers en des winters is de ceder groen en verliest nooit zijn loof noch zijne frisheid, de altijd groene levensboom is Christus. Geen hout is duurzamer; zo is ook Christus het onverstoorbare fondament voor onze verwachtingen en wij zijn de takken aan dien ceder Gods. Onze krachten zijn van Christus, die ze in en door ons voortbrengt. Johannes en Petrus, Paulus en Jakobus, welke takken zijn zij! en de kerkvaders en hervormers, en allen, die geloven, welk een boom! Welke groene, bloeiende, met vrucht beladene takken zijn het, die hem omgeven. Welk ene krachtige, met loof bedekte verre schaduw gevende kroon, en in de kroon welk een waaien, suizen en ruisen van heilig leven en van Goddelijke liefde! Hier wordt aan Christus en Zijne zaak niets minder beloofd, dan de triomf over de gehele wereld-de pralende heerlijkheid van Babylon, Egypte, Rome en Athene, waar is die gebleven?