Openbaring 1:3-8
Hier is de apostolische zegenbede over allen, die betamelijke aandacht zouden wijden aan deze goddelijke openbaring, en deze zegenbede wordt gegeven meer in het algemeen en daarna meer in het bijzonder.
I. Meer algemeen: aan allen, die de woorden dezer profetie zullen lezen of horen. Deze zegen wordt, naar het schijnt, uitgesproken met het doel om ons aan te moedigen tot het onderzoek van dit boek, en om niet traag te worden door het zien van de duisternis van vele dingen, die het bevat, het zal de moeite van den zorgvuldigen en oplettenden lezer belonen.
1. Het is een gezegend voorrecht de woorden van God te genieten. Dit was een van de voornaamste voordelen, die de Joden boven de heidenen hadden.
2. Het is een gezegend ding de Heilige Schriften te onderzoeken, die dat doen zijn recht nuttig bezig.
3. Het is een voorrecht niet alleen de Schrift voor ons zelven te lezen, maar die ook te horen lezen door anderen, die bevoegd zijn ons de bedoeling van het gelezene mede te delen en ons in te leiden in het recht verstand daarvan.
4. Het is voor onzen zegen niet genoeg de Schrift te lezen en te horen, maar wij moeten ook bewaren hetgeen in dezelve geschreven is, wij moeten het bewaren in ons geheugen, in ons verstand, in onze liefde en in de praktijk, en dan zullen wij gezegend worden inderdaad.
5. Hoe nader wij komen tot de vervulling van de Schrift, des te meer moeten wij er acht op slaan. De tijd is nabij, en wij moeten steeds oplettender worden naarmate wij weten dat de dag nadert.
II. De apostolische zegenbede wordt nu meer in het bijzonder uitgesproken over de zeven gemeenten, die in Azië zijn, vers 4. Deze zeven gemeenten worden in vers 11 genoemd, en aan elke daarvan wordt in de volgende hoofdstukken een afzonderlijke boodschap gezonden. De apostolische zegen wordt meer voornamelijk over deze gemeenten uitgesproken, omdat zij hem de naaste waren, hij was toen op het eiland Patmos, en wellicht had hij de bijzondere zorg en het oppertoezicht voor deze gemeenten, de overige apostelen niet buitengesloten, indien zij nog in leven waren. Merk hier op:
1. Welken zegen hij uitspreekt over al de gelovigen in deze gemeenten. Genade en vrede, heiligheid en troost. Genade, dat is de welwillendheid van God jegens ons en Zijn goede werk in ons. Vrede, dat is de zoete ondervinding en verzekering van deze genade. Er kan geen ware vrede zijn waar geen ware genade is, en waar de genade voorop gaat zal de vrede volgen.
2. Van wie deze zegen komen moet. In wiens naam zegent de apostel deze gemeenten? In den naam van God, van de Drie-eenheid, want het is een daad van aanbidding, en daarvan is God alleen het waardige voorwerp. De dienaren mogen de gemeenten in geen anderen naam dan den Zijnen zegenen. A. Hier wordt de Vader het eerst genoemd: God de Vader, dat kan genomen worden, algemeen, voor God als God, of persoonlijk: de eerste persoon in de heilige Drie-eenheid, de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. En Hij wordt beschreven als Jehova: Die is, en die was en die komen zal. De eeuwige, onveranderlijke, dezelfde die Hij was onder het Oude Verbond, die Hij is voor de gemeente des Nieuwen Testaments, en die Hij zijn zal voor de zegepralende kerk, die komende is.
B. De Heilige Geest hier genoemd de zeven Geesten, niet zeven in aantal, maar in natuur, de oneindige volmaakte Geest Gods, in wie een verscheidenheid en volheid van gaven en werkingen is. Hij is voor den troon, want gelijk God alle dingen maakt, zo regeert Hij ze ook door dien Geest.
C. De Heere Jezus Christus. Hij noemt onzen Heere na den Geest, omdat hij het voornemen heeft over Hem meer uit te wijden, over den persoon van Christus, als God geopenbaard in het vlees, dien hij vroeger op aarde had zien wonen en nu in verheerlijkte gestalte wederzag. Let op de bijzondere beschrijving, die wij hier van den Heere Christus ontvangen, vers 5.
a. Hij is de getrouwe getuige. Hij was van eeuwigheid de getuige van al den raad Gods. Johannes 1:18, en Hij was in den tijd de getrouwe getuige van den geopenbaarden wil Gods, die nu gesproken heeft tot ons door Zijn Zoon, op wiens getuigenis wij veilig mogen afgaan, want Hij is de getrouwe getuige, die niet bedrogen kan worden en ons niet kan bedriegen.
b. Hij is de eerstgeborene uit de doden, de eersteling en het hoofd der opstanding: de enige die verrees door Zijn eigen macht, en die door dezelfde macht al de Zijnen uit hun graven zal opwekken tot eeuwige heerlijkheid, want Hij heeft hen wedergeboren tot een levende hoop door Zijne opstanding uit de doden.
c. Hij is de overste van de koningen der aarde, van Hem hebben zij hun gezag, door Hem wordt hun macht beperkt en hun toorn opgebonden, door Hem worden hun raadslagen vernietigd en aan Hem zijn zij verantwoording schuldig. Dat is goede tijding voor de gemeente, en een goed bewijs voor de Godheid van Christus, die de Koning der koningen en de Heere aller heren is.
d. Hij is de grote vriend van Zijne gemeente en van Zijn volk, een die grote dingen voor hen gedaan heeft, en dat uit zuivere belangeloze liefde. Hij heeft hen liefgehad, en als gevolg van die eeuwige liefde: Ten eerste. Hen van hun zonden gewassen in Zijn bloed. Zonde laat een smet op de ziel achter, een smet van schuld en van onreinheid. Niets kan die smet wegnemen dan het bloed van Christus, en liever dan dat zij niet zou weggewassen worden, was Christus bereid om Zijn eigen bloed te storten, om daardoor vergeving en reinheid voor hen te verwerven.
Ten tweede. Hij heeft hen gemaakt tot koningen en priesters Gode en Zijnen Vader. Na hen gerechtvaardigd en geheiligd te hebben, maakt Hij hen koningen voor Zijnen Vader, dat is: in Zijns Vaders naam, met diens goedkeuring en tot diens heerlijkheid. Als koningen overwinnen zij de wereld, doden de zonden, regeren hun eigen geest, zegepralen over Satan, hebben macht en invloed bij God door het gebed, en zullen de wereld oordelen. Hij heeft hen priesters gemaakt, toegang tot God gegeven, in staat gesteld om het heilige der heiligen binnen te treden en geestelijke aangename offeranden te offeren, en heeft hun een zalving in overeenstemming met hun waardigheid geschonken. En zij zijn gehouden voor deze hoge eerbewijzen en gunsten Hem tot in eeuwigheid heerschappij en heerlijkheid te brengen.
e. Hij zal de Rechter der wereld zijn. Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, vers 7. Dit boek, de Openbaring, begint en eindigt met ene voorzegging van de wederkomst van onzen Heere Jezus Christus. Wij behoren er ons aan te gewennen om doorgaand aan de wederkomst van Christus te denken, en die als ons geloof en verwachting in het oog te houden. Johannes spreekt alsof hij haar diezelfden dag nog zag: Ziet, Hij komt! zo zeker alsof gij het nu reeds met uw ogen aanschouwde. Hij komt met de wolken, die zijn Zijn zegekar en staatsiekoets. Hij zal openlijk komen: Alle oog zal Hem zien, het oog van Zijn volk, het oog van Zijn vijanden, uw oog en het mijne. Hij zal komen tot schrik van degenen, die Hem doorstoken hebben, en van allen die Hem opnieuw hebben gewond en gekruisigd door hun afval van Hem, en tot verbazing van de heidenwereld. Want Hij komt om wraak te nemen op hen, die God niet kennen, zowel als op hen, die het Evangelie van Christus ongehoorzaam zijn.
f. Deze beschrijving van Christus wordt goedgekeurd en bevestigd door Hem zelven, vers 8. Hier kent onze Heere Jezus terecht zich dezelfde eer en macht toe, die den Vader toegeschreven worden, vers 4. Hij is het begin en het einde, alle dingen zijn uit Hem, Hij is de Almachtige, Hij is dezelfde eeuwige en onveranderlijke. En voorzeker, al wie beproeft een der zijden van dezen naam van Christus uit te wissen, verdient dat zijn naam uitgedaan worde uit het boek des levens. Die Hem eren zal Hij eren, maar die Hem verachten zullen licht bevonden worden.