Johannes 19:1-15
Hier is een nader bericht van het verhoor dat zij onzen Heere Jezus lieten ondergaan. De vervolgers gingen voort met grote verwarring onder het volk te stichten, en de rechter zette zijn werk voort terwijl er grote verwarring in zijn eigen gemoed heerste, zodat ten opzichte van die beiden het moeilijk is het verhaal in geregelde volgorde te geven, wij moeten er dus de delen van opnemen, zoals wij ze daar vinden liggen.
I. De rechter mishandelt den gevangene, hoewel hij Hem onschuldig verklaart, hopende op die wijze de vervolgers tevreden te stellen. Al zou zijne bedoeling goed geweest zijn, werd zijne handeling er toch geenszins door gerechtvaardigd, daar die tastbaar onrechtvaardig was.
1. Hij gebood dat Hij, Christus, als een misdadiger gegeseld zou worden, vers 1. Pilatus, het volk zo verwoed ziende, en zich teleurgesteld ziende in zijn plan om Hem door de keuze des volks los te laten, nam Jezus en geselde Hem, dat is: hij gebood den lictoren, die hij tot zijne orders had, dit te doen. Bede is van mening, dat Pilatus zelf Jezus gegeseld heeft met zijn eigen handen, omdat er staat: Hij nam Jezus en geselde Hem, opdat het gematigd gedaan zou worden. Lukas spreekt van Pilatus' aanbod om Hem te kastijden en los te laten, hetgeen voor het vonnis moet geschieden. Dit geselen van Hem was bedoeld om de Joden tevreden te stellen, en daarmee heeft Pilatus hun de beleefdheid bewezen, dat hij in zoverre volgens hun woord en tegen eigen gevoelen handelde. De Romeinse geselingen waren gewoonlijk zeer streng en wreed, niet beperkt, zoals bij de Joden, tot veertig slagen, maar aan die pijn en schande heeft Christus zich onderworpen om onzentwil.
a. Opdat de Schriften zouden vervuld worden, die er van spraken, dat Hij geplaagd en van God geslagen en verdrukt was, en dat de straf, die ons den vrede aanbrengt, op Hem was, Jesaja 53:4, 5, en dat Hij Zijnen rug heeft gegeven aan hen, die Hem sloegen, Jesaja 50:6, en die ook spraken van de ploegers, die op Zijn rug hebben geploegd, Psalm 129:3. Ook Hij zelf heeft het voorzegd, Mattheus 20:19, Markus 10:34, Lukas 18:33.
b. Opdat door Zijne striemen wij genezen zouden worden, 1 Petrus 2:24. Wij hebben verdiend met geselen en schorpioenen gekastijd te worden, met vele slagen te worden geslagen, daar wij den wil onzes Heeren geweten en niet gedaan hebben, maar Christus heeft die slagen voor ons ontvangen, daar Hij de roede der verbolgenheid Zijns Vaders gedragen heeft, Klaagliederen 3:1. Pilatus' bedoeling met Hem te geselen was dat Hij niet veroordeeld zou worden, maar dat doel werd niet bereikt, Gods bedoeling werd er slechts door aangeduid, namelijk dat Zijn gegeseld worden ons veroordeeld worden zou voorkomen, als wij gemeenschap hebben met Zijn lijden, en dat doel is wèl bereikt geworden: de Geneesmeester gegeseld zijnde, werd de zieke genezen.
c. Dat slagen, om Zijnentwil verduurd, aan Zijne volgelingen geheiligd en licht voor hen gemaakt zouden worden, en opdat zij zich in die smaadheid zouden verblijden, gelijk zij ook gedaan hebben, Handelingen 5:41, 16:22, 25, en zoals Paulus gedaan heeft, die in slagen boven mate is geweest, 2 Corinthiërs 11:23 1). Christus' slagen hebben den angel weggenomen uit de hunnen, en er de hoedanigheid van veranderd. Wij worden van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden, 1 Corinthiërs 11:32. 2. Hij gaf Hem over aan zijne krijgsknechten om door hen als een dwaas te worden bespot en belachen, vers 2, 3. De krijgsknechten, die tot de lijfgarde van den stadhouder behoorden, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd. Zulk een kroon achtten zij het meest gepast voor zulk een koning. Zij wierpen Hem een purperen kleed om, het een of ander versleten opperkleed van die kleur, dat zij goed genoeg achtten als kenteken der koninklijke waardigheid, en zij deden Hem hulde met een: Wees gegroet, gij koning der Joden! (zoals het volk is, zo is hun koning), en toen gaven zij Hem kinnebakslagen.
a. Zie hier de laagheid en onrechtvaardigheid van Pilatus, dat hij iemand, dien hij onschuldig geloofde, en die, indien Hij dit was, dan ook een voortreffelijk persoon was, aldus door zijn eigen dienaren liet mishandelen en vertreden. Zij, die onder het arrest der wet zijn, behoren ook onder hare bescherming te wezen, in verzekerde bewaring zijnde, behoren zij ook veilig te wezen. Maar Pilatus deed dit: a. Om aan den vrolijken luim zijner soldaten-en wellicht ook aan zijn eigen -toe te geven, in weerwil van den ernst, dien men in een rechter zou verwachten. Even tevoren had Herodes met zijne krijgslieden hetzelfde gedaan, Lukas 23:11. Voor hen was het even vermakelijk als ene toneelvoorstelling in dezen feesttijd, zoals de Filistijnen zich ook met Simson vermaakt hebben. b. Om aan de boosaardigheid der Joden tegemoet te komen en hun genoegen te doen, die begeerden, dat aan Christus alle mogelijke schande en smaad zou aangedaan worden, en Hem de onwaardigste behandeling zou te beurt vallen.
b. Zie hier de ruwheid en onbeschoftheid der soldaten, hoe zij alle gevoel van recht en menselijkheid hadden verloren, daar zij op die wijze konden juichen en triomferen over een mens in zijne ellende, en dat nog wel iemand, die vermaard was om Zijne wijsheid en eer, en nooit iets gedaan had om die te verbeuren. Maar aldus is Christus' heilige Godsdienst op laaghartige wijze verkeerd voorgesteld, door slechte mensen in een spotkleed gestoken, en aldus aan bespotting en verachting prijs gegeven, zoals zij hier met Christus gedaan hebben. a. Zij deden Hem een spotkleed aan, alsof het een grap gold, en Zijn vermeende waardigheid niets dan het voortbrengsel ener verhitte en ziekelijke verbeelding was. En gelijk Christus hier slechts als een spotkoning wordt voorgesteld, zo is Zijn Godsdienst voor velen ook slechts inbeelding, en zijn God en de ziel, zonde en plicht, de hemel en de hel voor hen niets dan hersenschimmen. b. Zij kronen Hem met doornen, alsof de Godsdienst van Christus slechts een boetedoening was, de grootste smart en ontbering in de wereld opleverde, alsof het zich onderwerpen aan het toezicht van God en het geweten gelijk stond met het hoofd in een doornstruik te steken, maar dit is een onrechtvaardige aantijging, doornen en strikken zijn in den weg des verkeerden, maar rozen en lauweren zijn op den weg van den Godsdienst.
c. Zie hier de wondervolle neerbuigendheid van onzen Heere Jezus in Zijn lijden om onzentwil. Grote en edelmoedige zielen kunnen alles beter verdragen dan schande en spot, elke zwaren arbeid, iedere scherpe pijn, elk verlies veeleer dan smaad, maar toch heeft de heilige Jezus dien om onzentwil verduurd. Zie en bewonder: a. Het onuitputtelijk geduld van den lijder, ons een voorbeeld nalatende van tevredenheid en moed, kalmte en zielsrust onder het zwaarste, dat wij op den weg des plichts kunnen ontmoeten. b. De onverwinlijke liefde en goedheid van een Zaligmaker, die niet slechts blijmoedig en vastberaden door dit alles is heengegaan, maar het vrijwillig voor ons en onze zaligheid op zich heeft genomen. Hierin heeft Hij Zijne liefde bevestigd, dat Hij niet slechts voor ons wilde sterven, maar sterven zoals een dwaas sterft. Ten eerste. Hij verdroeg de smart, niet slechts de doodsbenauwdheid, hoewel die in den dood aan het kruis ontzettend hevig was, maar alsof dit nog te gering was, heeft Hij ook de daaraan voorafgaande smart en pijn geleden. Zullen wij klagen over een doorn in het vlees, of over beproeving, die ons nodig zijn om de hovaardij van ons te verbergen, als Christus zich vernederd heeft om die doornen in Zijn hoofd te dragen en met vuisten geslagen te worden, om ons te behouden en te onderwijzen? 2 Corinthiërs 12:7. Ten tweede. Hij heeft de schande veracht, de schande van een narrenkleed, en den spottenden eerbied, dien zij Hem bewezen met hun: Wees gegroet, gij koning der Joden! Indien wij nu te enigertijd bespot worden om weldoen, zo laat ons niet beschaamd wezen, maar God verheerlijken, want aldus zijn wij dan deelgenoten in Christus' lijden. Hij, die deze spottende eerbewijzing heeft verdragen, werd daarvoor met wezenlijke eer beloond, en dat zullen ook wij, indien wij om Zijnentwil met lijdzaamheid en geduld de schande verdragen.
II. Nadat Pilatus den gevangene aldus mishandeld had, stelt hij Hem voor aan Zijne vervolgers, in de hoop dat zij nu tevreden gesteld zouden zijn en van de verdere vervolging zouden afzien, vers 4, 5. Hij stelt hun twee dingen ter overweging voor:
1. Dat hij niets in Hem gevonden had, dat Hem onaangenaam of schadelijk maakt voor de Romeinse regering, vers 4. Ik vind gene schuld in hem, oudemian aitian heurisko -Ik vind geen de minste fout of oorzaak van beschuldiging in hem. Op een nader onderzoek herhaalt hij zijn reeds afgelegde verklaring, Hoofdstuk 18:38. Hiermede veroordeelt hij zich zelven, indien hij gene schuld in Hem vond, waarom heeft hij Hem dan gegeseld, waarom heeft hij Hem laten mishandelen? Niemand behoort kwaad te lijden, dan die kwaad doen, maar zo zijn er velen, die den Godsdienst bespotten en mishandelen, die toch, als zij ernstig zijn, wel moeten bekennen, dat zij er gene schuld in vinden. Indien hij gene schuld in Hem vond, waarom bracht hij Hem dan uit tot Zijne vervolgers, in plaats van Hem onmiddellijk los te laten, gelijk hij had behoren te doen? Indien Pilatus slechts zijn eigen geweten had geraadpleegd, dan zou hij Christus noch gegeseld noch gekruisigd hebben, maar hij wilde schipperen, om de Joden te behagen zal hij Christus geselen, en om zijn geweten te bevredigen zal hij Hem niet kruisigen, en zie! hij doet beiden, terwijl hij, indien hij dadelijk besloten had Hem te kruisigen, Hem niet had behoeven te geselen, Het is iets zeer gewoons, dat zij, die grotere zonden willen vermijden door kleinere te doen, eindigen met beide te doen.
2. Dat hij Hem datgene heeft aangedaan, hetwelk Hem zoveel te minder gevaarlijk zou maken voor hen en voor hun regering, vers 5. Hij bracht Hem tot hen uit, dragende de doornenkroon, terwijl Zijn hoofd en Zijn gelaat geheel bebloed waren, en zei: "Ziet den mens, op wie gij zo naijverig zijt", te kennen gevende, dat, hoewel Zijne populariteit hun enige reden tot vrees heeft kunnen geven, dat Zijn invloed op het land den hunnen zou doen afnemen, hij nu echter maatregelen genomen had om dit te voorkomen, want, nu hij Hem als een slaaf had behandeld, en Hem der verachting had prijsgegeven, zal het volk Hem wel nooit meer met eerbied kunnen aanzien, en zal Hij Zijn vorigen roem wel nooit meer kunnen herwinnen. Weinig dacht Pilatus met wat eerbied en liefde dit lijden van Christus in latere eeuwen door de beste en grootste mannen herdacht zou worden, die roemen zullen in dat kruis en die geselslagen, welke, naar hij meende, voor Hem en Zijne volgelingen ten eeuwigdurenden en onuitwisbaren smaad zouden zijn.
a. Onze Heere Jezus wordt hier tentoongesteld met al de tekenen van smaad en schande. Gewillig treedt Hij naar buiten om tot schouwspel te dienen en uitgejouwd te worden, zoals ongetwijfeld ook gebeurde, toen Hij in dat spotkleed verscheen, wetende, dat Hij gezet was tot een teken, dat wedersproken zal worden, Lukas 2:34. Is Hij alzo uitgegaan onzen smaad dragende? Zo laat ons dan tot Hem uitgaan, Zijne smaadheid dragende, Hebreeën 13:13. b. Hoe Pilatus Hem vertoont: Pilatus zei tot hen: Ziet den mens. In het oorspronkelijke staat alleen: Hij zei tot hen, en daar het onmiddellijk antecedent Jezus is, zie ik geen bezwaar in de onderstelling, dat het Christus' eigen woorden geweest zijn, Hij, Jezus, zei: "Ziet, de mens, tegen wie gij zo verwoed zijt". Maar in sommige der Griekse handschriften en bij de meeste overzetters is-evenals in onze overzetting-de naam Pilatus ingelast. Pilatus zei tot hen, met het doel hen tevreden te stellen: Ziet de mens, niet zozeer om hun medelijden op te wekken: Ziet een mens, die uwe deernis waardig is, als wel om hun naijver tot zwijgen te brengen: Ziet, een mens, dien het niet der moeite waard is om verdacht te worden, een mens, van wie gij voortaan geen gevaar hebt te vrezen, zijne kroon is ontheiligd tegen de aarde, geheel het mensdom zal hem van nu aan bespotten. Toch is dit woord zeer aandoenlijk: Ziet, de mens. Het is voor een iegelijk onzer goed, om, met het oog des geloofs den mens Christus Jezus te aanschouwen in Zijn lijden. Ziet dezen Koning met de kroon, waarmee Hem Zijne moeder kroonde, Hooglied 3:11, de doornenkroon. Ziet Hem, en laat door die aanschouwing uwe ziel ten diepste worden bewogen. Ziet Hem, en rouwklaagt over Hem. Ziet Hem, en hebt Hem lief, en weest steeds ziende op Jezus.
III. In plaats van bevredigd te zijn, worden de vervolgers in nog heftiger toorn ontstoken, vers 6, 7.
1. Let op hun geschreeuw en hun hoon. De overpriesters, die het gepeupel aanvoerden, riepen met toorn en woede, en hun beambten of dienaars, die zeggen moesten wat zij zeiden, stemden in met hun geroep: Kruis hem, kruis hem! Het gewone volk zou waarschijnlijk wel berust hebben in Pilatus' verklaring van Zijne onschuld, maar hun leidslieden, de priesters, hebben hen verleid. Hieruit blijkt nu, dat hun boosaardigheid tegen Christus:
a. onredelijk was en volstrekt ongerijmd, zij bieden niet aan het bewijs te leveren, dat hun beschuldiging gegrond en rechtvaardig was, maken ook gene tegenwerpingen tegen het oordeel van Pilatus omtrent Hem, maar, al is Hij ook onschuldig, toch moet Hij gekruisigd worden.
b. Dat zij onverzadelijk en wreed was. Noch het ontzettende van de geseling, noch Zijn geduld onder die pijniging, noch de vermaning tot medelijden van den rechter kon hen vertederen, neen, en zelfs het schertsen van Pilatus met de zaak kon hen in geen vrolijke of opgeruimde stemming brengen.
c. Zij was heftig en onwrikbaar, zij willen hun zin doordrijven, en wagen er de gunst des stadhouders, de rust der stad en hun eigen veiligheid aan, veeleer dan ook maar het minste van hun eis af te doen. Waren zij zo heftig en ijverig om onzen Heere Jezus te smaden en te verpletteren, zo volhardend in hun geroep van: Kruis hem, kruis hem! en zullen wij dan niet krachtig en ijverig er naar streven om Zijn naam te verheerlijken, niet volharden in ons roepen van: "Kroon Hem, kroon Hem"? Heeft hun haat hun streven tegen Hem gescherpt en aangewakkerd, en zal dan onze liefde tot Hem ons niet aansporen in onzen ijver voor Hem en voor Zijn koninkrijk?
2. Hoe Pilatus hun woede in bedwang hield, daar hij nog steeds aanhield op de onschuld van den gevangene: "Neemt gijlieden hem en kruist hem, zo hij dan gekruisigd moet worden." Dit wordt ironisch gezegd, hij wist wel, dat zij dit niet konden, dat zij Hem niet durfden kruisigen, maar het is alsof hij zei: "Gij zult mij niet tot het werktuig maken van uwe boosaardigheid, ik kan hem met geen gerust geweten kruisigen." Een goed besluit, als hij er maar bij gebleven was. Hij vond gene schuld in Hem, en daarom had hij in gene verdere besprekingen met Zijne vervolgers moeten treden. Zij, die veilig willen wezen tegen de zonde, moeten doof zijn voor verzoeking. Ja meer, hij had den gevangene tegen hun beledigingen moeten beveiligen. Waartoe was hij met macht bekleed, indien niet om hen te beschermen, aan wie onrecht wordt aangedaan? De wacht van stadhouders of regeerders behoort de wacht te zijn van de gerechtigheid. Maar Pilatus had geen moed genoeg om naar zijn geweten te handelen, en zijne lafhartigheid deed hem in een strik vallen.
3. Het voorwendsel der vervolgers om hun eis te rechtvaardigen, vers 7. "Wij hebben ene wet, en naar onze wet -zo wij slechts de macht hadden om haar toe te passen-moet hij sterven, want hij heeft zich zelven Gods Zoon gemaakt. Merk hier nu op:
a. Zij roemen op de wet, zelfs als zij door de overtreding der wet God onteren, gelijk dit den Joden ten laste gelegd wordt, Romeinen 2:23. Zij hadden inderdaad een voortreffelijke wet, ver uitnemend boven de inzettingen en rechten van andere volken, maar tevergeefs roemen zij op hun wet, als zij haar tot zo slecht een doeleinde misbruiken.
b. Zij tonen een rusteloze, ingewortelde boosaardigheid tegen onzen Heere Jezus. Als zij den toorn van Pilatus niet kunnen opwekken tegen Hem door aan te voeren, dat Hij voorgaf een koning te zijn, voeren zij aan, dat Hij voorgeeft God te zijn. Zo laten zij niets onbeproefd om Hem veroordeeld te krijgen.
c. Zij verkeren de wet en maken haar tot het werktuig hunner boosheid. Sommigen denken, dat zij doelen op ene wet, die inzonderheid tegen Christus was uitgevaardigd, alsof, daar het een wet was, zij terecht of ten onrechte uitgevoerd moest worden, terwijl toch een wee is uitgesproken over hen, die ongerechtige inzettingen inzetten en moeite voorschrijven, Jesaja 10:1. Zie ook Micha 6:16. Maar zij schijnen veeleer naar de wet van Mozes te verwijzen, en indien dit zo is, dan was het waar, dat Godslasteraars, afgodendienaars en valse profeten ter dood gebracht moesten worden volgens die wet. Al wie valselijk voorgaf de Zoon van God te zijn, was schuldig aan Godslastering, Leviticus 24:16. Maar het was niet waar, dat Christus slechts voorgaf de Zoon van God te zijn, want Hij was het werkelijk, en zij hadden een onderzoek behoren in te stellen naar de bewijzen, die Hij heeft gegeven van het te zijn. Indien Hij zei, dat Hij de Zoon van God was, en doel en strekking Zijner leer niet waren om de mensen van God af te trekken, maar wel om hen tot Hem te brengen, en als Hij Zijne zending en Zijne leer bevestigde door wonderen, gelijk Hij ontwijfelbaar gedaan heeft, dan behoorden zij volgens hun wet ontegenzeglijk naar Hem te horen, Deuteronomium 18:18, 19, en zo zij het niet deden, dan moesten zij afgesneden worden. Hetgeen Zijne eer was, en hun geluk had kunnen zijn, indien zij zich zelven niet in den weg waren gaan staan, rekenen zij Hem toe als ene misdaad, waarvoor Hij moest sterven. Indien Hij echter naar hun wet moest sterven, dan behoorde Hij niet gekruisigd te worden, want dat was ene doodstraf, die door hun wet niet was opgelegd.
IV. Na dit nieuwe denkbeeld, dat zij geopperd hadden, begint de rechter wederom den gevangene te verhoren. Merk op:
1. De bezorgdheid van Pilatus toen hij deze beschuldiging vernam, vers 8. Toen hij hoorde, dat zijn gevangene niet slechts aanspraak maakte op koningschap, maar ook op Goddelijkheid werd hij meer bevreesd. Dit bracht hem in groter verlegenheid, en maakte de zaak dubbel moeilijk, want: a. Er was dan meer gevaar om het volk te beledigen, indien hij Hem vrijliet, daar hij wist hoe naijverig dit volk was op de eenheid der Godheid, en welk een afkeer zij thans hadden van andere goden. Hoewel hij dus had kunnen hopen hun woede te stillen tegen een voorgewenden koning, zou hij hen toch nimmer kunnen verzoenen met iemand, die voorgeeft God te zijn. "Als dat het fijne van de zaak is", denkt Pilatus, "dan zal men er zich niet met een grap af kunnen maken".
b. Er was nu ook meer gevaar, dat hij zijn eigen geweten zou verkrachten, indien hij Hem veroordeelde. "Is hij iemand", denkt Pilatus, "die zich voor den Zoon van God uitgeeft? Maar als hij dat nu eens werkelijk was? Wat zou er dan van mij worden?" Zelfs het natuurlijk geweten maakt de mensen bevreesd om bevonden te worden tegen God te strijden. De heidenen hadden enige fabelachtige overleveringen van in het vlees verschenen goden, die zich somwijlen in geringe omstandigheden openbaarden en door sommigen mishandeld werden, die dit dan zwaar hebben moeten boeten. Pilatus vreest dus zich in de uiterste moeilijkheid te zullen bevinden.
2. Het nader verhoor, dat hij hierop onzen Heere Jezus liet ondergaan, vers 9. Ten einde tegenover de vervolgers alle billijkheid te betrachten, heropende hij het debat, trad de rechtszaal binnen en vroeg aan Christus: "Van waar zijt gij? Merk op:
a. De plaats, welke hij kiest voor deze ondervraging: hij ging wederom in het rechthuis om alleen te zijn met den gevangene, buiten het rumoer en gedruis der menigte, zodat hij het onderzoek rustiger en daarom ook grondiger, kon voortzetten. Zij, die de waarheid willen ontdekken, zoals zij is in Jezus, moeten weggaan uit het gedrang en rumoer der vooroordelen, zich als het ware terugtrekken in het rechthuis, om met Christus alleen te spreken.
b. De vraag, die hij Hem doet: Van waar zijt gij? Zijt gij van uit de mensen, of van den hemel? Van beneden, of van boven? Tevoren had hij Hem rechtstreeks gevraagd: "Zijt gij een koning?" Maar nu vraagt hij niet rechtstreeks: "Zijt gij de Zoon van God?" ten einde niet den schijn te hebben van zich al te vrijmoedig met Goddelijke dingen in te laten. Maar in het algemeen: Van waar zijt gij? "Waar waart gij, en in welke wereld bestond gij, eer gij in deze wereld kwaamt?"
a. Het stilzwijgen van onzen Heere Jezus, toen Hij hieromtrent ondervraagd werd: maar Jezus gaf hem geen antwoord. Dit was geen gemelijk stilzwijgen uit minachting voor het hof, en evenmin was het een stilzwijgen, omdat Hij niet wist wat te zeggen: maar: a. Het was een geduldig zwijgen, opdat de Schrift zou vervuld worden, als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, Jesaja 53:7. Dit zwijgen sprak luide van Zijne onderworpenheid aan den wil Zijns Vaders in Zijn tegenwoordig lijden, waartoe en waarin Hij zich schikte om het te dragen. Hij zweeg, omdat Hij in niets en door niets Zijn lijden wilde verhinderen. Indien Christus zich even duidelijk als God had bekend, als Hij zich als Koning heeft bekend, dan zou Pilatus Hem waarschijnlijk niet veroordeeld hebben (want hij was al bevreesd toen de vervolgers er van spraken), en hoewel de Romeinen triomfeerden over de koningen der volken, die zij ten onder hadden gebracht, hadden zij toch ontzag voor hun goden, zie 1 Corinthiërs 2:8. Indien zij Hem gekend hadden als den Heere der heerlijkheid, zij zouden Hem niet gekruisigd hebben, en hoe zouden wij dan verlost zijn kunnen worden? b. Het was een voorzichtig stilzwijgen. Toen de overpriesters Hem vroegen: Zijt gij de Zoon des gezegenden Gods? antwoordde Hij: Ik ben, want Hij wist dat zij zich op de Schriften des Ouden Testaments grondden, die van den Messias spraken. Maar toen Pilatus Hem ondervroeg, verstond hij zijn eigen vraag niet, daar hij geen denkbeeld had van den Messias, en dat Hij de Zoon van God was. Waartoe zou het dan dienen hem te antwoorden, wiens hoofd vervuld was met heidense theologie, waarmee hij Zijn antwoord dan in verband had zoeken te brengen?
d. Met hoeveel hoogmoed Pilatus Hem Zijn stilzwijgen verweet, vers 10:"Spreekt gij tot mij niet? Doet gij mij de belediging aan van stom tegenover mij te staan? Hoe! weet gij niet, dat ik, als bestuurder van het gewest, macht heb-naar ik het gepast acht-u te kruisigen, en macht heb-indien ik het voegzaam oordeel, u los te laten?" Merk hier op: a. Hoe Pilatus zich zelven verheerlijkt en roemt op zijne macht, als niet minder dan die van Nebukadnezar, van wie gezegd is, dien hij wilde doodde hij, en dien hij wilde behield hij in het leven, Daniël 5:19. Mensen, die met macht zijn bekleed, worden allicht opgeblazen, en hoe meer onbepaald en eigendunkelijk hun macht is, hoe meer hun hoogmoed er door wordt gestreeld. Maar hij overdrijft schromelijk in zijne voorstelling van die macht, als hij snoeft macht te hebben iemand te kruisigen, dien hij onschuldig had verklaard, want geen vorst of potentaat heeft het recht om onrecht te doen.
Id possumus, quod jure possumus -Alleen datgene kunnen wij doen, wat wij rechtvaardig doen kunnen. b. Hoe Hij onzen gezegenden Heiland vertreedt: Spreekt gij tot mij niet? Hij maakt aanmerking op Hem. Ten eerste. Alsof Hij ongehoorzaam en oneerbiedig was jegens hen, die met gezag zijn bekleed, niet antwoordende wanneer Hem iets gevraagd wordt. Ten tweede. Alsof Hij ondankbaar was jegens iemand, die Hem met zachtheid en medelijden had behandeld. "Spreekt gij tot mij niet, die gepoogd heb uwe loslating te bewerken?" Ten derde. Alsof Hij onverstandig handelde tegenover zich zelven: "Wilt gij niet spreken tot iemand om u te ontschuldigen, die zozeer geneigd is u voor onschuldig te houden?" Indien Christus werkelijk Zijn leven had willen redden, dan zou het nu de tijd geweest zijn om te spreken, maar wat Hij te doen had, was Zijn leven af te leggen.
e. Christus' gepast antwoord op dit verwijt, vers 11, waar a. Hij met vrijmoedigheid zijne verwaandheid bestraft en zijne vergissing herstelt. Hoe groot gij u ook houdt en hoe stout gij spreekt, gij zoudt gene macht hebben tegen Mij, gene macht om te geselen, gene macht om te kruisigen, indien het u niet van boven gegeven ware". Hoewel Christus het niet voegzaam achtte hem te antwoorden, toen hij ongepast was-Antwoord den zot naar zijne dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt, heeft Hij het wèl voegzaam geoordeeld hem te antwoorden, toen hij hoog en gebiedend was, want dan-Antwoord den zot naar zijne dwaasheid, opdat hij in zijne ogen niet wijs zij, Spreuken 26:4, 5. Toen Pilatus zijne macht uitoefende, heeft Christus er zich zwijgend aan onderworpen, maar toen hij er hoogmoedig op werd, heeft Hij hem aan zich zelven bekend gemaakt: Al de macht die gij hebt, is u van boven gegeven, hetgeen op tweeërlei wijze verstaan kan worden. Ten eerste. Als om hem er aan te herinneren, dat zijne macht in het algemeen, als magistraat, een beperkte macht was, en hij niets meer kon doen dan God hem toeliet. God is de Fontein van macht, en de gestelde machten zijn door Hem verordineerd en aan Hem ontleend, en zo zijn zij ook aan Hem onderworpen. Zij behoren niet verder te gaan, dan Zijne voorzienigheid het hun toelaat. Zij zijn Gods hand en Zijn zwaard, Psalm 17: 13, 14. Hoewel de bijl zich beroemt tegen dien, die daarmee houwt, is zij toch slechts een werktuig, Jesaja 10:5, 15. Laat de trotse verdrukkers weten, dat er Een is, hoger dan zij, aan wie zij rekenschap zullen hebben te geven, Prediker 5:7. En laat dit het murmureren der verdrukten tot zwijgen brengen: Het is de Heere. God heeft aan Simeï gezegd David te vloeken, en laat het hen vertroosten, dat hun vervolgers niet meer kunnen doen dan God hun toelaat te doen, zie Jesaja 51:12, 13. Ten tweede. Om hem mede te delen, dat zijne macht tegen Hem in het bijzonder, en al de werkingen dier macht, door den bepaalden raad en voorkennis Gods waren, Handelingen 2:23. Pilatus verbeeldde zich nooit zo groot geweest te zijn als nu hij te oordelen had over een gevangene als deze, die door velen als den Zoon van God en den Koning Israël's beschouwd werd, nu hij dus over het lot van zo groot een man te beslissen had, maar Christus laat hem weten, dat hij hierin slechts een werktuig was in Gods hand, en dat hij niets tegen Hem vermocht dan hetgeen door God bepaald was, Handelingen 4:27, 28. b. Met zachtmoedigheid verontschuldigt Hij zijne zonde in vergelijking met de zonde der aanvoerders: daarom, die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde, ligt onder een zwaarder schuld: want gij, als overheidspersoon, hebt macht van boven, en gij zijt op uwe plaats, uwe zonde is minder zwaar dan die van hen, die uit afgunst en boosaardigheid u dringen om van uwe macht gebruik te maken".
Ten eerste. Er wordt duidelijk te kennen gegeven, dat hetgeen Pilatus deed, zonde was, een grote zonde, en dat de drang, door de Joden op hem uitgeoefend, en het geweld, dat hij zich zelven deed, hem niet kunnen rechtvaardigen. Christus bedoelde dit als een wenk, om zijn geweten te doen ontwaken en de vrees te doen toenemen, welke hem had bevangen. De schuld van anderen zal ons niet vrijpleiten, noch zal het ons baten in den groten dag om te zeggen, dat anderen nog slechter waren dan wij, want wij zullen niet geoordeeld worden naar vergelijking, maar moeten onzen eigen last dragen.
Ten tweede. Toch hadden zij, die Hem aan Pilatus hadden overgeleverd, groter zonde. Hieruit blijkt, dat niet alle zonden gelijk zijn, maar dat sommige gruwelijker, snoder zijn dan anderen, sommige zijn, vergelijkenderwijze gesproken, als muggen, andere als kamelen, sommige als splinters in de ogen, andere als balken, sommige als penningen, andere als ponden. Hij, die Christus aan Pilatus heeft overgeleverd, was of:
1. Het volk der Joden, die riepen: Kruis hem! kruis hem! Zij hadden Christus' wonderen gezien, die Pilatus niet gezien had, aan hen was de Messias in de eerste plaats gezonden, zij waren de Zijnen, en aan hen, die zo gebonden waren, had een Verlosser hoogst welkom moeten wezen, daarom was het in hen veel erger dan in Pilatus om tegen Hem te zijn.
2. Of wel, Hij bedoelt inzonderheid Kajafas, die aan het hoofd der samenspanning was tegen Christus, en het eerst Zijn dood had aangeraden, Hoofdstuk 11:49, 50. De zonde van Kajafas was oneindig groter dan die van Pilatus. Kajafas heeft Christus vervolgd uit zuivere vijandschap tegen Hem en Zijne leer, uit boosaardigheid en met voorbedachten rade. Pilatus veroordeelde Hem alleen uit vrees voor het volk, en het was een haastig besluit, waarover hij den tijd niet had na te denken.
3. Sommigen denken, dat Christus Judas heeft bedoeld, want hoewel hij Hem niet onmiddellijk in Pilatus' handen heeft overgeleverd, heeft hij Hem toch verraden aan degenen, die dit wèl deden. De zonde van Judas was, in velerlei opzichten, groter dan de zonde van Pilatus. Pilatus was een vreemdeling voor Christus, Judas was Zijn vriend en volgeling. Pilatus vond gene schuld in Hem, maar Judas wist zeer veel goeds van Hem. Pilatus was wel bevooroordeeld, doch niet omgekocht, maar Judas nam een geschenk tegen den onschuldige. De zonde van Judas was een leidende zonde, zij heeft geleid tot alles wat er op gevolgd is. Hij is de leidsman geweest dergenen, die Jezus vingen. Zo groot was de zonde van Judas, dat de wraak hem niet liet leven, maar toen Christus dit zei, of spoedig daarna, was hij heengegaan naar zijn eigen plaats. V. Pilatus worstelt met de Joden om Jezus uit hun handen te verlossen, maar tevergeefs. Wij horen nu niet meer van iets, dat er voorviel tussen Pilatus en den gevangene, wat nu nog overblijft ligt tussen hem en de vervolgers.
1. Pilatus scheen ijveriger dan tevoren, om Jezus' invrijheidstelling te verkrijgen, vers 12.
Van toen af, van dien tijd, en om die reden, dat Christus hem dit antwoord had gegeven, vers 11, dat hij, hoewel er ene berisping in lag opgesloten, toch vriendelijk had opgenomen, en hoewel Christus hem bestraft had, bleef hij er toch bij, dat hij gene schuld in Hem vond, maar zocht Hem los te laten, hij begeerde het, hij poogde het. Hij zocht Hem los te laten, hij bedacht hoe hij dit veilig en op een goede wijze zou kunnen doen, zonder de priesters te beledigen. Het zal nooit goed gaan, als ons besluit om onzen plicht te doen begraven wordt, als het ware, onder plannen en bedenksels om hem te doen onder een schonen schijn en zonder dat er ongerief uit ontstaat. Indien Pilatus' beleid, of liever slimheid, niet de overhand had gehad op zijn gevoel van plicht, dan zou hij niet zo lang gezocht hebben om Hem los te laten, maar hij zou het kort en goed gedaan hebben. Fiat justitia, ruat cælum Laat gerechtigheid geschieden, al zou ook de hemel invallen.
2. De Joden waren woedender dan ooit, begeerden nog heftiger, dat Jezus gekruisigd zou worden. Nog altijd zijn zij rumoerig, blijven zij roepen en schreeuwen. Zij wilden het doen voorkomen, alsof de burgerij tegen Hem was, en daarom stellen zij alles te werk om de volksmenigte vijandige kreten tegen Hem te doen aanheffen, en het is niet moeilijk om het grauw bijeen te brengen, maar indien er een wezenlijke, onpartijdige volksstemming gehouden was, dan twijfel ik niet, of de grote meerderheid zou voor Zijne loslating gestemd hebben. Enkele dolzinnigen kunnen heel gemakkelijk vele wijzen overschreeuwen, en zich dan inbeelden, dat zij den zin (die niets is dan onzin) van het gehele volk uitdrukken, of zelfs van geheel de mensheid, maar het is minder gemakkelijk het gevoelen des volks te veranderen dan het verkeerd voor te stellen. Nu Christus in de handen Zijner vijanden was, waren Zijne vrienden bevreesd en zij zwegen stil en gingen heen, en zij, die tegen Hem waren, toonden dit met hartstochtelijken ijver, en dit gaf den overpriesters de gelegenheid om hun geroep voor te stellen als de stem van al de Joden, dat Hij gekruisigd zou worden. In dit vijandig geroep streefden zij naar twee dingen:
a. Den gevangene voor te stellen als een vijand des keizers. Hij had de koninkrijken dezer wereld met al hun heerlijkheid afgewezen, Hij had verklaard dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was, en toch beweren zij, dat Hij den keizer weerspreekt, dat Hij zijne waardigheid en soevereiniteit aanrandt. Het is immer een kunstgreep geweest van de vijanden van den Godsdienst, om hem als schadelijk voor te stellen voor koningen en landschappen, terwijl hij voor beiden juist hoogst weldadig is.
b. Den rechter vrees aan te jagen door hem te betichten van verraad jegens den keizer: Indien gij dezen loslaat, indien gij Hem ongestraft laat en hem zijn gang laat gaan, dan zijt gij des keizers vriend niet, en dus ontrouw aan uw plicht en ambt, blootgesteld aan des keizers ongenoegen, en in gevaar van uit uw ambt ontzet te worden. Hierin ligt het dreigement opgesloten, dat zij hem zullen aanklagen en alles zullen aanwenden, dat hij afgezet zal worden, en hiermede troffen zij hem in een zeer gevoelige plaats. Maar wie ook bezorgdheid omtrent den keizer zou aan den dag leggen, deze Joden moesten dit niet, daar zij toch zelven zo uiterst misnoegd waren op hem en op zijne regering. Zij moesten niet spreken van vrienden des keizers te zijn, die zelven zulke valse vrienden van hem waren, maar zo zal een voorgewende ijver voor hetgeen goed is, slechts tot dekmantel gebruikt worden voor een wezenlijken haat tegen hetgeen beter is.
3. Nadat Pilatus andere hulpmiddelen tevergeefs beproefd had, doet hij nog ene poging om door spotternij hun woede tot bedaren te brengen, maar hiermede verried hij zich aan hen, en liet zich nu door den stroom medevoeren, vers 13-15. Na geruimen tijd volhard te hebben, en nu het scheen alsof hij dien aanval krachtig zou weerstaan, vers 12, heeft hij zich laaghartig onderworpen. Merk hier op:
a. Wat het was, dat Pilatus heeft geschokt, vers 13: "Toen hij dit woord hoorde, dat hij niet trouw kon zijn aan des keizers eer en belang, noch verzekerd kon zijn van des keizers gunst, indien hij Jezus niet ter dood bracht, dacht hij, dat het tijd was om toe te zien. Alles wat zij gezegd hadden om te bewijzen, dat Christus een kwaaddoener was, en dat het dus de plicht van Pilatus was om Hem te veroordelen, heeft hem onbewogen, koud, gelaten. Hij bleef bij zijne overtuiging van Christus' onschuld, maar toen zij er op wezen, dat het in zijn belang was om Hem te veroordelen, begon hij toe te geven. Zij, die hun geluk slechts menen te vinden in de gunst der mensen, maken zich zelven tot een gemakkelijke prooi van Satans verzoekingen.
b. De toebereidselen, die gemaakt werden voor de eindbeslissing in deze zaak: Pilatus bracht Jezus uit en nam toen met veel plechtigheid plaats op den rechterstoel. Wij kunnen onderstellen, dat hij zijn ambtsgewaad liet komen, en toen zat hij neer op den rechterstoel. a. Christus werd met alle mogelijke plechtigheid veroordeeld. Ten eerste. Om ons van Gods gericht te redden, en opdat alle gelovigen, door en in Christus hier geoordeeld zijnde, voor het hof des hemels vrijgesproken zouden worden. Ten tweede. Om de verschrikking weg te nemen van het statig en met alle plechtigheid gevoerde gerechtelijk onderzoek, dat Zijne volgelingen om Zijnentwil zullen hebben te ondergaan. Paulus kan met te meer kloekmoedigheid voor des keizers rechterstoel staan, nu zijn Meester daar voor hem gestaan heeft. b. Er wordt hier nota genomen van de plaats en den tijd.
Ten eerste. De plaats, waar Christus veroordeeld werd: in de plaats, genaamd Lithostrotos (het Plaveisel) en in het Hebreeuws Gabbatha, waarschijnlijk de plaats, waar hij placht neer te zitten om criminele zaken te onderzoeken. Sommigen zijn van mening, dat de betekenis van Gabbatha een besloten plaats is, omheind om beledigingen van het volk af te weren, anderen denken, dat het betekent een verhoogde plaats, verhoogd boven de omringende ruimte, opdat allen hem konden zien.
Ten tweede. De tijd, vers 14. Het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure. Let op:
1. Den dag: Het was de voorbereiding van het pascha, dat is: van den paassabbatdag, en de viering van dezen en van de overige dagen van het feest der ongezuurde broden, Dit is duidelijk uit Lukas 23:54. Het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan. Zodat deze voorbereiding voor den sabbat was. Voor het pascha behoort er ene voorbereiding te zijn. Dit wordt vermeld als ene verzwaring van hun zonde in het vervolgen van Christus met zoveel boosaardigheid en woede, dat dit geschiedde, toen zij den ouden zuurdesem behoorden uit te zuiveren, om toebereid te zijn voor het pascha, maar hoe beter de dag, hoe gruwelijker de daad. 2. De ure. Het was omtrent de zesde ure. In sommige oude Griekse en Latijnse handschriften staat de derde ure, hetgeen overeenkomt met Markus 15:25. En naar Mattheus 27:45 was Hij aan het kruis voor de zesde ure. Maar dit schijnt hier vermeld te zijn, niet als een nauwkeurige tijdsbepaling, maar als een bijkomende verzwaring van de zonde der vervolgers, dat zij met de vervolging voortgingen, niet slechts op een heiligen, plechtigen dag, den dag der voorbereiding, maar, van de derde tot de zesde ure, dat, wat wij noemen kerktijd, was) op dien dag waren zij nu bezig met deze boosheid, zodat zij, hoewel zij priesters waren, op dien dag den tempeldienst niet waarnamen, want zij hebben Christus niet verlaten voor de zesde ure, toen de duisternis begon, welke hen weggeschrikt heeft. Sommigen denken, dat de zesde ure bij den evangelist het Romeinse uur aangeeft, evenals ook het onze, zes uur in den morgen, gelijkstaande met het eerste uur van den dag bij de Joden, het is zeer waarschijnlijk, dat Christus' verhoor voor Pilatus om ongeveer zes uur in den morgen tot beslissing kwam, hetgeen toen even na zonsopgang was.
c. De ontmoeting van Pilatus met de Joden, beiden de priesters en het volk, eer hij er toe overging het vonnis uit te spreken nog eenmaal een poging doende, doch tevergeefs, om den stroom hunner woede te stuiten. a. Hij zei tot de Joden: Ziet uw koning. Dat is ene bestraffing voor hen vanwege het dwaze en boosaardige van hun bewering, dat deze Jezus zich tot koning zou willen opwerpen. Ziet uw koning, dat is: "den man, dien gij beschuldigt van naar de kroon te staan. Is er enige waarschijnlijkheid, dat zo iemand gevaarlijk kan wezen voor de regering? Ik ben er van overtuigd, dat hij het niet is, en dat kunt ook gij wezen, en hem dus laten gaan." Sommigen denken, dat hij hun hun ontevredenheid met den keizer verwijt: "Gij zoudt dien man tot uwen koning begeerd hebben, indien hij zich slechts aan het hoofd van een opstand tegen den keizer had willen stellen". Maar, hoewel Pilatus er verre van was dit te willen of te bedoelen, schijnt hij de stem van God voor hen te zijn. Met doornen gekroond, wordt Christus thans als een koning bij zijne kroning aan het volk voorgesteld. "Ziet uw koning, de koning, dien God op Zijn heiligen berg Zion gezalfd heeft". Maar, in plaats van hierop met gejuich in te stemmen, protesteren zij tegen Hem, zij willen geen koning, die door God verkoren werd. b. Zij riepen met de grootste verontwaardiging: Neem weg, neem weg, hetgeen minachting aanduidt zowel als boosaardigheid, aron, aron "Neem hem, hij is niet van ons, wij verloochenen hem als bloedverwant of stamgenoot, en nog veel meer als koning, wij hebben niet slechts geen achting of eerbied voor hem, maar ook geen medelijden met hem, neem hem weg van voor onze ogen", want alzo was van Hem geschreven: dien, aan welken het volk een gruwel heeft, Jesaja 49:7, en zij waren als verbergende het aangezicht voor hem, Jesaja 53:3.
Weg van de aarde met zulk enen! Handelingen 22:22. Dit toont aan: Ten eerste. Hoe wij verdiend hebben voor Gods rechterstoel te worden behandeld. Door de zonde zijn wij afzichtelijk geworden voor Gods heiligheid, die uitriep: "Weg met hen, neemt hen weg", want God is te rein van ogen dan dat Hij het kwade zou zien. Wij waren ook aanstotelijk voor Gods gerechtigheid, die tegen ons riep: "Kruis hen, kruis hen, laat het vonnis der wet aan hen voltrokken worden". Ware Christus niet tussenbeide getreden, ware Hij niet veracht en verworpen geworden door de mensen, dan zouden wij voor eeuwig door God verworpen zijn. Ten tweede. Het toont aan, hoe wij met onze zonden moeten handelen. In de Schrift wordt ons dikwijls gezegd, dat wij onze zonden moeten kruisigen, in gelijkvormigheid met den dood van Christus. Zij nu, die Christus hebben gekruisigd, deden het met verfoeiing. Met Godvruchtige verontwaardiging behoren wij de zonde in ons te verfoeien, zoals zij met goddeloze verontwaardiging Hem verfoeid hebben, die zonde voor ons gemaakt is. De ware boetvaardige werpt zijne overtredingen van zich: Weg er mede! weg er mede! Jesaja 2:20, 30:22. "Kruis ze, kruis ze, het is niet betamelijk, dat zij leven in mijne ziel", Hosea 14:9. c. Pilatus, wensende Jezus los te laten, maar zo, dat dit door hun toedoen en naar hun wil zou zijn, vraagt hun: Zal ik uwen koning kruisigen? Met dit te zeggen kan hij bedoeld hebben: Ten eerste. Hun mond te stoppen door hun te tonen, hoe ongerijmd het was om iemand te verwerpen, die aanbood hun koning te zijn in een tijd, wanneer zij er meer dan ooit een nodig hadden. Hebben zij geen besef van hun dienstbaarheid? Gene waardering voor een Verlosser? Hoewel hij gene reden zag om Hem te vrezen, zouden zij toch wel reden kunnen zien om iets van Hem te kunnen hopen. Of: Ten tweede. Om aan zijn eigen geweten het zwijgen op te leggen. "Indien deze Jezus een koning is", denkt Pilatus, "dan is hij toch slechts een koning der Joden, en daarom heb ik niets anders te doen dan hem hun aan te bieden, wijzen zij hem af, willen zij hun koning gekruisigd hebben, wat gaat mij dit aan? Hij spot met hen om hun verwachting van een Messias, terwijl zij iemand terneder werpen, van wie zij alle hoop konden hebben dat hij het is. Ten einde Christus op afdoende wijze te verzaken en Pilatus aan te sporen om Hem te kruisigen, riepen de overpriesters-hoewel zeer tegen hun zin en wil-Wij hebben geen koning dan den keizer. Zij wisten dat dit Pilatus zou behagen, en zo hopen zij nu hun doel te bereiken, schoon zij den keizer en zijn bestuur haatten. Doch merk hier op: Ten eerste. Welk een duidelijke aanwijzing dit is, dat de bestemde tijd, waarop de Messias zou verschijnen, nu gekomen was, want, indien ze Joden geen koning hebben dan den keizer, dan is de scepter van Juda geweken en de wetgever van tussen zijne voeten, hetgeen niet zou geschieden, voordat de Silo zou gekomen zijn, om een geestelijk koninkrijk op te richten, En, Ten tweede. Hoe rechtvaardig het was in God, om het verderf over hen te brengen door de Romeinen, dat eerlang volgen zou.
1. Zij hangen den keizer aan, tot den keizer zullen zij gaan. God heeft hun weldra genoeg gegeven van hun keizers, en daar, overeenkomstig de gelijkenis van Jotham, de bomen den doornenbos tot hun koning verkozen, veeleer dan den wijnstok en den olijfboom, is een boze geest onder hen gezonden, want zij hebben het niet in waarheid en oprechtheid kunnen doen, Richteren 9:12, 19. Van nu aan waren zij in rebellie tegen de keizers, en waren de keizers tirannen voor hen, en hun misnoegdheid met hun bestuur eindigde met de verwoesting van hun plaats en volk. Het is rechtvaardig in God om datgene, hetwelk wij boven Christus verkiezen, tot een gesel en plaag voor ons te maken.
2. Zij wilden geen anderen koning dan den keizer, en tot op den huidigen dag hebben zij ook nooit een anderen gehad, maar zijn nu vele dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst, Hosea 3:4, zonder een eigen koning of vorst, maar de koningen der volken hebben over hen geheerst. Daar zij nu geen anderen koning wilden dan den keizer, zal dit hun lot zijn: zij hebben het zelven over zich gebracht.