Psalm 82:6-8
Wij hebben hier:
1. Aardse goden vernederd, vers 6, 7. De waardigheid van hun ambt is erkend, vers 6. Ik heb wel gezegd: gij zijt goden. Zij waren geëerd met de naam en de titel van goden, God zelf heeft hen zo genoemd in de wet tegen oproerige woorden, Exodus 22:23 :De goden zult gij niet vloeken. En als hun deze titel uit de bron van eer komt wie kan hem dan betwisten? Maar wat is de mens, dat hij aldus groot geacht wordt? Hij noemde hen goden, omdat "het woord Gods tot hen geschied is", zo heeft onze Heiland het verklaard, Johannes 10:35, zij hadden een opdracht, een aanstelling van God, en werden door Hem afgevaardigd om de schilden van de aarde te zijn, de bewaarders van de openbare vrede, en om wrekers te zijn tot straf dengenen, die hem verstoren, Romeinen 13:4. In die zin zijn zij allen kinderen des Allerhoogsten. God heeft iets van Zijn eer op hen gelegd, en gebruikt hen in Zijn regering van de wereld, zoals David zijn zonen tot opperbestuurders had aangesteld, 2 Samuël 8:18 Of: "Omdat Ik gezegd heb: gij zijt goden, hebt gij de eer hoger opgevoerd dan bedoeld was, en hebt gij u ingebeeld kinderen des Allerhoogsten te zijn," zoals de koning van Babel, Jesaja 14:14 :"Ik zal de Allerhoogste gelijk worden, " en de vorst van Tyrus, Ezechiël 28:2, wiens hart zich verhief, zeggende: "ik ben God." Het is zeer moeilijk voor de mensen, als de hand Gods zoveel eer op hen legt en zij zoveel eer ontvangen als de kinderen van de mensen hun behoren te bewijzen, om er niet hoogmoedig op te zijn en er opgeblazen door te worden, zodat zij hoger over zichzelf denken dan hun betaamt. Maar hier volgt een vernederende gedachte: nochtans zult gij sterven als een mens. Dit kan genomen worden, hetzij:
a. Als de straf van slechte magistraten, de zodanigen, die onrecht oordeelden, en door hun wanbeheer de fondamenten van de aarde deden wankelen. God zal met hen afrekenen, hen afsnijden temidden van hun pracht en voorspoed. zij zullen sterven zoals andere goddeloze mensen, en vallen gelijk een van de heidense vorsten. Het zal hen niet beveiligen dat zij Israëlieten zijn, evenmin als het hen beveiligt dat zij rechters zijn, of zoals een van de engelen, die gezondigd hebben, of gelijk een van de reuzen van de oude wereld. Vergelijk dit met hetgeen Elihu opmerkte betreffende de machtige verdrukkers van zijn tijd, "Hij klopt hen tezamen als goddelozen in een plaats waar aanschouwers zijn," Job 34:26. Laat hen, die misbruik maken van hun macht, weten dat God beide haar en hun leven van hen zal wegnemen, want in hetgeen, waarin zij trotselijk gehandeld hebben, zal Hij tonen boven hen te zijn. Of,
b.. Als het einde van de heerlijkheid van alle magistraten in deze wereld, laat hen niet opgeblazen zijn door hun eer, of hun werk veronachtzamen, maar laat de gedachte aan hun sterflijkheid beide vernederend zijn voor hun hoogmoed en een aansporing voor hen om hun plicht te doen. Gij wordt goden genoemd, maar gij zijt niet onsterflijk, gij zult sterven als een mens, als gewone mensen, en gelijk een hunner zult gij, o vorsten, vallen. Hoewel koningen en vorsten, al de rechters van de aarde, voor ons goden zijn, zijn zij voor God toch mensen, en als mensen zullen zij sterven, en al hun eer zal in het stof worden gelegd. "Mors sceptra ligonibus aequat. De dood mengt scepters en spaden dooreen."
2. De God des hemels verhoogd, vers 8. De psalmist acht het van weinig nut om met deze trotse verdrukkers te redeneren, zij waren doof voor alles wat hij hun zei, en bleven voortwandelen in duisternis. Daarom ziet hij op tot God, beroept zich op Hem, en bidt Hem om deze grote macht in Zijn eigen handen te nemen. Sta op o God, oordeel het aardrijk, en als hij bidt dat Hij het doen zal dan gelooft hij dat Hij het doen zal. Gij bezit alle natiën. Dit ziet:
a. Op het rijk van de voorzienigheid. God regeert de wereld, verheft en vernedert, richt op en werpt neer wie Hij wil. Hij bezit alle natiën, heeft een volstrekte heerschappij over hen, beschikt over hen zoals een man over zijn erfdeel beschikt. Dit moeten wij geloven, dat moet ons ter vertroosting wezen, namelijk dat de aarde niet zo overgegeven is in de handen van de goddelozen, van de goddeloze heersers, als wij in verzoeking zijn te denken, Job 9:24. God heeft zich de macht voorbehouden en beheerst hen. In dit geloof moeten wij bidden: "Sta op, o God, oordeel het aardrijk, verschijn tegen hen, die onrecht oordelen, en stel herders naar Uw hart aan over Uw volk." Er is een rechtvaardig God, tot wie wij de toevlucht kunnen nemen en op wie wij kunnen rekenen voor de krachtdadige hulp voor allen, die door onrechtvaardige rechters benadeeld zijn.
b. Het ziet op het rijk van de Messias. Het is een gebed om de verhaasting daarvan, dat Christus zal komen die de Rechter van de aarde is, en er wordt gepleit op deze belofte, dat God hem de heidenen zal geven tot Zijn erfdeel. Gij, 0 Christus, zult alle natiën beërven en bezitten, en over hen heersen. Laat de wederkomst van Christus al die wanorde herstellen. Er zijn twee woorden, waarmee wij ons en elkaar kunnen vertroosten met betrekking tot het wanbestuur onder de mensen. Het een is: "Halleluja, want de Heere de almachtige God heeft als Koning geheerst" Openbaring 19:6. Het andere is: "Ja, Ik kom haastelijk," Openbaring 22:20.