19. Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of wat veel waarschijnlijker is, dwaas? evenwel zal hij heersen over al mijnen arbeid, dien ik bearbeid heb, en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon; 1) hij zal over hetgeen mijnen rijkdom en mijne vreugde uitmaakte, naar welgevallen beschikken. Dat is ook ijdelheid.
1) Dit was het juist, wat den Prediker verdroot, dat hij niet wist, van wien hij alles, wat hij bearbeid had, zou overlaten, of het een wijze of een dwaze zou zijn. Buitendien zou hij het moeten overlaten aan degenen, die er bij lange zoveel moeite niet voor hadden gegeven. Duidelijk wil de Prediker hier en in de volgende verzen waarschuwen tegen het zich hechten aan wat van deze aarde is en manen tot een blijmoedig gebruik er van. In alles wat de Prediker klaagt of zegt, ligt deze achtergrond, om al wat van de wereld is, ook als van de wereld te beschouwen en te genieten, en zich niet al te zeer vermoeien met wat het, wat deze wereld betreft, na ons zijn zal.