12. Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt en ter aarde geworpen, en de oostewind heeft zijne vrucht gedroogd, daar de verzengende macht van de Chaldeeuwse legers zijne welvaart vernietigde; zijne sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd, het geslacht der heersers ging te gronde.