Job 27:11-23
Jobs vrienden hadden veel van het verderf en de ellende gezien, die aan goddeloze mensen en inzonderheid aan verdrukkers overkomen was, en in het vuur van de twistredenen had Job evenveel en met evenveel verzekerdheid gesproken van hun voorspoed, maar nu de hitte van de strijd bijna voorbij was, was hij bereid te erkennen in hoeverre hij met hen instemde, en waarin het verschil lag tussen zijn mening en de hunne.
1. Hij stemde met hen overeen dat goddeloze mensen rampzalig zijn, dat God met wrede tirannen gewis zal afrekenen, en dat vroeg of laat door Zijn gerechtigheid weerwraak op hen geoefend zal worden van al de beledigingen, die zij God hebben aangedaan, en al het onrecht, dat zij aan hun naasten gepleegd hebben. Deze waarheid wordt volkomen bevestigd door de algehele instemming van deze twistredenaars zelf. Maar
2. Zij verschilden hierin: Zij geloofden dat deze verdiende oordelen terstond en zichtbaar over de goddeloze verdrukkers worden gebracht, dat zij te allen dage zichzelf weedom aandoen, dat in de vrede zelf de verwoester over hen komt, dat zij niet rijk worden, en hun tak niet zal groenen, en dat hun verderf vervuld zal worden voor hun tijd, aldus Elifaz, Hoofdst. 15:20, 21, 29, 32, dat de treden hunner macht benauwd zullen worden, dat beroeringen hen rondom zullen verschrikken, aldus Bildad, Hoofdst. 18:7, 11, dat hij zelf het goed, dat hij heeft ingeslokt, zal uitspuwen, en dat als zijn genoegzaamheid vol zal zijn hem bange zal zijn, aldus Zofar, Hoofdst. 20:15, 22. Job daarentegen geloofde dat in vele gevallen het oordeel hen niet spoedig overkomt, maar nog enige tijd wordt uitgesteld. Dat de wraak langzaam te werk gaat, had hij reeds aangetoond, Hoofdst. 21 en 24, nu gaat hij er toe over om te zeggen dat zij zeker en streng treft, en dat een uitstel van straf geen kwijtschelding is.
I. Job wil deze zaak hier in het ware licht stellen, vers 11, 12. Ik zal ulieden leren. Wij moeten het niet versmaden om zelfs van hen die ziek en arm zijn, ja ook die gemelijk zijn, te willen leren indien zij ons overleveren wat waar en goed is.
Merk op:
1. Wat hij hen wil leren: "wat bij de Almachtige is", dat is: "de raad en de bedoelingen Gods betreffende goddeloze mensen, die bij Hem verborgen zijn, en waarover gij niet haastelijk kunt oordelen, en de methoden, waarnaar Hij gewoonlijk met hen te werk gaat." Dit, zegt Job, zal ik niet verhelen. Wat God niet voor ons verborgen heeft, moeten wij niet verbergen voor hen, die wij behoren te onderrichten. De geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen.
2. Hoe hij hen wilde leren: door de hand Gods, dat is: door Zijn kracht en hulp. Zij, die het ondernemen om anderen te leren, moeten uitzien naar de hand Gods om hen te besturen, om hun oor te openen en hun lippen te openen, Jesaja 50:4. Zij, die door God onderwezen worden met een sterke hand, zijn het beste instaat om anderen te onderwijzen, Jesaja 8, 11.
3. Welke redenen zij hadden om de dingen te leren, die hij hen ging onderwijzen, vers 12, dat zij bevestigd waren door hun eigen waarneming: gij zelf allen hebt het gezien, ( maar wat wij gehoord en gezien en geweten hebben, moet ons toch nog geleerd worden, opdat wij onze les volkomen goed zullen kennen) en hen terecht zal helpen in hun oordeel over hem. Waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? zodat gij mij veroordeelt als een goddeloze omdat ik beproefd ben? De waarheid, recht begrepen en toegepast, zou ons genezen van die ijdelheid of lichtvaardigheid van geest, die voortkomt uit onze vergissingen.
Wat hij hun nu inzonderheid wil voorhouden is het deel des goddelozen mensen bij God, inzonderheid de erve van de tirannen, vers 13. Vergelijk Hoofdst. 20:29. Hun deel in de wereld kan rijkdom wezen en bevordering, maar hun deel bij God is verderf en rampzaligheid. Zij zijn misschien boven het bedwang of het toezicht van iedere aardse macht, maar de Almachtige weet met hen te handelen.
II. Hij doet het door aan te tonen dat goddeloze mensen in sommige opzichten voorspoedig kunnen zijn, maar juist daarin volgt hun het verderf, en dat is hun deel, dat is hun erve, dat is het waarbij zij hebben te blijven.
1. Zij kunnen voorspoedig zijn in hun kinderen, maar het verderf wacht hen. Zijn kinderen vermenigvuldigen misschien, vers 14, of, naar sommiger lezing, worden vergroot, verheerlijkt, zij zijn zeer talrijk en worden verhoogd, komen tot eer en grote bezittingen. Wereldse mensen hebben kinderen, die "verzadigd worden," Psalm 17:14. In hen hopen de ouders voort te leven en in hun bevordering geëerd te worden. Maar hoe meer kinderen zij nalaten, en hoe voorspoediger de toestand is waarin zij hen nalaten, hoe meer zij het doelwit zullen zijn voor de pijlen van Gods oordelen, van Zijn drie zware oordelen, het zwaard, de hongersnood en de pestilentie, 2 Samuël 24:13. S.
a. Sommigen van hen zullen sterven door het zwaard, het oorlogszwaard misschien. Zij hebben hen opgebracht om op hun zwaard te leven, zoals Ezau, Genesis 27:40, en zij, die dit doen, sterven gewoonlijk door het zwaard, of door het zwaard van de gerechtigheid, om hun misdaden, of door het zwaard van de moordenaar, om hun bezittingen.
b. Anderen van hen zullen sterven door hongersnood, vers 14, zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. Hij dacht hun grote bezittingen verzekerd te hebben, maar het kan gebeuren dat zij tot armoede vervallen, zodat zij niet eens de levensbenodigdheden hebben, of tenminste niet genoeg hebben om in welstand te kunnen leven. Zij zullen zó nooddruftig wezen, dat hun het nodige voedsel ontbreekt, en zó gulzig of zó ontevreden, dat hun hetgeen zij hebben niet voldoen zal, omdat het niet zoveel, of zo fijn en lekker is als zij het gewoon zijn. Gij eet, maar niet tot verzadiging, Haggai 1:6. De overgeblevenen zullen in de dood begraven worden, dat is: zullen sterven aan de pestilentie, die "de dood" genoemd wordt, Openbaring 6:8, en in stilte haastelijk begraven worden zodra zij gestorven zijn, zonder enigerlei plechtigheid, begraven met een ezelsbegrafenis, en zelfs hun weduwen zullen niet wenen, zij zullen het niet kunnen bekostigen om in de rouw te gaan. Of wel het betekent dat deze goddeloze mannen, gelijk zij niet begeerd waren terwijl zij leefden, onbetreurd gestorven zijn, zodat hun weduwen zich gelukkig zullen achten om van hen verlost te zijn.
2. Zij kunnen voorspoedig zijn in hun bezittingen, maar ook daarin wacht hun het verderf, vers 16-18. A. Wij zullen eens onderstellen dat zij rijk zijn in geld en zilverwerk, in kleren en huisraad. Zij hopen zilver op in grote overvloed als stof en bereiden kleding als leem. Zij hebben hopen van kleren om zich heen, in zo grote overvloed als hopen leem, of wel het geeft te kennen dat zij zoveel kleren hebben dat zij hun tot last zijn, zij "laden het op zich als dik slijk," Habakuk 2:6. Zie waarin de zorg en het werk bestaan van wereldse mensen: wereldse rijkdom op te hopen. Veel wil meer hebben, totdat het zilver is verkankerd en de kleren door de mot verteerd zijn, Jakobus 5:2, 3. Maar wat zal er het einde van zijn? Hij zelf zal er geen nut van hebben, de dood zal hem ontbloten, zal hem beroven zo hij niet reeds vroeger ontbloot en beroofd werd, Lukas 12:20. Ja meer God zal het zo beschikken dat de rechtvaardigen zijn kleren zullen dragen en de onschuldigen het zilver zullen delen.
a. Zij zullen het hebben en onder elkaar verdelen op de ene of andere wijze zal Gods voorzienigheid het zo beschikken dat goede mensen eerlijk aan de rijkdom zullen komen, waaraan de goddelozen op oneerlijke wijze gekomen zijn. "Het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd," Spreuken 13:22. God beschikt over der mensen bezittingen naar Zijn welbehagen, en maakt dikwijls hun uiterste wilsbeschikking tegen hun wil. De rechtvaardige, die hij haatte en vervolgde, zal heerschappij hebben over al zijn arbeid, en ter bestemde tijd met interest terugerlangen wat hem met geweld ontnomen werd. De juwelen van de Egyptenaren waren het betaalde loon van de Israëlieten. Salomo zegt dat God de zondaren tot slaven maakt van de rechtvaardigen, want "aan de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen opdat Hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht," Prediker 2:26.
b. Zij zullen er goed mee doen, de onschuldigen zullen het zilver niet ophopen zoals hij gedaan heeft, die het vergaderde, maar zullen het verdelen onder de armen, zullen een deel geven aan zeven, ja ook aan acht, en dat is het uitzetten tegen de beste waarborg. Geld is gelijk mest, het is nergens toe nut als het niet uitgespreid wordt. Als God goede mensen verrijkt, dan moeten zij er aan denken dat zij slechts rentmeesters zijn, en er rekenschap van hebben af te leggen. Waar de goddelozen met hun onrechtvaardig verkregen rijkdommen een vloek brengen over hun geslacht, brengen de Godvruchtigen een zegen over het hunne door ze wèl te besteden. "Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor degene, die zich des armen ontfermt," Spreuken 28:8.
B. Wij zullen onderstellen dat zij zich hechte en statelijke huizen gebouwd hebben, maar zij zijn als het huis, dat de mot zich bouwt in een oud kleed, waar zij spoedig van uitgeschud zal worden, vers 18. Evenals de mot voelt hij er zich veilig in en hij ducht geen gevaar, maar zijn huis zal blijken van even korte duur te zijn als de hut, die de hoeder zich maakt, en die spoedig afgebroken zal worden, en dan zal zijn plaats hem niet meer kennen.
3. Verderf wacht hun persoon, ofschoon zij lang in gezondheid en welvaart hebben gereefd, vers 19. De rijke ligt neer om te slapen, te rusten in de overvloed van zijn rijkdom. Ziel neem rust, hij zal er in nederliggen als in zijn vaste stad, en aan anderen toeschijnen zeer gelukkig en zeer gerust te zijn, maar hij zal niet vergaderd worden, vers 19, dat is: zijn geest zal niet kalm, niet gerust zijn om nu van zijn rijkdom te genieten. Hij slaapt niet zo gerust als de mensen wel denken. Hij ligt neer, maar de zatheid van zijn rijkdom laat hem niet slapen, tenminste niet zo gerust als de arbeider slaapt, Prediker 5:11. Hij ligt neer, maar wentelt zich voortdurend om van de ene zijde naar de andere, tot aan de morgen, en dan opent hij zijn ogen en is er niet, hij ziet zich en alles wat hij heeft wegspoeden, in een oogwenk als het ware. Zijn zorgen vermeerderen zijn angsten, en beide tezamen maken hem onrustig, zodat, als wij tot zijn legerstede komen, wij hem daar niet gelukkig zien. Eindelijk worden wij geroepen om zijn heengaan bij te wonen, en te zien hoe ongelukkig hij is in de dood en na de dood.
A. Hij is ongelukkig in de dood. Voor hem is de dood de koning van de verschrikking, vers 20, 21. Als hij door een dodelijke ziekte wordt bevangen, in welk een angst bevindt hij zich dan niet! Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen, alsof hij door de opkomende vloed was omgeven. Hij siddert bij de gedachte om deze wereld te verlaten, en nog veel meer om naar een andere heen te gaan, dit mengt verdriet en toorn met zijn ziekte, zie Prediker 5:16. Deze verschrikkingen doen hem of:
a. in stille, sombere wanhoop vervallen, en dan kan de storm van Gods toorn, de storm van de dood, gezegd worden hem des nachts weg te stelen, als niemand het weet of opmerkt. Of:
b. In een luidruchtige wanhoop, en dan wordt hij gezegd te worden weggevoerd, weggeslingerd van zijn plaats, als door een storm, een oostenwind, heftig, rumoerig en heel vreselijk. Voor een Godvruchtige is de dood als een frisse koelte, die hem naar het hemelse land heenvoert, maar voor een goddeloze is hij als een oostenwind, een storm, een wervelwind, die hem in verwarring en ontsteltenis wegslingert naar het verderf.
B. Hij is ongelukkig na de dood.
a. Zijn ziel valt onder de rechtvaardige toorn Gods, en de verschrikking daarvan brengt hem in die ontsteltenis bij het naderen van de dood, vers 22. Want God zal dit over hem werpen en niet sparen. Zolang hij leefde had hij het nut en voordeel van sparende genade, maar nu is de dag van Gods lankmoedigheid voorbij, en nu zal Hij niet sparen, maar de volle fiolen van Zijn gramschap over hem uitstorten. Er is geen ontkomen aan hetgeen God op een mens nederwerpt, noch kan men zich er onder staande houden. Wij lezen dat de Heere grote stenen op de Kanaänieten wierp van de hemel, waardoor een ontzettende verwoesting onder hen werd aangericht, Jozua 10:11, maar wat was dit in vergelijking met het nederwerpen van het volle gewicht Zijns toorns op des zondaars geweten, zoals "het loden gewicht" Zacheria 5:7, 8. De veroordeelde zondaar, die Gods toorn over zich ziet losbarsten, zou wel gaarne aan Zijn hand willen ontvlieden, maar hij kan niet, de poorten van de hel zijn gesloten en gegrendeld, en de grote kloof is gevestigd en het zal tevergeefs zijn om tot de rotsen en de bergen om beschutting te roepen. Zij, die thans niet bewogen willen worden om de toevlucht te nemen tot de armen van de Goddelijke genade, die uitgestrekt zijn om hen te ontvangen, zullen niet instaat zijn weg te vlieden van de armen des Goddelijken toorns, die weldra uitgestrekt zullen zijn om hen te verderven.
b. Zijn gedachtenis valt onder de rechtvaardige toorn van geheel het mensdom, vers 23. Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, dat is: zij zullen juichen over de oordelen Gods, door welke hij is afgesneden, en zich verblijden over zijn val. "Als de goddelozen vergaan is er gejuich," Spreuken 11:10. Als God hem begraaft zullen de mensen over hem fluiten uit zijn plaats, en een eeuwig schandmerk zetten op zijn naam. Terzelfder plaatse, waar hij gevleid en opgehemeld is geworden, zal over hem gelachen worden, Psalm 52:8, en zijn as zal vertreden worden.