Exodus 10:12-20
I. Hier is de inval van de sprinkhanen in het land, het legerscharen van de Heer, Joël 2:11. God gebiedt Mozes zijn hand uit te strekken, vers 12, om ze als het ware herwaarts te wenken, want zij kwamen op de wenk, toen strekte Mozes zijn staf uit, vers 13. Vergel. Hoofdstuk 9:22, 23. Mozes schrijft het toe aan het uitstrekken, niet van zijn hand, maar van de staf van God het ingestelde teken van Gods tegenwoordigheid bij hem. De sprinkhanen gehoorzamen aan de oproep, en vliegen op de vleugels van de wind, van de oostenwind, maar niet alleen de sprinkhanen maar ook kevers zonder getal, komen, zoals ons meegedeeld wordt in Psalm 105:34, 35. Een geducht leger van ruiters en voetknechten zou gemakkelijker te weerstaan zijn geweest, dat dit leger van insecten. Wie kan dan bestaan voor het aangezicht van de grote God?
II. De verwoesting, die zij aanrichtten, vers 15. Zij bedekten het oppervlak van het hele land, en zij aten al het kruid van het land op. De aarde heeft God de kinderen van de mensen gegeven, maar als het Hem behaagt, kan Hij hun bezit verstoren, en sprinkhanen en kevers zenden om hen uit het bezit te verdringen. Kruiden groeien ten diepste voor de mensen, maar als het God behaagt, zullen deze verachtelijke insecten niet slechts deelgenoten met hen zijn, maar hen beroven, hun het brood uit de mond wegeten. Laat ons dan niet werken voor de woning en de spijs, die aan deze verwoestingen zijn blootgesteld, maar voor die welke blijven tot in het eeuwige leven, en niet aldus overweldigd of aldus verdorven kunnen worden.
III. Farao's onderwerping hierop, vers 16,17. Hij had Mozes en Aäron van zich uitgedreven vers 11, hun waarschijnlijk zeggende, dat hij nu niets meer van doen met hen wilde hebben. Nu echter laat hij hen in allerijl tot zich roepen, en richt nu met evenveel beleefdheid het woord tot hen, als hij hen tevoren met verachting van zich weg had gezonden. De dag zal komen, wanneer zij, die hun raadgevers hebben afgewezen en hun bestraffingen hebben veracht, zeer blij zijn zullen met hun belangstelling, en hun voorbede graag zullen inroepen. De dwaze maagden smeken de wijze maagden "om van haar olie te geven." Zie ook Psalm 141:6.
1. Farao bekent schuld: Ik heb gezondigd tegen de Heer, uw God, en tegen u. Nu ziet hij zijn dwaasheid in zijn smaden en beledigen van God en Zijn gezanten, en schijnt er tenminste berouw van te hebben. Als God de mensen overtuigt van zonde en er hen om verootmoedigt, dan zal hun minachting van Gods dienstknechten en van het woord van de Heer in hun mond voorzeker mee in rekening komen, en zwaar op hun geweten drukken. Sommigen denken dat Farao door te zeggen: "De Heer, uw God", eigenlijk te kennen wilde geven: "De Heer zal mijn God niet zijn". Velen handelen met God als met een machtigen vijand, met wie zij niet gaarne in oorlog willen zijn, maar willen niet met Hem handelen als met hun rechtmatige vorst, aan wie zij zich met trouw en liefde willen onderwerpen. Ware boetvaardigen betreuren de zonde als begaan tegen God, hun God, aan wie zij trouw en gehoorzaamheid verschuldigd zijn,
2. Hij vraagt om vergeving, niet aan God, zoals boetvaardigen behoren te doen, maar aan Mozes, hetgeen meer verschoonbaar in hem was, omdat Mozes door een bijzondere opdracht aan Farao tot een God was gesteld, en zo hij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven. Als hij bidt: vergeeft mij toch ditmaal, belooft hij hiermede niet weer op die wijze te zullen zondigen. Toch schijnt hij er afkerig van die belofte bepaaldelijk af te leggen, en ook zegt hij niet, dat hij het volk zal laten trekken. Een berouw in schijn bedriegt de mensen gewoonlijk met algemene beloften, maar wil zich niet tegen bepaalde zonden verbinden. 3. Hij gebruikt Mozes en Aäron om voor hem te bidden. Er zijn van degenen, die in benauwdheid de hulp van het gebed van een ander inroepen, maar niet geneigd zijn zelf te bidden, waardoor zij tonen, dat zij geen ware liefde hebben tot God en geen lust hebben om gemeenschap met Hem te oefenen. Farao wenst dat zij bidden, dat slechts deze dood van hem weggenomen worde, niet deze zonde, hij bidt de plaag af van de sprinkhanen, niet de plaag van een verhard hart, die toch oneindig meer gevaarlijk was.
IV. De wegneming van het oordeel op het gebed van Mozes, vers 18, 19.
Dit was:
1. Een even groot voorbeeld van Gods macht als het oordeel zelf. Een oostenwind bracht de sprinkhanen, en nu komt een westenwind ze wegvoeren. In welk punt van het kompas de wind ook zij, altijd doet hij Gods woord, en draait overeenkomstig Zijn raad. De wind blaast waarheen hij wil ten opzichte van ons bestuur er over, maar niet ten opzichte van Gods bestuur er over, Hij zendt hem rechtuit onder de gehele hemel.
2. Het was ook een even groot blijk van Mozes' gezag, en een even sterke bevestiging van zijn opdracht en van zijn invloed bij God, die "de vrede maakt en het kwaad schept," Jesaja 45:7. En hiermede heeft hij niet slechts de eerbied afgedwongen van de Egyptenaren, maar zich ook hun genegenheid aanbevolen, want gelijk het oordeel op zijn oproep gekomen is, zo geschiedde de wegneming er van als verhoring van zijn gebed. Hij heeft de treurige dag van leed en ellende niet gewenst, al heeft hij er ook mee gedreigd, zijn opdracht ging wel tegen Egypte, maar zijn gebed was voor Egypte, hetgeen een goede reden was waarom zij hem zouden liefhebben, al was het ook dat zij hem vreesden.
3. Het was ook een even sterke reden voor hun bekering, hun berouw, als het oordeel zelf, want hieruit bleek, dat God bereid is om te vergeven, spoedig geneigd om genade te betonen. Indien Hij reeds op een bekentenis van berouw en de uitwendige tekenen van verootmoediging een bijzonder oordeel wegneemt, zoals Hij het dikwijls van Farao heeft weggenomen, of het uitstelt, zoals Hij in Achabs geval gedaan heeft, wat zal Hij dan niet doen, als wij oprecht zijn, en hoe welkom zullen ware boetvaardigen Hem dan niet wezen! O mocht deze goedheid Gods ons tot bekering leiden!
V. Farao's terugkeren tot zijn goddeloos besluit om het volk niet te laten trekken, vers 20, door de rechtvaardige hand van God op hem, zijn hart verhardende en hem stijvende in zijn hardnekkigheid. Zij, die hun overtuiging gesmoord hebben, haar weerstaan hebben, verbeuren er de weldaad van, en worden dan rechtvaardiglijk overgegeven aan de lusten van hun eigen hart, die (hoe sterk hun overtuiging ook zij) hun te sterk blijken te zijn.