Jeremia 4:5-18
Gods gewone handelwijze is te waarschuwen voordat Hij wondt. Daarom geeft God in deze verzen de Joden kennis van de algemene verwoesting die binnenkort over hen zal gebracht worden door een inval van vreemden. Dit moet verkondigd en bekend gemaakt worden in alle steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, opdat allen het mogen horen en vrezen, en door dit luid alarm tot berouw gebracht worden of niet te verontschuldigen zouden zijn. De aankondiging van dit onheil is hier breed uitgewerkt en in zeer levendige bewoordingen gegeven, zodat men denken zou dat ook de stompzinnigste er door aangedaan en opgeschrikt zou zijn.
I. De oorlog wordt aangekondigd en algemene beschrijving gegeven van de nadering van de vijand. Hij wordt nu aangekondigd door de profeet enige jaren tevoren, maar, omdat dit verwaarloosd zal worden, zal hij nog op andere wijze aangekondigd worden als het oordeel werkelijk losbarst, vers 5, 6. De bazuin moet geblazen en een banier opgeworpen worden, een oproeping moet uitgaan aan het gehele volk om zich te verzamelen en samen te trekken op Zion, zowel om dat te bewaren als om daar bewaard te worden. Er moet een algemeen verenigingspunt zijn. De vestingwerken moeten versterkt en alle strijdkrachten gemonsterd worden. Alle strijdbare mannen moeten zich verzamelen in de vaste steden, om daar als garnizoen te liggen, en de zwakken, die alleen zouden dienen om de mondvoorraad te verminderen, maar niet om de weerbaarheid te verhogen, moeten vluchten en niet staan blijven.
II. Een afgezondene komt met de tijding van de aankomst des konings van Babel met zijn leger. Het is een kwaad, "dat God zal brengen van het noorden, gelijk hij Hoofdstuk 1:15, gezegd heeft, een grote verwoesting," groter dan alle die tot nog toe over het volk van de Joden gekomen zijn. De vijand wordt hier vergeleken met:
1. Een leeuw, die uit zijn haag opkomt, wanneer hij hongerig en prooi zoeken gaat, vers 7. De hulpeloze beesten worden door zijn gebrul zo verschrikt, dat zij hem niet kunnen ontvlieden en derhalve een gemakkelijke prooi voor hem worden. Nebukadnezar is deze brullende, verscheurende leeuw, de verderver van de heidenen die reeds vele landen verwoest heeft, en nu op zijn weg is in volle spoed naar het land van Juda. De verderver van de heidenen zal de verderver van de Joden worden, want die hebben door hun afgoderij zichzelf aan de heidenen gelijk gemaakt. Hij is uitgegaan uit Zijn plaats, uit Babel, of uit de plaats waar hij zijn leger verzameld had, met voornemen om tegen dit land, uw land, op te trekken. Dat is de prooi, waarop hij nu het oog geslagen heeft, niet alleen om het te plunderen, maar om het te verderven, en hierin zal hij zo goed slagen, dat hij de steden verstoren zal dat er niemand in wone, dat-zo lezen sommigen het-dat alles als een veld met gras begroeid zal zijn.
2. Een dorre wind van de hoge plaatsen van de woestijn, vers 11, een snijdende verschroeiende wind, die de vruchten van het aardrijk vernielt en onbruikbaar maakt, geen wind, die regen brengt, maar "een wind uit het noorden die de regen verdrijft," Spreuken 25:23, en iets ergers daarvoor in plaats brengt. Zo zal dit kwaad, dat van het noorden komt, voor dit volk zijn, een sombere, bevriezende wind, waartegen zij zich niet kunnen beschutten en die zij niet kunnen ontvlieden, maar die hen, overal waar zij gaan, zal omringen en vervolgen, die zij niet kunnen zien voordat hij komt, maar zullen gevoelen als hij gekomen is. Het is een wind van de hoge plaatsen van de woestijn, of uit het plein (het hoogland) die strijkt langs de toppen van de heuvelen, en alles op het plein voor zich wegvaagt, waartegen geen schuilplaats is. Hij zal met volle kracht komen op de weg van de dochter Mijns volks, die zo teerhartig en vertroetelend zijn opgevoed, dat zij niet kunnen hebben dat de wind op hen blaast. Nu zal deze scherpe wind tegen hen komen, niet om te wannen of te zuiveren, niet zo'n zachte wind die het koren, als het gewand wordt, zuivert, maar een volle wind, die hun te sterk zal zijn, vers 12, een sterke en geweldige wind, die vol op hen neerblaast. Deze zal Mij komen, of liever van Mij, hij zal komen als een gezondene van God en volvoeren hetgeen, waartoe hij gezonden wordt, hij is een van de stormwinden die zijn woord doet.
3. Hij komt op als de wolken en als een wervelwind, vers 13. Het leger van de Chaldeën zal opkomen als wolken, die door de wind voortgedreven worden, zo zwaar zal het zijn, zo snel zal het voorttrekken, en het zal nutteloos zijn pogingen aan te wenden om het staande te houden, of er tegen op te treden, even nutteloos als het is om te trachten de wolken te keren of de wervelwind tegen te houden. De paarden zijn sneller dan arenden, wanneer die op hun prooi neerstorten, het is tevergeefs dat men hen wil tegenhouden of ontlopen.
4. Wachters en bewakers van een veld, vers 15-17. Ene stem verkondigt van Dan af, de stad die van alle steden van Kanaän het noordelijkst lag, en die daarom de eerste tijding kreeg van dit kwaad uit het noorden, en zich haastte om het door te zenden naar het gebergte van Efraïm, dat deel van het land van Israël, dat het dichtst bij Juda lag, deze ontvingen de bedroevende tijding en brachten haar over naar Jeruzalem. Slecht nieuws heeft vleugelen, en een hardnekkig volk, dat weigert hervormd te worden, kan geen ander dan slecht nieuws verwachten. Nu, wat is er voor nieuws? Vermeldt de volkeren, deze gemengde volken, die nu de steden van de tien stammen bewonen, dat zij in hun eigen veiligheid moeten voorzien, maar laat het horen tegen Jeruzalem, dat het op haar gemunt is. Zij is het gejaagde wild, laat haar weten dat er hoeders uit verre landen komen, dat is krijgslieden, die elke gelegenheid aangrijpen om kwaad te doen. Zij komen in volle wapenrusting en verheffen hun stem tegen de steden van Juda, zij hebben het voornemen die te veroveren, zich er meester van te maken, en vallen ze aan met luid geschreeuw als zeker van de overwinning. Als de wachters van de velden omringen zij haar, om alles er buiten te houder, zij omringen de steden van Juda en sluiten alle ingangen en uitgangen af, totdat zij zich op genade of ongenade overgeven. Zij zijn "rondom tegen dezelve, haar van alle zijden afsluitende." Zie Lukas 19:43. Gelijk vroeger de goede engelen, die heilige wachters, de landen rondom Jeruzalem beveiligden, door haar te bewaken, opdat niets verkeerds er inkomen kon, zo zijn nu de vijanden als wachters in het veld, haar omsingelende opdat er niets zal inkomen, dat haar hulp of verlichting aanbrengt.
III. De betreurenswaardige oorzaak van dit oordeel. Hoe komt het dat Juda en Jeruzalem zo aan de verwoesting overgeleverd zijn? Ziehier hoe dat komt.
1. Zij hebben gezondigd tegen God, zij hebben het geheel aan zichzelf te wijten. Zij zijn tegen Mij weerspannig geweest, zegt de Heere, vers 17. Hun vijanden omringden hen als wachters van de velden, omdat zij de wapenen opgevat hadden tegen hun rechtmatige Heere en souverein, en dus worden zij behandeld als opstandelingen. De Chaldeën braken op hen in, maar het was hun zonde die de poort voor deze opende, zodat zij konden binnenkomen. Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan, vers 18, uw boze weg en uw verkeerde handelingen. Het was geen verkeerde stap of twee, die hun dit onheil aanbrachten, maar hun gehele weg en levensrichting waren slecht. De zonde is de oorzaak van alle moeite. Zij, die in de zonde voortgaan en onderwijl trachten met de ene hand alle onheilen af te wenden, stapelen met de andere hand de onheilen op hun eigen hoofd. 2. God had een twist met hen om hun zonden. Het is de hittige toorn des Heeren, die de Chaldeën zo vurig maakt, die is ontstoken en wordt niet van ons afgewend, vers 8. In de toorn van de mensen tegen ons en zijn hittigheid moeten wij Gods toorn tegen ons zien en erkennen. Indien die van ons afgewend werd zouden onze vijanden niet meer tegen ons vermogen.
3. In Zijn rechtvaardige en heilige toorn veroordeelde Hij hen tot deze vreeslijke straf. Nu zo zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken, vers 12. De terechtstelling geschiedde niet in hittigheid, maar tengevolge van een plechtig uitgesproken vonnis, naar recht en wet en op zorgvuldige overweging. Sommigen lezen hier: nu zal ik de terechtstelling aan hen voltrekken, volgens het vroeger uitgesproken vonnis, en wij zin er zeker van dat Gods oordeel naar waarheid is, en dus ook de voltrekking van dat oordeel.
IV. De treurige uitwerkingen van dit oordeel nadat het eerste alarm gemaakt is.
1. Het volk, dat behoorde te strijden, zal geheel wanhopig worden en geen hart hebben om ook maar enigszins de vijand te weerstaan, vers 8. Hierom gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt. Dat is: zo zult gij doen. Als de kreet door het koninkrijk gehoord wordt: Te wapen! Te wapen! zullen zij allen door ontzetting aangegrepen worden en in verwarring geraken. Inplaats van het zwaard aan te gorden, zullen zij zakken aangorden, inplaats van elkaar op te wekken tot manmoedige tegenstand, zullen zij misbaar bedrijven en huilen en zo elkaar ontmoedigen. Terwijl de vijand nog op een afstand is, geven zij alles als verloren op en roepen: Wee ons, want wij zijn verwoest! Wij zijn allen onmachtig, de verwoesters zullen zeker komen en het is tevergeefs hun het hoofd te bieden. Juda en Jeruzalem waren beroemd geweest om de dappere mannen, maar ziehier wat de uitwerking van de zonde is: door de mensen te beroven van hun vertrouwen op God, berooft men hen ook van hun moed tegenover de mensen.
2. Hun aanzienlijken, die voor de publieke veiligheid meesten instaan, zullen ten einde raad zijn, vers 9. Te dien tijde zal het hart des Konings en het hart van de vorsten vergaan, vers 9, zowel hun wijsheid als hun moed. Wanhopend aan het welslagen zal hij ook geen besef hebben om iets te doen, en al had hij dat gehad dan zou hij nog niet weten hoe hij het moest doen. Zijn vorsten en raadslieden die hem moesten bemoedigen en steunen, zullen even wanhopig zijn als hij en geen raad weten. Zie hoe gemakkelijk en volkomen God verwoesting kan brengen over een volk, dat daartoe veroordeeld is, alleen door hen flauwhartig te maken, door "het oordeel van de ouden en het hart van de hoofden des volks weg te nemen," Job 12:20, 24, en "de geest van de vorsten af te snijden," Psalm 76:12. Het werk van de priesters was het volk in oorlogstijd te bemoedigen, zij moesten tot het volk zeggen: "uw hart worde niet week, vreest niet en wordt niet verschrikt," Deuteronomium 20:2, 3. Zij moesten de bazuinen plaatsen om hen in de dag van de strijd te herinneren "aan de Heere hun God," Numeri 10:9. Maar nu zullen de priesters zelf zich ontzetten en geen hart hebben om hun werk te doen, en daarom kunnen zij ook het volk geen hart onder de riem steken. Ook de profeten, de valse profeten, die voortdurend van vrede! geroepen hadden, zullen in de grootst mogelijke ontsteltenis verzinken, ziende hoe hun eigen schuldige bloed gevaar loopt door dat zwaard vergeten te worden waarvan zij verzekerd hadden dat het niet komen zou. Gods oordelen komen met de meeste verschrikking over hen, die er zich het meest verzekerd tegen achtten. Onze Zaligmaker voorzegde dat gedurende de laatste verwoesting van Jeruzalem, de mensen "het hart zou bezwijken van angst," Lukas 21:26. En het is een zeer gewoon verschijnsel dat zij die het volk hebben gevleid en in vleselijke gerustheid gesust, niet alleen dat volk in de steek laten maar het bovendien ontmoedigen als het onheil komt. V. De profeet beklaagt het volk omdat het bedrogen is, vers 10. Ach Heere Heere, waarlijk, Gij hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben. Dat is een zeer sterke uitdrukking. Wij zijn er van overtuigd dat God niemand bedriegt. Niemand, wanneer hij verzocht wordt, mag zeggen: Ik word door God verzocht of misleid. Maar:
1. Het volk bedroog zichzelf met de beloften die God in het algemeen aan de natie gegeven had, van Zijn gunst en de velerlei bijzondere voorrechten, waarmee zij verwaardigd waren. Het bouwde daarop, ofschoon het geen zorg droeg om de voorwaarden te vervullen, waarvan de vervulling van deze beloften en de voortduring van deze voorrechten afhingen, en het sloeg geen acht op de bedreigingen, die in de wet tegenover deze beloften gesteld waren. Daardoor misleidden zij zichzelf en gaven boosaardig God de schuld dat Hij hen misleid had.
2. De valse profeten bedrogen hen met beloften van vrede, die zij in Gods naam deden, Hoofdstuk 23:17, 27:9. Indien God hen gezonden had, dan zou Hij inderdaad het volk grotelijks bedrogen hebben, maar dat had Hij niet gedaan. Het was de fout van het volk dat zij hun gehoor gaven, en daardoor bedroog het zichzelf.
3. God had de valse profeten toegelaten hen te bedriegen, en het volk door hen bedrogen te worden, daar Hij hen beide overgaf aan hun verkeerde overleggingen, tot straf omdat zij de waarheid niet in liefde ontvangen hadden. Hierin was de Heere rechtvaardig, maar de profeet klaagt daarover als over het ergste van alle oordelen, want daardoor werden zij verhard in hun zonden.
4. Het kan ook als vraag gelezen worden: Hebt Gij werkelijk dit volk aldus bedrogen? Het is duidelijk dat zij grotelijks bedrogen zijn, want zij verwachten vrede, terwijl het zwaard tot aan de ziel raakt. Dat is: het moordende zwaard heeft reeds een menigte levens doen verloren gaan en er zullen waarschijnlijk nog meer volgen. Welnu, was het God die hen bedrogen had? Neen, Hij had hen menigmaal gewaarschuwd tegen Zijn oordelen in het algemeen en tegen dit oordeel in het bijzonder, maar hun eigen profeten bedriegen hen en roepen van vrede, tot degenen, tot wie God van de hemel niet van vrede spreekt. Het is een betreurenswaardig ding, dat iedere Godvrezende grotelijks bedroeft, een volk gevleid te die tot zijn eigen ondergang, en te horen hoe het vrede beloofd wordt, terwijl de oorlog voor de deur staat. En hierover mogen wij ons bij God beklagen, die alleen in staat is, zulk een noodlottige zinsbegoocheling te verhinderen.
Vl. De poging van de profeet om het volk te ontgoochelen. Terwijl de profeten, die zij liefhadden en liefkoosden vals met hen handelden, ging hij, die zij haatten en vervolgden, getrouw met hen om.
1. Hij toont hun hun wond. Zij waren er afkerig van om die te zien, zeer afkerig om die te doen onderzoeken, maar indien zij ertoe konden komen om ongestoord door te denken, zouden zij de oorzaak van hun straf in hun zonden vinden, vers 18. Dit is uw boosheid dat het zo bitter is, of: Het is uw boosheid, waarom het zo bitter is. Nu ziet gij hoe bitter het is om God te verlaten, en dat het einde zeker kwaad en bitter zal zijn, Hoofdstuk 2:19. Het heeft bittere gevolgen en pijn die tot het hart raakt, het aanraakt in zijn tederste delen, en het zwaard raakt tot de ziel, vers 10. God kan maken dat het leed het hart raakt ook van hen, die niets ter harte nemen wilden. En hieraan kunt gij zien dat het uw boosheid is, die een bitter ding, een wortel van bitterheid is, die gal en alsem voortbrengt, het is het verderf van de ziel en van de binnenste gedachten en overleggingen des harten. Indien het hart niet door de zonde verontreinigd was, zou het niet verstoord en verontrust worden door leed, gelijk het nu is.
2. Hij toont hun het geneesmiddel, vers 14. Omdat uw verkeerdheid tot het hart raakt, moet ook de genezing daar aanvangen. Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem, opdat gij behouden wordt! Door Jeruzalem bedoelt hij ieder van de inwoners van Jeruzalem, want ieder heeft zijn eigen hart, waarvoor hij zorgdragen moet en de persoonlijke bekering moet het geheel redden. Ieder moet terugkeren van zijn eigen boze weg, en daartoe zijn eigen hart reinigen. En het hart van de stad moet gereinigd worden, niet alleen de voorsteden, de buitenste omtrek. De levensgeesten van een staat moeten opgewekt worden door de hervorming van hen, die bevelende invloed hebben.
a. Hervorming is beslist noodzakelijk om redding te verkrijgen. Er is geen andere weg om oordelen te voorkomen of die af te wenden wanneer wij er mee bedreigd worden, dan het wegdoen van de zonden, waardoor wij ze ons op de hals gehaald hebben.
b. Geen hervorming is reddend dan die, welke het hart raakt. De boosheid van het hart verontreinigt de ziel, en daarvan moeten wij ons wassen. Door berouw en geloof moeten wij onze harten wassen van de schuld, die wij op ons geladen hebben door geestelijke boosheid, van deze zonden die beginnen en eindigen in het harten niet verder komen, en door doding en waakzaamheid moeten wij voor het vervolg deze boosheid des harten onderdrukken en voorkomen. De boom moet goed gemaakt worden, anders zal de vrucht niet goed zijn. Jeruzalem was geheel bedekt met de melaatsheid van de zonde. Nu komen alle geneesheren daarin overeen ten aanzien van het lichaam, dat door melaatsheid is aangetast, dat uiterlijke middelen niet helpen, en dat er op het inwendige moet gewerkt worden om de kwade stoffen, die daar woelen, uit te drijven, en het bloed te reinigen. Evenzo is het met de ziel en met de staat, er zal geen behoorlijke hervorming van het gedrag komen zonder hervorming van de gezindheid, in de geest moeten de misstanden verwijderd en moet het verderf gedood worden, anders worden de kwade gesteldheden niet veranderd. Ofschoon gij Jeruzalem zijt en de heilige stad genoemd wordt, zal dat u niet redden, tenzij gij uw hart van de boosheid wast. In het tweede deel van dit vers vraagt hij hun: Hoelang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten? Hij betreurt hier
a. Het uitstel van hun hervorming: Hoelang zult gij uw ongewassen hart zo vuil laten? Zal er nooit een einde aan komen? De God des hemels acht de tijd leng dat Zijn plaats wordt overweldigd en Zijn belang tegengestaan in onze zielen, Hoofdstuk 13:27.
b. De wortel van hun verderf: De gedachten uwer ijdelheid vernachten in het binnenste van u en verontreinigen uw harten, en daarom moet gij uw harten wassen. "Gedachten van onreinheid:" dat zijn de boze gedachten die in het boze hart ontstaan en alle andere boosheid voortbrengen, Mattheus 15:19. Zij zijn de onze, onze eigen begeerlijkheden, Jakobus 1:15, en zij zijn het gevaarlijkst als zij in ons vernachten, wanneer zij als gasten worden ontvangen en geherbergd en hun toegestaan wordt te blijven. Sommigen lezen hier gedachten van bedroeving zulke gedachten die niets dan bedroeving en ellende veroorzaken. Sommigen menen, dat met de ijdele gedachten bedoeld worden al die nietige uitvluchten en verontschuldigingen waarmee men de vermaningen en roepstemmen van het Woord afwijst en hen van invloed berooft, terwijl men zichzelf in goddeloosheid vastzet. Was uw hart van boosheid, en denkt niet er aan om te zeggen: Wij zijn niet verontreinigd Hoofdstuk 2:23, of: Wij zijn Jeruzalem, wij hebben Abraham tot vader." Mattheus 3:8, 9.