Ezechiël 21:28-32
De voorspelling van de verwoesting van de Ammonieten, die vijf jaar na die van Jeruzalem insgelijks door Nebukadnezar, volgde, schijnt te zijn geschied naar aanleiding van de wijziging van `s konings plannen, toen hij zich van Rabba afkeerde en naar Jeruzalem toog. Daarop waren de Ammonieten zeer onbeschaamd geworden en hadden zich vrolijk gemaakt over Jeruzalem, maar de profeet moet hun bekend maken, dat uitstel geen afstel is, opschorting van het vonnis geen. vergiffenis. Ook hun dag komt, het is nu hun beurt, maar het is een armzalige voldoening voor hen, dat nu eerst hun oordeel volgt.
I. De zonde van de Ammonieten wordt hier genoemd, het is hun smading, vers 28.
1. De smaad, die zij zich op de hals haalden, toen zij naar valse profeten luisterden (want dezulken waren er, naar het schijnt, evenzeer onder hen als onder de doden), die beweerden, hun altijddurende veiligheid te kunnen verzekeren te midden van de verwoesting, waarvan omliggende landen ten prooi waren: "Zij zien u ijdelheid, terwijl zij u leugen voorzeggen, vers 29. Zij vleien u met vredesbeloften, en gij zijt dwaas genoeg, u door hen om de tuin te laten leiden en hen in dat bedrog aan te sporen, door hun geloof te schenken." Zie die zich in de dagen des voorspoeds met zelfbedrog voeden, leggen zich oorzaak van verwijt op tegen de dag des tegenspoeds.
2. De smaad, die zij het Israël Gods aandoen, door zich vrolijk te maken over deszelfs beproevingen en die daardoor nog grievender maken, wat zeer onmenselijk, zelfs barbaars is. Hun priesters, die hun wijs gemaakt hadden, dat zij beter waren dan de Israëlieten, maakten ze dus opgeblazen, als werden zij daarom gespaard, terwijl genen afgesneden werden, en wekten daarbij het vertrouwen, als zou die voorspoed immer duren. De Ammonieten waren zo hooghartig en onbeschaamd, dat zij zich op de halzen stelden dergenen, die van de goddelozen, door de Chaldeën, verslagen zijn, die de opdracht hadden, Gods oordelen uit te voeren over de uiterste ongerechtigheid, dat is, toen de mate van de zonde vol was. Wij zullen dit weer ontmoeten in Hoofdstuk 25:3 enz. Zie, zij zijn rijp voor de ellende, die Gods volk in zijn ellende op de nek trappen, terwijl zij moesten beven, wanneer het oordeel van het huls Gods begint.
II. De Ammonieten worden met algehele verwoesting bedreigd. Want smaad, van de kerk door haar naburen aangedaan, wordt aan die naburen gewroken, Psalm. 79:12. Laat ons zien, hoe vreselijk dit dreigement, deze verwoesting zal zijn.
1. Ze zal voortkomen uit Gods gramschap, die wrake doet over de beledigingen en de minachting, Zijn volk aangedaan, als waren ze Hem gedaan, vers 31. En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, als een vloed van vuur en zwavel. De laatste druppel van goddelijke verontwaardiging en gramschap zal verdrukking en benauwdheid brengen over alle ziele van de mensen, die het kwade werkt, Romeinen 2:9. Wat zal dan een volle stroom van die verontwaardiging en gramschap doen? "Ik zal tegen u in het vuur van Mijn verbolgenheid blazen, dat is, het zal het vuur van Mijn verbolgenheid tegen u aanblazen, het zal branden met de uiterste hevigheid. Het vuur zult gij tot spijze zijn vers 32. Zie, goddeloze mensen maken zichzelf tot spijze voor het vuur van Gods verbolgenheid, zij worden er door in de brand gestoken, er door verteerd. 2. Dat zal door het oorlogszwaard geschieden, hij moet hun toeroepen, gelijk tevoren aan Israël, omdat zij zich over Israëls onderwerping verblijd hebben: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, vers 28, verg. vers 9, 10, het is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd, om te verdoen, om te glinsteren. Het wordt gezwaaid en glinstert en is geschikt om gebruikt te worden, ten einde Gods oordelen uit te voeren. Dit zwaard, als het eenmaal uitgetrokken is, zal niet in zijn schede weerkeren, vers 30, totdat het de taak volbracht heeft, waartoe het uitgetrokken was. Wanneer het zwaard getrokken is, keert het niet weer dan wanneer God het doet wederkeren, en is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wie kan zijn doen verhinderen?
3. De mensen, die gebruikt worden, zijn ziedende mensen, smeders des verderfs. Mensen, zo slecht als deze, die in staat zijn, het werk van wilde dieren te doen-menselijk vernuft maakt ze bekwaam, maar geen menselijk mededogen tempert dat, zodat zij alleen kunnen verderven, - ofschoon zij de schande van de mensheid zijn worden soms gebruikt om Gods plannen uit te voeren. "God geeft de kinderen Ammons over in de hand van zulke lieden, en dat terecht, want zij waren eerst zelf onmenselijk, toen zij zich verblijdden over de verwoesting van Gods Israël". Wij hebben reden om te bidden, zoals Paulus eens begeerde, dat men bidden zou, namelijk dat wij "verlost mogen worden van de ongeschikte en boze mensen, 2 Thessalonicenzen 3:2, mensen, die geschapen schijnen om kwaad te doen."
4. De plaats, waar dus afrekening met hen zal gehouden worden: Uw bloed zal zijn in het midden des lands, in de plaats, waar gij geschapen zijt, vers 31, 30, waar gij eens tot een volk geworden zijt, en waar gij sinds gewoond hebt, en waar gij dus wortel hebt geschoten. Zie, God kan het verderf over ons brengen op die plaats, waar wij ons het veiligst waanden, en ons uit dat land verbannen, dat ons, naar wij menen, niet kan betwist worden, en uit die bezitting verdrijven, die wij onvervreemdbaar achten. "Uw bloed zal niet alleen aan Uw grenzen maar in het midden des lands zijn." Eindelijk zal het een onherstelbare verwoesting zijn. Al meent gij u te kunnen herstellen, die Bedachte zal ijdel blijken te zijn: " Aan U zal niet meer gedacht worden," Psalm 9:7. De naam wordt terecht uitgedelgd van hen, die wensten, dat Israël voor immer werd uitgeroeid.