49. Alzo zullen zij bestraf voor uwe schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen, de zonde, welke gij met deze hebt bedreven (
Hoofdstuk 16:58); en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
Ten slotte wordt nog aan beide, aan het rijk der 10 stammen, en aan het rijk van Juda te zamen, eerst hun zonde en dan hun straf voorgehouden. De zonden worden hier in `t bijzonder en bepaald zeer scherp op den voorgrond geplaatst. Vooreerst hebben beide Rijken zich betoond als afgodendienaars en als bloedvergieters (Vers 37); vervolgens hebben zij den dienst van Jehova verontreinigd (Vers 38). Ja, zij hebben beide afgodendienst en verering van Jehova op vreeslijke wijze vermengd (Vers 39); eindelijk hebben zij nu onlangs de Chaldeën ingehaald tot verbintenissen tegen `s Heeren wil (Vers 40-44). Maar dezelfde Chaldeën-zo gaat de rede over tot de straf-zullen zich aan Israël betonen als rechtvaardige mannen, dat is als dezulken, die aan Gods straffende gerechtigheid dienstbaar zijn; zij zullen over hen ene volksvergadering houden, en het oordeel der echtbreeksters en der bloedvergietsters aan hen volvoeren, opdat alle andere vrouwen, d. i. volken, daaraan een voorbeeld nemen, en Israël zelf tot erkentenis kome.
De Profeet, in de zamenvoeging der beide vrouwen consequent doorgaande, stelt ook de bestraffing van Ohola (Samaria), welke reeds had plaats gehad, als ene nog toekomstige voor. Hij kon dit te beter doen, daar de nabijzijnde verwoesting van Jeruzalem niet alleen Juda, maar ook het nog aanwezige overblijfsel van het rijk der tien stammen, dus het gehele Israël als strafgericht aanging.
Het woord in Vers 36 : "Zoudt gij recht geven?" wijst niet alleen op Ezechiel 22:2, maar tevens op Ezechiel 20:4 terug, en toont, dat onze afdeling ene zakelijke zamenvatting is van den inhoud der gehele groep (Hoofdstuk 20-23). Het dubbele misdrijf, echtbreuk en moord, wordt in Vers 37 eerst kort voorgesteld en vervolgens verder ontvouwd; de echtbreuk heeft betrekking op den afgodendienst, de moord op de kinderoffers, welke zij hunnen afgoden brachten.
De verontreiniging van Gods heiligdom, welke verder in Vers 38 als zonde voorkomt, welke zij op zich hebben geladen, geschiedt volgens Vers 39 daardoor, dat zij, met afgodische zonden bevlekt, dat betreden. Op gelijke wijze volgt ook de ontwijding der Sabbatten. Een afgodendienaar kan geen Sabbat vieren en wanneer hij dien uitwendig viert, ontwijdt hij dien. Het wezen van den Sabbat is het denken aan God en dat kan geen plaats vinden, waar het hart aan de afgoden hangt.
Uit het hoerenhuis te lopen in Gods huis, kan Gode niet welgevallig zijn, noch van moord tot de plaats des gebeds, van de zonde tot gezang.
Met Vers 40 gaat de Profeet van de hoererij in het godsdienstige over tot die in de politiek. Hij berispt de aanknoping van verbintenissen van echtbreuk met degenen, die in de verte zijn, in tegenstelling tot die met de nabijzijnden (Vers 5, 11). Het wassen, blanketten, versieren betekent, dat Jeruzalem alles in `t werk stelde, om zich aan hare boelen, de machten der wereld aangenaam te maken, vgl. Jesaja 57:9,
Om menschengunst te verwerven, geschiedt in de wereld veel kwaad.
Het komt nauwelijks geloofbaar voor, dat de Profeet zich meer dan 2 volle jaren te vergeefs met de gevangenen aan de wateren van Chebar zou hebben vermoeid, om ze van den val van het rijk van Juda en zijne hoofdstad Jeruzalem, en van ene langdurige onderwerping van Gods volk onder Babel te overtuigen. Dat zij echter na alle die reden in Hoofdstuk 4-23 niet overtuigd is, blijkt duidelijk uit de aankondiging, die meer dan twee jaren later is gevolgd in Hoofdstuk 24:1, Hoe is zulk ene rampzalige verblinding, die het volk te Jeruzalem zowel als de gevangenen in Babel had vervuld, mogelijk? Hoe kon men na den ondergang van het rijk der tien stammen en na de harde slagen der Goddelijke tuchtroede, die men reeds zelf ondervonden had, met ene onveranderlijke kracht en macht zich zulke schitterende denkbeelden van de nabijzijnde toekomst maken, als het in werkelijkheid geschiedde? Hoe konden de valse profeten het wagen, van ene spoedige vernietiging van Babylon te dromen en hunnen toehoorders hun dromerijen wijs te maken, en hoe konden deze zich daardoor laten misleiden, daar toch de ene berekening voor en de andere na verkeerd uitkwam, welke men omtrent menselijke hulp maakte? Zonder twijfel was de schuld daarvan het misverstand en het misbruik, dat men van zulke heerlijke profetieën, als bijv. die van Jesaja over den ondergang van Babylon maakte. Men rukte die uit hun zamenhang, stelde ter zijde, wat niet met de vleselijke gezindheid overeenkwam en bracht met geweld tot den tegenwoordigen tijd, wat eerst voor ene verre, ja gedeeltelijk zeer verre toekomst was beloofd. Die belofte nu moest voor het volk blijven, Gods raadsbesluit omtrent de toekomst stond vast. Daarom moest ook wat in Jeremia 51:59, verhaald wordt, geschieden, maar het misverstand en het misbruik moest vóór alles worden uit den weg geruimd. Daartoe dient het Profetische woord van Ezechiël in dezen tijd, en daarna de verschrikkelijke opening der ogen, die met Hoofdstuk 24 begon. Onze tegenwoordige tijd zal ook veel bijdragen tot wegneming van misleiding, maar tevens, om het profetische der Schrift beter te verstaan, en de eschatologie in hare zwakke punten te verbeteren; ten minste zal onze Protestantse kerk van de nabijzijnde ontwikkeling der geschiedenis van het Godsrijk deze winst hebben, terwijl daarentegen aan de Katholieke kerk juist dat eigenaardig is, dat zij het hier boven nader gekarakteriseerde standpunt van Israël vasthoudt, totdat zij ten laatste geheel en al schipbreuk zal lijden (Hoofdstuk 27).
Als de Opperheer der wereld Zijnen dienst onder ene natie plant en dus Zijn verbond met dat volk opricht, dan kan Hij gezegd worden aan dat volk gehuwd te zijn en daarmee in ene rechtstreekse en opzettelijke betrekking te staan, dan kan en mag Hij van zulk ene natie en van elk lid daarvan gehoorzaamheid en liefde, geloof en trouwe eisen, dan ligt de weg van geluk voor zulk een volk, dat zo onder het Evangelie wordt geplaatst, en voor elk mens, die in dat grote voorrecht deelt, alleen in een leven, overeenkomstig de openbaring van Gods wil in den weg der genade; maar welke misdaad is dan tegenstrijdiger en leidt meer tot verwoesting, dan dat er ene andere vreemde, eigendunkelijke en valse godsdienst wordt ingevoerd, en door de mensen wordt opgezocht en aangekleefd. Zo vals toch afgoderij en beeldendienst was, dewijl men stomme beelden, nietige afgoden en verfoeiselen der onreine volken vereerde, zozeer hierin de oorzaak van allerlei eigendunkelijkheid in levenswijze, brooddronkenheid en goddeloosheid lag, ja ook zozeer als de Heere daarover verontwaardigd was en toornen moest, zozeer zien ook wij, wat integendeel onze roeping en verplichting als natie en elk voor ons zelven is, hoe gevaarlijk het wordt, van des Heeren Woord en instellingen, van Zijn verbond, met ons in den Doop aangegaan, af te wijken, en zich naar eigendunkelijke godsdienstbegrippen en vreemde zeden te schikken. Hoeveel valt hier na te denken en op te merken, wanneer wij onze natie als een Christenvolk, en wel bijzonder als ene Hervormde natie beschouwen, met Israël en Juda vergelijken, en tot onze eigene harten daarmee inkeren. Hoezeer moesten wij voor elke afwijking van de waarheid, voor iedere begunstiging van ene valse belijdenis en voor vreemde zeden schrikken, en de jammerlijke gevolgen zien en verder berekenen, welke daaraan onafscheidelijk verbonden zijn. God beware ons land en volk, dat wij zo zwaar zouden gestraft worden, om het verlaten van Zijn woord en van Zijnen dienst, als Israël en Juda zijn gestraft geworden; maar indien wij van valsen godsdienst niet anders kunnen genezen worden, dan door een lot, aan dat van Gods oude volk gelijk, hetwelk door ballingschap voor altoos de zucht naar afgoderij en beeldendienst verlaten heeft, dan was zulk een hard lot inderdaad nog een wenselijk deel. De Heere is te hoog en te heilig, dat wij Hem niet overeenkomstig Zijne natuur en naar Zijnen uitgedrukten wil zouden dienen en ons niet van geheler harte tot Hem zouden bekeren. Moge Zijne kennis in Christus Jezus onder ons zuiver zijn en door Zijnen Geest aan ons geheiligd worden, zo zullen wij Hem in waarheid eren, Zijn naam zal onder ons wonen, en ons geluk voor tijd en eeuwigheid meer vast en zeker zijn.