Ezechiël 23:11-21
De profeet Hosea merkte, in zijn tijd, op, dat de twee stammen in grote mate gerechtigheid bewaard hadden, toen de tien stemmen afvallig waren geworden, "Efraïm heeft Mij omsingeld met leugen, maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw," Hosea 12:1, en dit werd terecht van hen verwacht, Hosea 4:15 :"Zo gij, Israël, wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde." Maar dit heeft niet lang geduurd. Door sommige ongelukkige verbintenissen tussen het huis van David en dat van Achab was de Baälsdienst ook in het rijk van Juda ingevoerd, maar later door hervormende koningen weer uitgeroeid. Ten tijde van de wegvoering van de tien stammen, hetwelk onder de regering van Hiskia voorviel, was de toestand in Juda niet zo slecht, maar het was niet van lange duur. Tijdens de regering van Manasse, nadat Juda de ondergang van het rijk van Israël had aanschouwd, werd Juda nog dieper verdorven dan Israël in zijn verliefdheid op de afgoden geweest was, vers 11. Inplaats van zich door die ondergang te laten waarschuwen, gaf die aanleiding tot erger zonden, alsof zij ontstoken waren, omdat de Heere een scheur gescheurd had aan Israël, en dies de Heere nog meer de rug toekeerden en Zijn dienst al meer verlieten. Inplaats van ontzag voor Hem te koesteren als een ijverig God, werden zij nog meer van Hem vervreemd en hadden de vreemde goden liever dan derzelver dienaren zelf. Zie, zij kunnen naar recht Gods oordelen over zich verwachten, die geen acht geven op de oordelen, die op anderen neerkomen, die niet willen zien, waarop de zonde uitloopt en er in voortleven, als ware het een kleinigheid. Het staat inderdaad slecht met dezulken, die erger worden door wat hen beter moest maken, en wier lusten nog geprikkeld en versterkt worden door wat bestemd was om die te onderdrukken en te overwinnen. Jeruzalem werd erger in haar hoererij dan haar zuster in de haar geweest was. Dit was reeds tevoren opgemerkt, Hoofdstuk 16:51. Samaria heeft ook naar de helft uwer zonden niet gezondigd.
I. "Jeruzalem, dat een getrouwe stad was geweest, was tot een hoer geworden," Jesaja 6:21, Ook zij was verliefd geworden op de Assyriërs vers 12, had een verbond met hen gemaakt, hun afgodendienst overgenomen, werd verliefd op hun vorsten en overheden en vond ze schoner en volkomener edellieden dan ooit het land van Israël had voortgebracht. Zie hoe rijk, hoe net ze gekleed zijn met volkomen sieraad, hoe goed ze te paard zitten. Het zijn ruiters, rijdende op paarden, hoe flink en bekoorlijk zien ze er uit, allemaal gewenste jongelingen. Zij leerden zo alles mooi vinden wat vreemd was en het inlandse, ja hun eigen volk verachten, zelfs hun eigen godsdienst werd hun te min en te burgerlijk, niet te vergelijken met de schoonheid en sierlijkheid van de heidense tempels. Zo deed zij tot haar hoererijen nog meer doe, zij werd verliefd op en ging een verbond aan met de Chaldeën. Hizkia zelfs maakte zich daaraan schuldig, toen hij, gevleid door een bezoek van de gezanten van Babel, hun al zijn schatten liet zien, Jesaja 39:2. Maar het was heel wat erger geworden, Juda was verliefd geworden op de geschilderde mannen van de wand, vers 14, 15, had zich met Babel verbonden, hen uitgenodigd, naar Jeruzalem te komen en zich daar te vestigen, om de geest van de Joodse natie te verfijnen en te beschaven. Ja, zij zond om afbeeldingen van Babels beelden, altaren of afgodsdienst, om dat alles na te maken en na te doen. Zo werd zij verontreinigd met hun hoererij, vers 17, en ontdekte zij haar hoererijen, vers 18, haar sterke neiging tot afgoderij. En toen zij genoeg had van de Chaldeën, en het verbond met hen wilde verbreken, gelijk Jehojakim en Zedekia deden, werd haar ziele van hen afgetrokken, vers 17, en werd zij weer verliefd op de Egyptenaren, vers 19, begeerde met hen een verbond te sluiten, nam hun afgoderij over en vertrouwde op hun bescherming tegen alle andere volken. Zo wijs, zo rijk, zo sterk, was het Egyptische volk, en zo volmaakt is zijn afgodsdienst dat geen andere natie haar kon voldoen. Zij gedacht aan de dagen harer jeugd, vers 19, de schandelijke daad harer jeugd, vers 21.
1. Zij vermaakte zich in die herinnering. Toen zij haar hoop op Egypte ging stellen, gaf zij toe aan dwaze verwachting, om de oude banden, als had zij nog de smaak van de ajuinen en het knoflook, die zij daar om niet gegeten had, of juister, van de afgodendienst, die zij daar geleerd had en mee naar Kanaän genomen. Toen de kennismaking met Egypte hernieuwd werd, gedacht zij, hoe haar vaders het gouden kalf hadden aangebeden, hoe vrolijk zij daarom gedanst en muziek gemaakt en gezongen hadden. Daarop had ze nu weer haar zinnen gezet. Zo vermenigvuldigde zij haar hoererijen herhaalde haar vroegere afval en had een welgevallen aan haar verleiding, gedenkende aan de dagen harer jeugd. Zie, degenen, die, inplaats van hun vroegere zonden met smart en schaamte te gedenken, zich die met blijdschap en hoogmoed herinneren, vermeerderen de schuld, worden nog dieper verdorven en maken waar berouw al moeilijker. Dit heet: "de hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel."
2. Zij bracht die zonde harer jeugd daardoor Gode in gedachtenis en lokte zijn straf daarover uit. "God had inderdaad gezegd, dat Hij de zonde met het gouden kalf, die Egyptischen afgod, zou gedenken," Exodus 32:34. Maar zo groot was zijn geduld, dat Hij ze scheen vergeten te hebben, totdat Jeruzalem, door haar verbintenis met Egypte tegen de Chaldeën, er God als het ware, weer opmerkzaam op maakte, en in de dag van de bezoeking, naar Hij gezegd had, zou Hij ze bezoeken. Het is opmerkelijk, hoe deze overspeelster van hoerenlopers wisselt, eerst wordt ze verliefd op de Assyriërs, toen ze de Chaldeën aantrekkelijker vond, maakte zij deze het hof, daarna werd haar ziel weer vervreemd van Babel en achtte ze de Egyptenaren machtiger, vers 20, en sloot ze zich bij hen aan. Dit toont de dwaasheid aan,
a. van vleselijken lust, wanneer men daaraan toegeeft, wordt men humeurig en prikkelbaar begeert telkens weer en wordt nooit verzadigt. Men wil afwisseling, wat men vandaag liefheeft, is morgen een walg. "Unius adulterium matrimonium vocant. Een overspel noemen zij huwelijk, zegt Seneca."
b. Van afgoderij. Zij, die aan de ene god niet genoeg hebben, zullen honderd nog onvoldoende vinden, maar altijd weer iets nieuws zoeken en nooit voldaan zijn.
c. Van bij schepselen hulp te zoeken. Wij gaan van de een naar de ander, worden in allen teleurgesteld en vinden nergens rust, totdat wij die in de God Israëls zoeken.
II. De trouwe God geeft van de trouweloze stad, die een hoer geworden is, haar scheidbrief. Zijn naijver ontdekte spoedig, dat zij verontreinigd was, vers 13, dat zij Hem ontrouw was geworden, waarheen hun verlangen uitging, en dat de twee zusters beide enerlei weg hadden ja, dat Jeruzalem nog meer verdorven werd dan Samaria. Want, zo wij onze hand uitstrekken naar een vreemden god, zou God dat niet uitvinden? Ongetwijfeld, en wanneer Hij het heeft uitgevonden, zou het Hem dan behagen? Geenszins, vers 18. Toen werd Mijn ziele van haar afgetrokken, gelijk als Mijn ziele was afgetrokken van haar zuster. Hoe kon de reine, heilige God langer lust hebben aan zo'n lichtzinnig geslacht? Zie, de zonde vervreemdt Gods welgevallen van de zondaar, en wee, duizendmaal wee dengenen, van wie God afgetrokken is, want van wie Hij is afgetrokken, tegen die is Hij gekeerd.