Ezechiël 23:36-49
Nadat de tien stammen in ballingschap waren weggevoerd, was dat rijk geheel verwoest en werden gedurig gedeelten bij Juda ingelijfd, en vonden verscheidene bewoners een toevlucht in Jeruzalem, zodat de twee zusters inderdaad weer één waren geworden. Daarom voegt de profeet ze in de volgende verzen samen: "Zoudt gij Ohola en Oholiba recht geven? Vers 36. Wilt gij een beschuldiging beramen om haar voor straf te vrijwaren? ge ziet, dat haar zonde zo erg is, dat geen verontschuldiging mogelijk is." Of, liever, "gij zult nu, in Gods naam, dienen om ze te oordelen, Hoofdstuk 20:4. De zaak is door haar vereniging eer slechter dan beter geworden."
I. Laat haar de zonde zien, waaraan zij schuldig staan. Ja, vertoon haar openlijk en onomwonden haar gruwelen.
1. Zij hebben beide grove afgoderij, hier overspel genoemd, bedreven, vers 37, zij hebben haar huwelijkstrouw jegens God gebroken, hebben naar de lust van een vleselijk zinnelijk hart begeerd. Dit is de eerste en ergste van el haar afschuwelijkheden, waarvan de profeet haar beschuldigt.
2. Zij hebben de meest barbaarse moorden begaan door haar kinderen aan Moloch te offeren een zo onnatuurlijke zonde, dat zij daaraan wel ten allen tijde mogen herinnerd worden: Er is bloed in haar handen, onschuldig bloed, het bloed van haar eigen kinderen, die zij door het vuur hadden laten doorgaan, vers 37, niet om ze de afgoden te wijden, maar om ze te verteren, ten teken dat zij haar afgoden meer liefhadden dan wat haar op de wereld het naast aan het hart moest liggen.
3. Zij hebben de heilige dingen ontheiligd, waarmee God haar verwaardigd en onderscheiden had. Dat hadden zij Mij gedaan, deze smaad, deze hoon, vers 38. Elke belediging van wat heilig is, gaat Hem aan, die de fontein van alle heiligheid is, wijl wat heilig is met Hem in onmiddellijk verband staat. God had Zijn heiligdom in hun midden opgericht, maar zij hadden het verontreinigd, door er een huis van koophandel, een kuil van moordenaren van te maken, ja, nog erger, gij hebt er uw afgoden gezet en het bloed van Zijn profeten vergoten. God had haar Zijn heilige sabbaten gegeven, maar zij hadden die ontheiligd, door allerlei slaafsen arbeid, of wellicht door allerlei ongeoorloofde ontspanning en uitspanning op die dag, door de overheid veroorloofd en zelfs aangemoedigd. Zij hebben Mijn heiligdom ten zelf dage verontreinigd en Mijn sabbaten ontheiligd, vers 38. Het heiligdom te verontreinigen was erg genoeg op iedere dag, maar dat op een Sabbatdag te doen, maakte de zonde nog ernstiger. Wij zeggen gewoonlijk: hoe beter dag, hoe beter daad. Maar hier was het: hoe beter dag hoe slechter daad. God geeft acht op de omstandigheden, die de zonde en de schuld vermeerderen. Hij toont, vers 39, wat hun ontheiliging beide van het heiligdom en de Sabbat betekende. Zij hebben haar kinderen aan haar drekgoden geslacht, tot smaad voor God en de menselijkheid, en kwamen dan, op dienzelfden dag, hun handen bezoedeld en hun klederen bevlekt met het bloed harer kinderen, om de dienst in Gods heiligdom bij te wonen, niet om vergeving te zoeken voor wet zij gedaan hadden, maar om zich gelijk andere Israëlieten deden, voor God te stellen, in de verwachting door Hem aangenomen te worden, ondanks de goddeloosheid, waaraan zij zich schuldig hadden gemaakt, alsof God hun misdaad niet had gezien of niet haatte. Zo verontreinigden zij Zijn heiligdom, als ware dat een toevluchtsoord voor de ergste misdadigers, want dat deden zij in het midden van Zijn huis. Zie, het is een ontheiliging van Gods heilige ordinantiën, wanneer onbeschaamde, openbare overtreders zich zonder blikken of blozen onder degenen mengen, die Hem in Zijn heiligdom vereren. "Geeft het heilige de honden niet. Vriend, waartoe zijt gij hier?"
4. Zij hebben met vreemden verbonden gesloten, zijn daarop trots geweest en hebben daarop vertrouwd. Ook dit wordt overspel genoemd, want het was God verlaten, Wien alleen zij haar hulde moesten brengen, en in Wien alleen zij haar vertrouwen moesten stellen. Israël was een bijzonder volk, dat alleen moest wonen en onder de heidenen niet zou gerekend worden. Zij ontheiligden haar kroon en legden die in het stof, wanneer zij zich met de heidenen gelijk stelden en zich met hen verbonden. En dit hebben zij nu gedaan, zij hebben een innig verbond gemaakt met de Assyriërs, met de Chaldeën, en met de Egyptenaren, de beroemdste en machtigste rijken van die tijd. Zij wilden zich niet verbinden met de rijkjes en staatjes, die aan haar land grensden, en waarvan zij wellicht meer nut konden gehad hebben. Zie, de vriendschap en gunst van de groten zoeken is dikwijls voor godvrezenden een valstrik geweest. Laat ons zien hoe Jeruzalem haar voorname bondgenoten bewierookt, om zich zelf daardoor groot te maken.
a. Zij heeft heimelijk gevraagd, dat haar een openbaar gezantschap zou gezonden worden, vers 40, zij heeft gezonden tot mannen, die van verre zouden komen. Het schijnt, dat de buren zelf geen begeerte hadden, met Jeruzalem in verbond te treden, daarom wierp zij zich zelf op hen en zond ondershands om haar wens te kennen te geven, en zie, zij kwamen. De wijsten en besten kunnen soms onvermijdelijk in het gezelschap en de omgang van onheilige, goddeloze lieden geraken, maar het is geen teken van wijsheid of goedheid, zo iemand zulk gezelschap begeert en er naar zoekt.
b. Grote toebereidselen waren gemaakt om die vreemde gezanten te ontvangen, ze publiekelijk in te halen, en in publieke audiëntie te ontvangen, hetgeen vergeleken wordt met de pogingen van een overspeelster om zich bekoorlijk te maken. Evenals Izebel, hebt gij u gewassen, uw ogen geblanket en u met sieraad versierd, vers 40. De koning en de vorsten maakten zich nieuwe klederen, brachten de kamers hunner paleizen in goeden staat, verfraaiden hun meubelen en gaven alles een schoon aanzien. Zi zaten op een heerlijk bed, vers 41, een prachtige troon, voor hetwelk een tafel was toegericht, en op hetwelk zij Gods reukwerk en Gods olie hadden gezet. Dit was of
c. Een feest voor de gezanten, een feestelijk onthaal, overeenkomende met de overige toebereidselen. Er was wierook om de kamer met geur te vervullen, en olie om de hoofden te zalven. Of,
d. Er was reeds een altaar voor de gezanten gereed gemaakt, om hun afgoden te vereren, om hen te laten weten, dat de Israëlieten niet zo enghartig waren om vreemdelingen niet toe te laten, dat zij in Kanaän de vrije uitoefening van hun godsdienst hadden. Zij bereidden kapellen voor hen, ja, dreven de verdraagzaamheid zo ver, dat zij deel namen aan die heidense plechtigheden, al verbood Gods wet hun dat ook. Zij moesten er wat voor over hebben, een vriend ter wille te zijn. Olie en wierook noemt God het Zijne, niet alleen omdat het gaven van Zijn hand zijn, maar ook omdat Hij die bestemd had voor Zijn eigen altaar. Het was dus grote zonde, ze voor afgoden en afgodendienaars te gebruiken. Zie Hosea 2:8..
e. Er was grote vreugde bij hun komst, alsof Jeruzalem nooit zo'n voorrecht genoten had, vers 42 :het geruis van de menigte was daarop stil. Het volk was gerust, want het achtte zich thans veilig en gelukkig, nu het zulke machtige bondgenoten had, daarom haalde het hen met luide jubelkreten en vreugdegejuich in. Menigten volks stroomden bij die gelegenheid naar het hof. Zij zonden tot mannen uit de menigte van de mensen om de plechtigheden bij te wonen en ze luisterrijker te maken, en er werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn, die op de voorspoed en de zegen van dit grote verbond moesten drinken en anderen daartoe aansporen en alle mogelijke drukte maken. Wie zij ook waren, ter ere van de gezanten deden die wijnzuipers armringen aan haar handen, en een sierlijke kroon op haar hoofden, zodat de optocht nog schitterender werd.
I. God en Zijn profeten waarschuwden tegen zulke gevaarlijke verbonden met vreemden, vers 43 :Toen zei Ik van deze, die van overspelingen verouderd was, die van het begin af aan zo verzot was op bondgenootschap met de heidenen en vermaagschapping met hun families, Richteren 3:6, en later verbonden met hun koninkrijken, hoewel daarin menigmaal bedrogen, maar nimmer tot bezinning gebracht (in die hoererij was ze verouderd), -toen zei Ik: "Nu zullen zij hoereren de hoererijen van deze hoer, en die ook." De ervaring moest haar toch eindelijk geleerd hebben, dat een verbond tussen het Joodse volk en een heidens voor geen van beide ooit enig voordeel kon opleveren. Zij zijn ijzer en leem, die zich met elkaar vermengen, zo'n verbond kan God niet zegenen noch het goedkeuren. Maar het schijnt, dat de lange ervaring harer hoererijen, in plaats van haar ervan te genezen, gelijk men zou verwachten, haar te onbeschaamder en onverzadelijker gemaakt hebben, ondanks alle waarschuwing over haar dwaasheid. Men ging tot haar in, vers 44. Men werd het spoedig over de voorwaarden eens, een verbond kwam tot stand, nu met dit, dan met dat vreemd land. Samaria had zo gehandeld, en Juda deed zo, als schandelijke vrouwen. Zij konden niet tevreden zijn met de liefde van Gods wet en zorg, en de verzekering van Zijn bescherming, zij achtten Zijn verbond niet vast en veilig genoeg. Maar zij wierpen zich door overeenkomsten en verbonden, in haar voorzichtige politiek, naar zij geloofden, in de armen van buitenlandse vorsten en stelden zich onder dier bescherming. "Zie, die harten zijn het, die van God afhoereren, die behagen scheppen in de praal van de wereld, vertrouwen op haar weelde en vlees tot hun arm stellen," Jeremia 17:5.
II. Laat ze leren, de oordelen te verwachten, die om al deze zonden over haar komen zullen vers 45. Rechtvaardige mannen dan, die zullen ze richten. Sommigen houden de werktuigen van de verwoesting voor die rechtvaardige mannen, die ze zullen richten. De Assyriërs, die Samaria, en de Chaldeën, die Jeruzalem verwoestten, waren naar verhouding rechtvaardig, hadden een besef van recht tussen mensen en mensen en waren terecht verbolgen over het verraad van de Joden. Ook voerden zij Gods oordelen uit, die alle rechtvaardig waren. Anderen verstaan die woorden van de profeten, wier taak het was, in Gods naam, hen te richten en het vonnis over hen uit te spreken. Of wij kunnen ze beschouwen als een oproeping aan alle rechtvaardige mannen, aan allen, die gevoel voor recht bezitten, zij allen zullen aangaande die steden oordelen, dat ze rechtvaardiglijk verwoest zijn, zullen met haar vonnis instemmen wijl zij zich klaarblijkelijk aan hoererij en moord hebben schuldig gemaakt en die zonde een nationale is. Daarom moesten zij de straf en het oordeel dragen, welke de wet over die misdaden uitspreekt. Rechtvaardige mannen zullen zeggen: "Waarom zouden deze bloedvergietende, overspelige steden vrijkomen meer dan bloedvergietende, overspelige personen? "Oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard", Jesaja 5:3. Als dit oordeel door rechtvaardige mannen geveld is, zal de rechtvaardige God het ook uitvoeren. Zie hier
1. Wat de voltrekking zal zijn, vers 46, 47. Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, een vergadering van vijanden, die Zijn heilige doeleinden zullen dienen, terwijl zij menen, hun eigen zondige lusten en hartstochten te vieren. Deze vijanden zullen gemakkelijk de bovenhand krijgen, want God tal ze ter beroering en ten roof overgeven. Deze vergadering zal ze met stenen stenigen als misdadigers, zal ze met hun zwaarden nederhouwen, en, gelijk soms in strenge gerichten geschiedde (getuige dat van Achan) hun kinderen doden en hun huizen verbranden.
2. Wat daarvan het gevolg zal zijn.
a. Zij zullen op deze wijze om haar zonden lijden. Zij zullen uw schandelijkheid op u leggen, vers 49 :gij zult de zonden van uw afgoden dragen, vers 35, 49. Zo zal God de eer van Zijn gebroken wet en van Zijn gehoonde regering wreken, en de gehele wereld zal weten, dat Hij een rechtvaardig en ijverig God is.
b. Zo zullen zij haar zonden leren afzweren: Ik zal alzo de schandelijkheid uit het land doen ophouden, vers 27, 48. De verwoesting van Gods stad, evenals de dood van Gods heiligen, zal datgene uitrichten wat Zijn ordinantiën en zorg niet vermochten, ze zal haar zonde wegnemen, zodat Jeruzalem zal herrijzen als een nieuwe dag, als goud, dat uit het vuur komt, gereinigd van zijn schuim.
c. Zo zullen andere steden en volken gewaarschuwd worden om zich van de afgoden te onthouden. "Opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen." Dit is de bedoeling van de straf van misdadigers, dat zij waarschuwende voorbeelden zijn voor anderen, die het "zullen eren en vrezen. Sla de spotter zo zal de slechte kloekzinnig worden," Spreuk., 9:25. De oordelen Gods over enkelen moeten anderen leren, en gelukkig degenen, die daardoor onderwezen worden, niet te wandelen op de weg van de zondaren, opdat zij in die strik niet gevangen worden. Wie zich zo laten leren, moeten weten, dat God de Heere Heere is, vers 49, dat Hij de wereld regeert, een God, die de aarde richt, en bij Wien geen aanneming des persoons is.