Ezechiël 21:8-17
Hier vinden wij nog een profetie van het zwaard, die op indrukwekkende wijze wordt verkondigd, de hier gebruikte uitdrukkingen zijn enigszins duister en moeilijk voor uitleggers. Het zwaard was in de voorafgaande verzen uit de schede getrokken, hier wordt het bereid voor zijn werk, dat de profeet geboden wordt, te bewenen.
Merk op,
I. Hoe het zwaard hier beschreven wordt.
1. Het is geslepen, opdat het verwonde en snijde, en een slachting aanricht De toorn Gods zal het scherpte geven, welke werktuigen het Gode ook behage te gebruiken, Hij zal ze met kracht moed en volharding toerusten, naar de dienst waartoe ze geroepen worden. "Uit de mond van Christus gaat een scherp zwaard," Openbaring 19:15.
2. Het is gepoetst, opdat het glimt, tot schrik dergenen, tegen wie het gekeerd is. Het is een soort vlammend zwaard. Indien het door niets-doen in de schede verroest mocht zijn, zal het gewreven en gepoetst worden al schijnt Gods rechtvaardigheid voor een tijd verduisterd te zijn gedurende de dag van Zijn lankmoedigheid, ze zal weer glinsteren en schijnen.
3. Het is een overwinnend zwaard, waartegen niets bestand zal blijken, vers 10. het is Mijns zoons roede, welke alle hout versmaadt. Israël heeft God eenmaal gesproken, is Mijn zoon Mijn eerstgeborene. De overheid van dat volk was een roede, een sterke roede, genoemd, Hoofdstuk 19:11 :Hij had sterke roeden tot scepters van de heersers. Maar wanneer het zwaard van Gods gerechtigheid getrokken is, dan versmaadt het alle hout, acht het niets als ware dit ook een sterke roede, de roede Mijns zoons is sterker dan alle ander hout. Als Gods belijdend volk tegen Hem opgestaan is, en tegen Hem rebelleert, dan versmaadt Zijn zwaard het. Wat is het voor Hem, boven andere volken? De (Engelse) kanttekening geeft een andere verklaring: "Het is de roede Zijns Zoons, wij weten van wie God gezegd heeft", Psalm 2:7 "Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd", en: "Gij zult ze verpletteren met een ijzeren scepter", vers 9. Dit zwaard is die ijzeren scepter, die alle hout versmaadt en weerhoudt. Of: dit zwaard is Mijns zoons roede, een kastijdende roede, tot betering van Gods overtredend volk, 2 Samuël 7:14, maar niet om het als volk uit te roeien. Het is voor anderen een zwaard, voor Mijn zoon een roede.
II. Hoe het zwaard hier in de hand van de beul gegeven wordt. Het is Mijns zoons roede, en gegeven, opdat men het met de hand hanteren zou, vers 11, opdat het gebruikt worde voor het doel, waartoe het geveegd is. Het wordt gegeven niet in de hand van de schermmeester, om er mee te spelen, maar van de doodslager, om er mee te doden. Het oorlogszwaard gebruikt Mijn Zoon als het zwaard des gerichts en alle oordeel is Hem overgegeven. Het is glinsterend gemaakt, vers 15, het is ingewonden, om in goeden staat en schoon gehouden te worden, en scherp tegen de dag van de slachting, niet als Goliaths zwaard, dat in een kleed gewonden was, alleen bewaard als aandenken, 1 Samuël 21:9.
III. Waarheen het zwaard wordt gezonden en tegen wie vers 12 :Dat zal zijn tegen Mijn Volk, zij zullen vallen door dit zwaard. Het wordt hier herhaald als iets nauwelijks te geloven, dat het zwaard van de heidenen tegen Gods eigen Volk zal gekeerd worden, ja tegen alle de vorsten Israëls, hun waardigheid en macht als vorsten zal hun meerdere waarborg zijn dan hun godsdienst en belijdenis. Maar, wanneer het zwaard te eniger tijd tegen Gods Volk gewet wordt, hebben zij dan in zichzelf niet genoegzaam troost om zich tegen zo iets vreselijks te wapenen? Ja, dat hebben zij, zolang zij zich als Zijn volk gedragen. Maar dat hadden ze niet gedaan, en daarom zullen verschrikkingen vanwege het zwaard op hen vallen, die zich Mijn volk noemen. Zie, terwijl godvruchtigen vrij blijven niet alleen van het kwaad, maar ook van de vreze des kwaads, worden goddelozen niet enkel door het zwaard verschrikt, maar ook door de vreze ervoor, opkomende uit het besef hunner eigene schuld. Het zwaard wordt vooral gezonden tegen de groten, want die waren de grootste zondaars geweest, "die hadden tezamen het juk verbroken en de banden verscheurd," Jesaja 5:5. Daarom geldt Gods toorn bijzonder hen, die de belhamels in de zonde geweest weren. Het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden, is het zwaard van de groten, die verslagen zullen worden, vers 14. Ofschoon zij zichzelf van schuilplaatsen hebben voorzien, waar zij zich vleien, veilig te zullen zijn, zullen zij bevinden, dat het zwaard tot hen in de binnenste kamers indringen zal en hen aldaar vinden, zoals de kikvorsen in een van de Egyptische plagen toegang vonden tot in de kamers van de vorsten. Het zwaard, de punt des zwaards is gezet tegen alle hun poorten, vers 15, tegen al die dingen, waarmee wij meenden het buiten te kunnen houden en zich te versterken. Zie, de sterkste poorten, al waren zij koperen poorten, nog zo goed versperd, nog zo goed bewaakt, zijn geen bescherming tegen de punt des zwaards van Gods oordelen. Maar wanneer dat tegen zondaars gewet is,
1. Zijn zij geneigd, het ergste te vrezen hun harten bezwijken, zodat zij tot allen tegenstand onbekwaam zijn.
2. Het ergste komt, wat voor tegenstand zij ook bieden, het baat niet, zij worden aangestoten, hun aanstoten vermenigvuldigen. Maar wat behoeven wij de bijzondere taak van dit zwaard na te gaan, als het een algemene taak heeft als het gaat waarhenen Zijn aangezicht gesteld is? vers 16. Houd u bijeen, o zwaard, keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, gij zult overal kwaaddoeners vinden, want niemand is onschuldig. Gij zijt met gezag over hen bekleed, want niemand is van de straf vrijgesteld, en daarom, waarheen Uw aangezicht gesteld is, welke weg gij ook kiest, ge, gelijk Jonathans zwaard, dat "van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden niet achterwaarts werd gedreven, Samuël 1:22, waar wel sprake is van Jonathans boog, maar welke woorden toch ook op zijn zwaard van toepassing zullen geweest zijn, zie 1 Samuël 14:2. Zie, zo vol is de wereld van goddeloze mensen, dat waarheen Gods oordelen zich ook wenden, zij overal werk vinden en wat te doen hebben. Dat vuur zal nimmer, bij gebrek aan brandstof, uitgaan. En zulke verschillende wegen heeft God om zondaren met het zwaard van Zijn gerechtigheid te vellen, dat het er nog mee is als met het zwaard, dat het eerst met "vlammend lemmer zich omkeerde, dat is, overal ineensloeg" Genesis 3:24.
IV. Wat de aard is van dit zwaard, en wat de bedoeling en de beperking van zijn dienst onder het volk van God zijn, vers 13. Het is tot verbetering, het zwaard is een roede voor hen. Dit is een troostvol woord, te midden van zoveel verschrikkende, ofschoon enigszins onduidelijk uitgedrukt.
1. Het Volk Gods begint te vrezen, dat er dan ook geen versmadende roede zal zijn, dat het zwaard zal voortgaan met zo'n blinde woede, dat het zijn roeping vergeet, namelijk een roede te zijn, dat het de gestelde perken te buiten gaat en inderdaad een zwaard wordt, zelfs voor Gods eigen Volk. Zij vrezen, dat het Chaldeeuwse zwaard, de roede van Gods toorn, zijn roeping als roede klein achtende, zal worden als "een bijl, die zich beroemt tegen die die daarmee houwt, ls ware het geen hout", Jesaja 10:15. Of: "zou er dan ook geen versmadende roede zijn?" dat is: wat zou het zijn, als dit zwaard de vorige roeden, als die van Sanherib, beschaamd maakte, als hadden die niets uitgericht? Wat zou het zijn, als dit niet een verbeterende roede, maar een verdelgend zwaard bleek te zijn, die aan kerk en staat beide tegelijk een einde maakte? Daarvoor zijn de wel nadenkende, maar vreesachtige zielen bang. Zie, wanneer naderende onheilen dreigen, dan is het goed het ergste te onderstellen, dat er uit voort zal vloeien, opdat wij daartegen op onze hoede zijn. Wat zou het zijn, indien het zwaard zelfs stam of scepter niet spaart? namelijk die van Juda en het huis Davids (zo vertalen sommigen het woord Shebet), wat, indien het de ondergang van onze regering bedoelde? Als dat geschiedt, "de Heere is rechtvaardig en zal desniettegenstaande genadig zijn." Maar,
2. Deze vrees wordt gerustgesteld door de verzekering, dat het niet zo zijn zal, het zwaard zal zich zelf niet vergeten, noch de zending, die het opgedragen is, het is ter beproeving, en niets meer dan een beproeving Hij, die het zendt, maakt er een gebruik van en gebiedt halt naar Hem behaagt. Zijn trotse golven zullen hier ophouden. Zie, het is een oorzaak van grote troost voor Gods Volk, wanneer Zijn oordelen daar zijn en dat volk beeft uit vreze ervoor, dat, wat ze ook voor anderen zijn, ze voor Zijn kinderen slechts als beproevingen bedoeld worden. Wanneer zij beproefd worden, komen ze er uit als gelouterd goud, en de beproeving huns geloofs zal blijken, deszelfs versterking te zijn.
V. Hier moesten de profeet en het volk tonen, in deze bedreigde oordelen levendig belang te stellen.
1. De profeet moet in volle ernst deze oordelen aankondigen. Hij moet zeggen: Het zwaard, het zwaard! vers 9. Laat hem geen schone woorden bedenken, geen verscheidenheid van uitnemende uitdrukkingen. Wanneer de stad in brand staat, geeft men daarvan geen beredeneerd verslag, maar roept met verschrikte stem: "Brand, brand!" Zo moet de profeet roepen, Het zwaard, het zwaard! en, vers 14 :Het zwaard zal in uw prediking verdubbeld worden ten derden male. God spreekt eenmaal, ja tweemaal, ja driemaal, het zou goed zijn, zo de mens tenslotte daarop letten wilde. Het zal in Gods Voorzienigheid ten derden male verdubbeld worden, want het was Nebukadnezars derde inval en tocht tegen Jeruzalem, die er ten enenmale een eind aan maakte. De verwoesting komt allengs, maar komt tenslotte inderdaad, over een God tergend volk. Toch is dit niet alles, de profeet is niet alleen wapenheraut om de krijg uit te bazuinen, en te roepen: Het zwaard, het zwaard! een en andermaal, en ten derden male, maar als iemand, die er nu in betrokken is, moet hij schreeuwen en huilen, vers 12, moet droevig de verwoesting bewenen, die het zwaard zal maken, als iemand, die niet alleen medegevoelt met de lijders, maar zelf mee lijdt opnieuw, vers 14, Profeteer en sla hand tegen hand, wring de handen, als om de verwoesting te beklagen, of klap in de handen, als om degenen, die er de werktuigen van zullen zijn, op te roepen en aan te sporen, of als iemand, die verbaasd staat voor het plotselinge en strenge van de oordelen. De profeet moet hand tegen hand slaan, want, zegt God, Ikzelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, vers 17. God spreekt in ernst, als Hij deze straf over hen uitspreekt, en daarom moet de profeet ook zelf in ernst spreken, wanneer hij die straf mededeelt. Dat God de handen tegen elkaar slaat, en dat de profeet zulks doet, is een teken van heilige verontwaardiging over des volks goddeloosheid, die inderdaad verbazingwekkend mocht genoemd worden. "Toen Balaks toorn tegen Bileam was ontstoken, sloeg hij ook de handen samen," Numeri 24:10. Zie, God en Zijn dienaren zijn terecht verbolgen tegen degenen, die gered konden worden, maar hun verderf verkiezen. Sommigen zien er een uitdrukking van triomf en verheffing, overeenkomende met Jesaja 1:24 :"Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders" en met Spreuken 1:26 : "Ik zal ook in ulieder verderf lachen. En zo volgt hier: Ik zal Mijn grimmigheid doen rusten, " niet alleen zal zij volbracht, maar ook voldaan wezen. En merk op met welke plechtigheid en met welk ontzag dit vonnis wordt bekrachtigd: "Ik, de Heere, heb het gesproken, die waar kan en waar zal maken wat Ik gezegd heb". Ik heb het gesproken en zal het nimmer herroepen. Ik heb het gesproken, en wie zal het tegenspreken?
2. Het volk moest de aankondiging van deze oordelen evenzo ernstig opnemen, vers 10 :Of wij dan zullen vrolijk zijn? schijnt, als tussen haakjes, op zo'n oppervlakkige kennisneming te doelen. Aangezien God het zwaard getrokken heeft en de profeet schreeuwt en zucht, zullen wij dan vrolijk zijn? De profeet schijnt hierin mee en reden te vinden om te zuchten, gelijk Nehemia, Nehemia 2:3, "Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad mijner vaderen met vuur verteerd is". Zie, alvorens wij aan vrolijkheid toegeven, moeten wij bedenken, of wij vrolijk zullen zijn. Zouden wij vrolijk zijn, wij, die ten zwaarde gedoemd zijn, die onder Gods toorn en vloek liggen? Zullen wij vrolijk zijn als andere lieden, die van onze God afhoereren? Hoz. 9:1. Zouden wij nu vrolijk zijn, nu Gods hand tegen ons is uitgegaan, nu Gods oordelen over het land komen en Hij daardoor "roept tot geween en tot rouwklage?" Jesaja 22:11, 13. Zullen wij nu vrolijk zijn als koning Ahasveros en Haman, toen de kerk in grote rouw was, Esth. 4:3, en ons niet bekommeren over de verbreking van Jozef? Amos 6:6.