Psalm 2:7-9
Wij hebben gehoord wat de koningen van de aarde te zeggen hebben tegen Christus koninkrijk, en hebben het horen weerspreken door Hem, die in de hemel zit. Laat ons nu horen wat de Messias zelf te zeggen heeft voor Zijn koninkrijk en om zijn recht er op te bewijzen het is hetgeen al de machten op aarde niet kunnen tegenspreken.
I. Het koninkrijk van de Messias is gegrond op een raadsbesluit, een eeuwig raadsbesluit van God de Vader. Het was geen plotseling opgekomen besluit, het was geen proefneming, maar het resultaat van de rand van de Goddelijke wijsheid en de bepaling van de Goddelijke wil van voor de grondlegging van de wereld, die niet veranderd kunnen worden. Het gebod, of het statuut, zo lezen het sommigen, het verbond of de overeenkomst, zo lezen het anderen, de verbondshandelingen tussen de Vader en de Zoon betreffende des mensen verlossing voorgesteld door het verbond van het koningschap, gemaakt met David en zijn zaad, Psalm 89:4. Onze Heere Jezus zelf heeft daar dikwijls naar verwezen als hetgeen, dat Hem bij Zijn onderneming steeds ten richtsnoer is geweest: "Dit is de wil desgenen, die Mij gezonden heeft," Johannes 6:40, "Dit gebod heb Ik van Mijnen Vader ontvangen," Johannes 10:18, 14:31.
II. Er is een bekendmaking van dat besluit in zoverre het nodig was voor de voldoening van allen, die geroepen zijn en tot wie het bevel is uitgegaan om zich als onderdanen aan deze Koning te onderwerpen, en om diegenen zonder verontschuldiging te laten die niet willen dat Hij Koning over hen zal zijn. Het raadsbesluit was geheim, het was wat de Vader zeide tot de Zoon, toen Hij Hem bezat in het begin Zijns wegs, voor Zijn werken van toen aan, maar het is bekend gemaakt door een getrouwe Getuige, die van eeuwigheid in de schoot Zijns Vaders was en in de wereld is gekomen els de Profeet van de kerk, om Hem te verklaren, Johannes 1:18. De bron van alle bestaan is ongetwijfeld ook de bron van alle macht, en het is door, van en onder Hem dat de Messias aanspraak maakt op het recht om te regeren, daar Hem de toezegging daarvan gegeven is door Jehovah, door wiens woord alle dingen gemaakt zijn en bestuurd worden. Christus bewijst hier een tweeledig recht op Zijn koninkrijk.
1. Een recht door erfenis, vers 7. Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. Dit Schriftwoord wordt aangehaald door de apostel Hebreeën 1:5, om te bewijzen, niet alleen dat Christus een uitnemender naam heeft dan de engelen, maar dat Hij hem verkregen heeft door erfrecht, vers 4. Hij is de Zoon van God, niet door aanneming, maar Hij is Zijn geboren, Zijn eengeboren Zoon, Johannes 1:14. En de Vader erkent Hem en wil dit bekend gemaakt hebben aan de wereld, als de reden waarom Hij tot Koning is gesteld op de heilige berg Zion, daarom heeft Hij ontwijfelbaar recht op, en is Hij volkomen bevoegd en bekwaam voor dat grote ambt. Hij is de Zoon van God, en dus van dezelfde natuur als de Vader, heeft in zich al de volheid van de Godheid, oneindige wijsheid, macht en heiligheid. Het opperbestuur over de kerk is een te hoge eer en een te zware taak voor een bloot schepsel, niemand kan daar geschikt voor zijn dan Hij, die een is met de Vader, van eeuwigheid af bij Hem is geweest als een voedsterling, en dus volkomen bekend is met Zijn raad, Spreuken 8:30. Hij is de Zoon van God, en Hem dus dierbaar, Zijn geliefde Zoon, in wie Hij een welbehagen heeft, en dieswege moeten wij Hem ontvangen en aannemen als een Koning, want "omdat de Vader de Zoon liefheeft, heeft Hij alle dingen in Zijn hand gegeven," Johannes 3:35, 5:20. Een Zoon zijnde, is Hij erfgenaam van alle dingen, en daar de Vader de werelden gemaakt heeft door Hem, is hier gemakkelijk uit af te leiden dat Hij ze ook door Hem regeert, want Hij is de eeuwige wijsheid en het eeuwige Woord. Als God tot Hem gezegd heeft: Gij zijt Mijn Zoon, dan betaamt het aan een ieder onzer om tot Hem te zeggen: "Gij zijt mijn Heere, mijn Soeerein." Om er ons nog verder van te overtuigen dat Zijn koninkrijk gegrond is op Zijn Zoonschap, wordt ons hier gezegd waar Zijn Zoonschap op gegrond is: Heden heb Ik U gegenereerd, hetgeen verwijst beide naar Zijn eeuwige generatie zelf, want het is aangehaald, Hebreeën 1:5, om te bewijzen dat Hij "het afschijnsel is van des Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid," vers 3, en naar het bewijs er van door Zijn opstanding van de doden, want ook daarop wordt het door de apostel uitdrukkelijk toegepast, Handelingen 13:33, "Hij heeft Jezus verwekt gelijk geschreven is, Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd." Het was door de opstanding van de doden, het teken van de profeet Jona, dat het overtuigendste van alle moest wezen, dat Hij "krachtiglijk is bewezen te zijn de Zoon van God," Romeinen 1:4. Christus wordt gezegd te zijn "de eerstgeborene uit de doden," Openbaring 1:4, coloss. 1:18. Terstond na Zijn opstanding heeft Hij het bestuur van Zijn Middelaars-koninkrijk op zich genomen, het was toen dat Hij zei: Mij "is gegeven alle macht," en daarop inzonderheid had Hij het oog, toen Hij Zijn discipelen geleerd heeft te bidden: "Uw koninkrijk kome."
2. Een recht door overeenkomst, vers 8, 9. In korte woorden luidt de overeenkomst aldus: de Zoon moet het ambt op zich nemen van voorspraak, en op die voorwaarde zal Hij de eer en de macht hebben van een universeel monarch, zie Jesaja 53:12 :"Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen omdat Hij voor de overtreders gebeden heeft. Hij zal priester zijn op Zijn troon, en de raad des vredes zal tussen die beide wezen," Zacheria 6:13.
A. De Zoon moet vragen, vers 8. Dit onderstelt dat Hij zich vrijwillig in een staat van ondergeschiktheid aan en van afhankelijkheid van Zijn Vader gesteld heeft, door de menselijke natuur aan te nemen, want als God was Hij in macht en heerlijkheid gelijk aan de Vader en had Hij niets te vragen. Het onderstelt het doen van een vergoeding of voldoening, krachtens welke de voorbede gedaan moet worden, en het betalen van een prijs, waarop deze grote eis gegrond was, zie Johannes 17:4, 5. Door de heidenen tot Zijn erfdeel te vragen, heeft de Zoon niet slechts Zijn eigen eer op het oog, maar ook hun geluk, hun heil in Hem, zodat Hij voor hen bidt, en Hij leeft eeuwig om dit te doen, en daarom kan Hij ook volkomen zalig maken.
B. De Vader zal Hem meer dan de helft van Zijn koninkrijk schenken, namelijk het koninkrijk zelf. Hier wordt beloofd:
a. Dat Zijn heerschappij universeel zal zijn, Hij zal de heidenen hebben tot Zijn erfdeel, niet alleen de Joden, tot wier volk de kerk gedurende lange tijd beperkt was, maar ook de heidenen, zij die aan de einden van de aarde zijn (zoals ons volk) zullen Zijn bezitting wezen, en Hij zal grote menigten van trouwe onderdanen onder hen hebben. Gedoopte Christenen zijn de bezitting van de Heere Jezus, zij zijn Hem tot een naam en een lof, God de Vader geeft hen aan Hem, als Hij door Zijn Geest en genade op hen werkt om hun hals te buigen onder het juk van de Heere Jezus. Dit is ten dele vervuld geworden, een groot deel van de heidenwereld heeft het Evangelie ontvangen toen het voor het eerst gepredikt werd, en Christus' troon werd opgericht ter plaatse, waar lange tijd Satans zetel geweest is. Maar het moet nog verder vervuld worden, als "de koninkrijken van de wereld onzes Heeren zullen geworden zijn en van Zijn Christus," Openbaring 11:15. Wie zal leven als God dit doen zal. b. Dat zij zegevierend zal zijn. Gij zult hen, degenen namelijk die Uw koninkrijk tegenstaan, verpletteren met een ijzeren scepter, vers 9. Dit is ten dele vervuld geworden toen het volk van de Joden diegenen, die volhardden in ongeloof aan en vijandschap tegen Christus' Evangelie verstrooid werd door de Romeinse macht, welke voorgesteld werd in Daniël 2:40 door voeten van ijzer, gelijk hier door een ijzeren scepter. Het had nog een verdere vervulling in de verwoesting van de heidense machten toen de Christelijke Godsdienst gevestigd werd, maar het zal niet volkomen vervuld worden voordat iedere tegenstaande heerschappij, macht en kracht teniet zal gedaan zijn, 1 Corinthiers 15:24. Zie Psalm 110:5, 6.
Merk op hoe machtig Christus is, en hoe zwak de vijanden van Zijn koninkrijk zijn voor Zijn aangezicht. Hij heeft een ijzeren scepter om hen te verpletteren, die zich niet willen onderwerpen aan Zijn gouden scepter, zij zijn slechts een pottenbakkersvat voor Zijn aangezicht, plotseling, gemakkelijk en onherstelbaar door Hem in stukken gebroken, zie Openbaring 2:27. "Gij zult het doen, Gij zult verlof hebben om het te doen." Veeleer zullen volken ten ondergang worden gebracht dan dat de Evangeliekerk niet gebouwd zal worden. "Ik heb u liefgehad, daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven," Jesaja 43:4. "Gij zult macht hebben om het te doen, niemand zali voor Uw aangezicht kunnen bestaan, Gij zult het krachtdadiglijk doen." Zij, die niet willen buigen, zullen breken.
Bij het zingen en biddend overdenken hiervan, moeten wij eer en heerlijkheid toebrengen aan Christus, als de eeuwige Zoon van God en onze rechtmachtige Heere, en troost ontlenen aan deze belofte en er op pleiten bij God, dat het koninkrijk van Christus uitgebreid en bevestigd zal worden en over alle tegenstand zal zegevieren.