15. En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, waarmee Hij tegen Zijn vijanden strijd voert (
Hoofdstuk 2:16), opdat Hij daarmee de heidenen slaan zou en een bloedige ondergang bereiden. En Hij zal hen hoeden meteen ijzeren roede, hen volgens
Psalm 2:9 Zijn ijzeren scepter laten voelen, zodat Hij hen als pottebakkersvaten vermorzelt (
Hoofdstuk 12:5). En Hij treedt, volgens
Jesaja 63:5, de wijnpersbak van de wijn van de toorn en de gramschap van de almachtige God, de pers, die de wijn, namelijk het bloed van de vijanden (
Hoofdstuk 14:20) laat uitlopen en door de grimmigheid van de almachtige God is gemaakt.
Wij staan hier aan de drempel van een waarheid, die daarom voor de gemeente grotendeels geheel verloren is gegaan, omdat men zich heeft gewend, deze terugkomst van de Heere, die naar de grondtekst met het woord paroesie genoemd wordt, met die op de jongste dag te verwisselen. Zeker spreekt de Heilige Schrift slechts van één dag van de Heere, of dag van God; maar zij onderscheidt even zo bepaald de verschijning van de Heere, die wij in dit gezicht voor ons hebben, van de toekomst van de Heere tot het algemene wereldgericht. Reeds de discipelen onderscheiden bij hun vraag in Mattheus 24:3 de paroesie van de Heere van het einde van de wereld. Dat doet de Heere ook in Zijn antwoord; nadat Hij daar (Mattheus 24:27-31) over zijn paroesie heeft gehandeld, spreekt Hij (Mattheus 25:31) van het komen van de Mensenzoon tot het wereldgericht. Zo ook veronderscheidt Paulus tussen beiderlei toekomst van de Heere. In al de plaatsen, waarin Hij zich in de grondtekst van de uitdrukking paroesie bedient (bijv. 1 Thessalonicenzen 2:19; 3:13; 4:15; 5:23. 2 Thessalonicenzen 2:1, 8) bedoelt hij die toekomst van de Heere, die dit gezicht, dat wij behandelen, ons schildert, maar in 1 Corinthiërs 15:23, onderscheidt hij nadrukkelijk de paroesie van het einde, dat dan komt, als MATTHEUS 25:31, en Openbaring 0:11, worden vervuld. Dat deze duidelijke leer van het onderscheid tussen de paroesie van de Heere en het einde voor de gemeente bijna verloren is gegaan, zal waarschijnlijk daarin zijn grond hebben, dat, sinds Augustinus is voorgegaan, de leer van de Schrift over het duizendjarig rijk aan de Kerk is onthouden. Omdat volgens de gedachte van die overigens zo grote man uit de rij van de kerkvaders, het duizendjarig rijk nu sinds lang tot het verleden moet behoren, verklaarde men alle plaatsen, die over de zichtbare terugkomst van de Heere handelen, van het einde van de wereld en verwarde het oordeel, dat de Heere bij Zijn paroesie houdt, met het laatste oordeel. Omdat echter de Schrift slechts van één dag van de Heere weet, wordt juist over hetgeen tussen de paroesie van de Heere en Zijn komst ten oordeel ligt, het woord vervuld, dat één dag voor God is als duizend jaren: de dag van de Heere begint met Zijn paroesie en eindigt met het laatste oordeel.
In Daniël 9:26 v. hoorden wij, dat Christus midden in de 70e jaarweek zou worden uitgeroeid; de satan wist door menselijke werktuigen (Openbaring 2:4) de jaarweek van de verlossing, die in Christus voor het volk van Israël was opgegaan, midden door te delen, zodat Jezus met Zijn voorloper Johannes samen slechts 3 ½ jaar zijn profetisch ambt op aarde heeft kunnen volbrengen en vervolgens snel terzijde is gesteld. Als een tegenbeeld wordt nu ook volgens Daniël 7:25 v. de antichrist door de verschijning van Christus midden in de week van zijn schrikbewind of na 3 ½ jaar te gronde gericht en omgebracht. Zo duurt ook de heerschappij van de anti-christelijke tijdgeest in Openbaring 1:7, niet langer dan 3 ½ jaar, terwijl de weder opwekking van de twee gedode getuigen reeds na drie dagen (in profetische zin) en een halve volgt.
In de aanvang van het boek treedt de verheerlijkte Mensenzoon als Hogepriester met het lange gewaad en de gouden gordel voor Zijn gemeente op. Zijn sneeuwwit hoofd was zonder kroon, als nog een onzichtbaar Koning zijnde, aan wie alles nog niet onderworpen was. Wel doet zich aan ons in Zijn voeten van stralend erts, in Zijn donderende rede en in het slagzwaard van Zijn mond de Koning duidelijk voor, evenwel is Hij daar meer een priester. Hier evenwel wijkt de priester meer terug en de overwinnende koning treedt meer op de voorgrond. Als een geducht held spoedt Hij op een wit strijdros naar het slagveld vol toorn tegen Zijn vijanden, met vele diademen op Zijn hoofd, het bloedrood koningspurper om de leden, door de hemelse legerschaar begeleid, een Koning der koningen, een Heer der heren. In het visioen van het eerste zegel reed Hij op een wit triomfros, als gekroond overwinnaar, de wereld door. De drie volgende ruiters hebben Zijn zege evenwel zeer verduisterd en de vierde ruiter, de dood en de hades, scheen Zijn sinds de Pinksterdag zo glorierijk spoor geheel uit te wissen. Nu evenwel komt Hij als eeuwig overwinnaar op Zijn wit strijdros. In de zeven zegels was Jezus onder het zinnebeeld van het Lam met de zeven ogen en de zeven horens voorgesteld en nog Hoofdstuk 17:14, waar Zijn terugkomst ten gerichte over de antichrist aangekondigd is, heet Hij het Lam. De zeven zegels zijn evenwel niet met Hoofdstuk 18 geëindigd en Jezus treedt nu niet meer als Lam, maar als Koning, in koninklijke majesteit en heerlijkheid op. De antichrist heeft, met de koningen van de opgang en de ondergang van de zon, Europa verwoest en is nu naar Jeruzalem getogen, om de verzamelde Joden-christenen te vernietigen. Hij belegert juist de stad, heeft haar reeds ten dele ingenomen, het Turkse gebroed, onder Gods toelating, vreselijk getuchtigd en is weldra gereed om deze Joden-christenen op de wreedste wijze te martelen. Plotseling evenwel scheurt zich de hemel en Christus daalt met al Zijn heiligen of de Olijfberg neer (Joël 3:21 Zacharia 14:3-5).
De vurige ijver, die uit Zijn ogen straalt, slaat hen reeds neer en het meest zijn zij verschrikt, die voorgaven het minst vervaard te wezen. En al zijn kronen op de tien koningen, de tien horens van het zevende hoofd; Jezus Christus, de Koning der koningen en de Heere der heren is alleen ver, oneindig ver verheven boven al die koningen en hun kronen. Van de tijd van Farao af heeft Hij de heidense wereldmacht in vele van haar openbaringen vaker vernietigd; Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Al nemen deze koningen de meest weidse en trotse namen aan, al roemen zij in hun hoogheid, al noemen zij zich "heren der aarde", zo lasterend de naam van Hem, die alleen een Heere der aarde is, Jezus heeft een naam, die niemand kent dan Hij alleen: Verbleken moeten daarvoor alle namen van de lastering, die daar zijn op de hoofden van het beest. Johannes ziet die in een verblindende glans, die hem belet die heerlijke naam te lezen, zoals hij ook niet in staat is die uit te spreken. Maar dit is hem toch openbaar, dat het een naam is van oneindige heerlijkheid. "Niemand kent de Zoon dan de Vader alleen; " merken wij op. Wij kunnen ons geen te hoge gedachten vormen van de Zoon van de Vader, maar ofschoon de Kerk Zijn onuitsprekelijke heerlijkheid niet bevatten of uitspreken kan, ootmoedig erkent zij die nochtans. Deze naam, die niemand weet dan Jezus zelf, doelt op het hoogste, dat in het Evangelie van Johannes van Hem gezegd wordt: "Hij en de Vader zijn één. " Voor hen, die in waarheid roemen in Christus Jezus als hun Heer, moet het een onuitsprekelijke blijdschap zijn, dat zij weten, dat Hij een naam heeft, Hem alleen bekend. Maar de onnaspeurlijke diepte van Zijn wezen maakt slechts een deel uit van hetgeen onze Heiland eigen is. Er is nog meer in Hem: Hij draagt ook nog andere namen. Maar "Heiland", dat zou Hij ook niet kunnen zijn, wanneer men Zijn oneindige rijkdom geheel kon verstaan, en wanneer wij ten volle konden doorgronden, wat de hoogte en diepte van Hem is. Dat gaat alle verstand en alle wetenschap oneindig ver te boven. Geloofd zij de naam van Zijn heerlijkheid! Geloofd de Heere der heren in eeuwigheid! Geloofd en geprezen tot aan de uiterste einden der aarde! Zo vraagt de profeet Jesaja: "Wie is deze, die van Edom komt met besprenkelde kleren van Bozra? Deze, die versierd is in zijn gewaad? Die voorttrekt in zijn grote kracht? Ik ben het, die in gerechtigheid spreek, die machtig ben te verlossen. Waarom bent u rood aan uw gewaad en uw kleren als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden en daar was niemand van de volkeren met Mij; en Ik heb ze getreden in Mijn toorn en heb ze vertrapt in Mijn grimmigheid. " Zes openbaringen van de God vijandige wereldheerschappij zijn reeds vernietigd door de Held; zesmalen heeft Hij reeds Zijn kleed gedoopt in het bloed van Zijn vijanden: wee die, die het ten zevenden male ondervindt! Al Zijn tegenstanders moeten voor Hem bukken en meewerken tot verbreiding van de roem van Zijn kracht! Wij weten dat het Woord van God is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en dat het doorgaat tot de verdeling van de ziel en van de Geest en van de samenvoegsels en van het merg en dat het een oordeler is van de gedachten en overleggingen van het hart. "Gods Woord" dat is Zijn naam! Zo verkondigen Zijn kleed en Zijn naam, dat Hij de Held is, tegen wie zich geen macht op aarde kan verzetten. Wanneer Gods Woord hemel en aarde tot het aanzijn kan roepen, dan spreekt het ook vanzelf, dat niets tegen Hem kan bestaan. Jezus Christus is het "Woord van God" in persoon en hetgeen anders het "Woord van God" genoemd wordt, zijn slechts gedeelten van Zijn wezen. Zullen de tien koningen voor de schrik van Zijn naam niet vervliegen als het kaf? Ja, wanneer het hier, zoals in de geschiedenis van `s Heilands geboorte heette: "Zijn naam werd genoemd Jezus", dan was er nog verademing voor Zijn vijanden; maar hier heet het: "Zijn naam wordt genoemd: "het Woord van God". Hij openbaart zich hier zo niet als Zaligmaker van Zijn volk, maar als overwinnaar over Zijn vijanden. Daarom draagt Hij hier niet die naam, die een voorstelling geeft van Zijn genade, maar dien, waardoor Zijn heerlijkheid, hoogheid en macht worden aangeduid. Het woord van een mens is niet slechts datgene, dat hij uitspreekt met de mond, maar ook hetgeen in zijn gemoed en in zijn geest gevonden wordt. Wanneer dit woord niet inwendig bij hem was, kon het zich ook niet naar buiten in uitdrukking en mededeling openbaren. En als nu het woord van de mensen in zo'n nauwe samenhang staat met zijn hele inwendige wezen, hoeveel te meer moet dit dan het geval wezen bij God en hoe heerlijk, hoe onuitsprekelijk heerlijk is dan het wezen van het "Woord van God". Machteloos en nietig is dan alles, ja alles, bij hetgeen die naam draagt! Hij doodt de goddelozen met de adem van Zijn lippen. Johannes ziet slechts het zwaard. Hetgeen hij er bijvoegt van het "hoeden met een ijzeren roede" en het "treden van de wijnpersbak", is slechts een verklaring van het teken van het zwaard. En dit zwaard nu is de almacht, waarmee de Heere ten gerichte verschijnt, van die almacht, die spreekt en het is er, en gebiedt en het staat er, van die almacht, die daar doodt met de adem van de lippen. Met Zijn mond als met een zwaard maakte eenmaal de Heere Jezus in Gethsemané de bende weerloos, die tegen Hem uitgezonden was met zwaarden en spiesen; want Hij hoefde slechts te zeggen: "Ik ben het" en zij stortten ter aarde. Wat baat de heidenen het woeden tegen de Heere en Zijn Kerk? Wat baat het hun, dat zij strijd voeren tegen het Lam? Hij hoedt hen met een ijzeren roede; en zoals in de wijnpersbak de druiven worden verbrijzeld, zo ook zij door Hem, die de wijnpersbak van de gramschap van de almachtige God treedt. Zoals de wijn uit de persbak vloeit, zo stroomt het bloed van Zijn tegenstanders; want de toorn van de Heere is grimmig.
Het paard, dat Christus, de legervorst wordt gegeven, alsook de paarden van Zijn krijgsknechten moeten gebracht worden tot de eigenschappen van de legervorst en betekenen dus 1) dat Christus uit- en optrekt als een krijgsheld, 2) dat Hij grote spoed zal gebruiken in het uitvoeren van Zijn raadslagen, 3) dat Hij verzekerd is van de overwinning, die Hij op Zijn vijanden zal behalen, 4) dat Hij strijd voert in zuiverheid, heiligheid en majesteit. Onder het leger van de hemel moeten wij verstaan de uitverkorenen, geroepenen en gelovigen (Hoofdstuk 17:14). Deze volgen Christus niet zozeer als medestrijders als wel als getuigen en aanschouwers van Zijn overwinning. Zij rijden op witte paarden met betrekking tot de aanstaande overwinning, die zij naast Christus op het beest zouden behalen. Zij zijn bekleed met wit rein lijnwaad, omdat zij de heerlijkheid van de Heiland als van de grootste Koning en legervorst, zowel als Zijn gerechtigheid en heiligmaking zouden krijgen; 2) omdat de zaak van Christus en van Zijn Kerk nu openlijk gerechtvaardigd zou worden; 3) omdat zij deze geestelijke strijd, die geestelijk is, met Christus of liever in en door Christus rechtvaardig zouden voeren.