10. In twee opzichten zal het iets groots uitrichten: het is gescherpt, opdat het ene slachting slachte, ene algemene, alles vernietigende slachting bewerke; het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe, met vreselijken glans zou schitteren in de ogen van hen, tegen wie het gericht is; of wij dan zullen vrolijk zijn? 1) het is de roede mijns zoons, die alle hout versmaadt 2), die door geen hout, hoe hard ook, met slaan wordt verbroken, en voor wien daarom het zwaard als roede nodig is.
1) Het was in een tijd van grote verharding en onboetvaardigheid in Jeruzalem, dat deze profetie werd uitgesproken. Juist drie jaren voordat de toorn Gods op het hevigst tegen Israël losbarstte. a. Allen waren vrolijk en vleselijk gezind in Jeruzalem. b. De valse profeten voorspelden vrede, en het volk hoorde dit gaarne. c. Slechts het geluid van spel en zang werd in de heilige stad gehoord. Maar te midden van al het gewoel dier uitbundige vreugde, hoorde de eenzame profeet aan de oevers van den Chaboras het rollen van een verwijderden donder. De getrouwe dienstknecht des Heeren zag den Heere Zich als een dapper held tot den strijd toerusten en het blinkend zwaard der wrake in Zijne band, en Hij riep Zijne geruste landgenoten met ene stem als van sterke donderslagen toe: "Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd, het is gescherpt opdat het ene slachting slachte, het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe; zullen wij dan vrolijk zijn?" Mijne vrienden! De onbekeerden onder u zijn in denzelfden toestand, waarin Jeruzalem toen verkeerde. Hoevele roepstemmen van den Heere zijn er niet tot u gekomen in de jaren, die nu als morgenwolken zijn voorbijgegaan? Hoe menigmaal zond Hij tot u door de hand Zijner boden Zich haastende om die te zenden? Zijn woord hadt gij in uwe woningen, een zwijgend maar veel vermogend getuige van God. Zijne Voorzienigheid waakte over uwe betrekkingen, in ziekte en nood; in overvloed of gebrek, alles vermaande u om den toekomenden toorn te ontvlieden, alles drong u, u aan den Heere Jezus, den enigen en algenoegzamen Zaligmaker over te geven. Al deze roepstemmen zijn tot u gekomen, en nog zijt gij onbekeerd nog dood, aan dorre doodsbeenderen gelijk, zonder Christus en zonder God in de wereld, en gij zegt tot uwe ziel: "Ziele neem rust, eet, drink, wees vrolijk. Maar ach! mijne vrienden, hoort nog eenmaal mijne woorden, want God wil niet dat enigen verloren gaan. Ik heb een woord van God tot u te spreken: "Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd, het is gescherpt opdat het ook ene slachting slachte, het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe; zullen wij dan vrolijk zijn?" (Mc. CHEINE).
2) De tweede helft van dit vers in verband met den klank der woorden in Vers 13 veroorzaakt den uitleggers veel moeite, daar de uitdrukkingen, die de Profeet gebruikt door hare kortheid zeer duister zijn. Deze kortheid en stoutheid van uitdrukking, die tot een "spreken in tongen" wordt (1 Corinthiërs 14), is hier geheel op hare plaats, waar het er meer op aankomt een heilig zwaard en krijgsgezang ter ere der Goddelijke gerechtigheid te zingen, en een verpletterenden indruk op de toehoorders te weeg te brengen, dan door hen in alle bijzondere punten te worden verstaan. Gods woord moet ook zijne raadsels en geheimen hebben, die zowel boven onze gedachten en wegen als ook boven het gewoon grammatisch-historisch begrijpen der uitleggers verheven zijn. Deze mogen hun kunst beproeven, om steeds nieuwe zijden van Gods woord in `t licht te stellen, er is nog geen reden, om ons volk zijn Statenbijbel te ontnemen. Bij de door dezen gegevene verklaring, die wij in onzen tekst gevolgd zijn, herinneren wij aan de bede van P. Gerhard: "Wreek mijne misslagen met de roede en niet met het zwaard. " Die tijd der vaderlijke kastijding was voor Israël voorbij. Terwijl de Profeet zich in dit en de volgende verzen zo hoog verheft, ziet hij niet slechts in den tijd der eerste verwoesting van Jeruzalem, maar verder dan deze in den tijd van het gericht, dat nu nog op Israël sedert de tweede verwoesting drukt.
Wij laten hier een paar voorbeelden van andere verklaringen volgen: "De waarschijnlijke betekenis is deze: gedachtig aan de blijde hope, die het Joodse volk, verleid door de valse profeten, nog op Jeruzalem en Davids koningshuis vestigde, breekt Ezechiël de vreeslijke schildering van Gods wrekend zwaard af met de woorden: of zullen wij vrolijk zijn? ons vertroostende met de woorden: Mijns zoons roede veracht alle hout, " d. i. de koningsscepter (Hoofdstuk 19, vgl. Psalm 2:9) van den Zoon Gods (Psalm 2:7) versmaadt iederen anderen koningsscepter. Het koninkrijk van den Zoon Gods is boven alle koninkrijken verheven en versmaadt ook de grootste macht der volkeren. " Deze spreuk, waarschijnlijk afkomstig van een vroegeren profeet en van mond tot mond overgeleverd, pasten de goddelozen op koning Zedekia toe als den erfgenaam der beloften David? in Psalm 2, 110, en dit was even dwaas als misdadig. De spreuk zelf is niettemin juist en waarachtig, wanneer zij op den rechtvaardigen Davids zoon, op den uitverkoren Knecht Gods, op den Heilige Israëls, op den Messias wordt toegepast. Doch dan kan zij niet dienen om den schrik van het wrekend zwaard Gods te verminderen, dat de afvalligen en misdadigers zal verteren.
Het is bijkans onbegrijpelijk, hoe men hierbij heeft kunnen verzuimen op te merken, dat de koninklijke scepters destijds van hout waren, `t geen nochthans duidelijk blijkt uit Hoofdstuk 19:11 en dat derhalve de zin is: dat zwaard ontziet zelfs geen scepter! het versmaadt al wat hout is! De uitlegging wordt bevestigd door vs 18.
Die laatste woorden, `t is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt, zijn zeer duister. Volgens onze overzetting zou men door Gods toorn, den Messias verstaan kunnen, die, als de Engel van Gods Aangezicht, het zwaard, als ene roede of een scepter, zwaaien zou, om alle hout te versmaden, om den gansen stam van Juda geweldig af te knotten. Anderen begrijpen het anders. Voor het naast zouden wij denken, dat het Joodse volk Gods Zoon genaamd wordt; zo noemt de Heere zelf het nageslacht van Jakob Zijnen Zoon, Zijnen eerstgeborenen, Exodus 4:22 en dan zal de zin deze zijn: "het zwaard van Nebukadnezar versmaadt de roede, of den scepter Mijns Zoons, gelijk alle hout, het zal geen onderscheid maken tussen koning en onderdanen, het zal den eersten zowel verslaan, als de laatsten. 11. Met de kastijding is het voorbij, en daarvoor is nu het tot hiertoe steeds weer teruggehoudene uitstorten des toorns (Hoofdstuk 20:8 v. 13 v. 17, 21 v.) aan de beurt gekomen. En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven aan den wapensmid, opdat men het niet in de schede zou laten blijven, maar het met de hand handelen zou, namelijk hij, dien de Heere tot werktuig ter volvoering Zijner gerichten heeft verordend; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in de hand des doodslagers Nebuzaradan (2 Koningen 25:8)te geven.