Nehemia 2:1-8
Nadat Nehemia gebeden had om hulp voor zijn landgenoten, misschien wel in Davids woorden: "Bouw de muren van Jeruzalem op" Psalm 51:20, bleef hij niet stilzitten, zeggende. Laat God nu Zijn werk doen, want voor mij is er nu niets meer te doen, maar zette zich om te bedenken wat hij er voor doen kon. Onze gebeden moeten gesteund worden door onze ernstige pogingen, want anders spotten wij met God. Bijna vier maanden gingen voorbij tussen Chisleu tot Nisan, (van November tot Maart), eer Nehemia zich tot de koning wendde om verlof om naar Jeruzalem te gaan hetzij omdat de winter geen geschikte tijd was voor zo'n reis, en hij het voorstel niet wilde doen vóór hij het ten uitvoer kon brengen of wel omdat het zolang duurde eer hij. zijn maand van dienst had, en men niet opgeroepen in des konings tegenwoordigheid kon verschijnen, Esther 4:11. Nu hij diende aan de tafel van de koning, hoopte hij gehoor van hem te verkrijgen. Wij zijn niet aldus beperkt tot zekere tijden of ogenblikken om tot de Koning van de koningen te naderen, tot de troon van de genade komen wij nooit ontijdig. Nu hebben wij hier:
I. De gelegenheid, die hij de koning gaf om te vragen naar de oorzaak van zijn zorgen smart, door in zijn tegenwoordigheid te verschijnen. Zij, die met zulke hoge personen spreken, moeten niet plotseling met hun verzoek bij hen aankomen, maar de omweg van een inleiding gebruiken. Nehemia wilde zien of hij in een goede stemming was, eer hij het waagde om hem zijn verzoek voor te dragen, en hij volgde deze methode om dit te weten te komen. Hij nam de wijn op en reikte hem de koning, toen deze er om vroeg, verwachtende dat hij hem dan zou aanzien. Hij placht nooit treurig te zijn in de tegenwoordigheid van de koning, maar gedroeg zich naar de regelen van het hof (zoals hovelingen behoren te doen) die geen treurigheid gedoogden, Esther 4:2. Hoewel hij een vreemdeling en een gevangene was, was hij toch ongedwongen en opgeruimd. Godvrezende mensen moeten doen wat zij kunnen om door hun blijmoedigheid de wereld te overtuigen dat de wegen van de Godsdienst lieflijk zijn, en er de smaad van af te wentelen, dat zij treurig zijn, maar daar is een tijd voor alles, Prediker 3:4. Nehemia zag nu reden beide om treurig te zijn en zich treurig te tonen. De ellende van Jeruzalem gaf hem reden om treurig te zijn, en het tonen van die treurigheid gaf de koning aanleiding om naar de oorzaak er van te vragen. Hij veinsde geen treurigheid, want hij was wezenlijk bekommerd over de verbreking van Jozef, en was niet gelijk de geveinsden, die hun aangezichten mismaken, maar hij zou zijn smart hebben kunnen verbergen als dit nodig ware geweest (het hart kent zijn eigen bittere droefheid, en heeft dikwijls ook in het lachen smart), maar hij zou nu zijn oogmerk bevorderen door zijn droefheid te tonen. Hoewel hij nu wijn voor zich had en er waarschijnlijk-volgens de plicht van zijn ambt als schenker van gedronken heeft, eer hij hem de koning gaf, heeft die wijn toch zijn hart niet verheugd, terwijl het Israël van God in droefenis was.
II. De koning heeft zijn droefheid opgemerkt en met vriendelijkheid naar de oorzaak ervan gevraagd, vers 2. Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet ziek zijt? Wij behoren uit een beginsel van Christelijk medegevoel deelneming te betonen in de smart en droefheid van anderen, zelfs van onze minderen en mogen niet zeggen: Wat gaat ons dit aan? Meesters moeten de smart van hun dienaren niet verachten, maar wensen hen op te beuren. De grote God schept geen behagen in de terneergeslagenheid en onrust van Zijn volk, Hij wil dat zij Hem zullen dienen met blijdschap en hun brood eten met vreugde. Het is niet vreemd dat krenken een treurig aangezicht hebben vanwege hetgeen gevoeld wordt en gevreesd wordt, ziekte zal hen nog ernstig maken, die het meest luchtig en vrolijk waren, maar een Godvruchtige kan zelfs in ziekte goedsmoeds zijn, als hij weet dat zijn zonden vergeven zijn. Vrij van ziekte te wezen is zo'n grote zegen, dat wij, zolang wij die zegen hebben, onder geen uitwendige lasten of bezwaarnissen bovenmate bedrukt moeten zijn, maar smart om onze eigen zonden en de zonden van anderen, en om de rampen van Gods kerk, kan ook zonder ziekte het aangezicht treurig maken.
III. Het bericht, dat Nehemia de koning gaf van de oorzaak van zijn droefheid, hij geeft het met zachtmoedigheid en vreze.
1. Met vreze. Hij erkent dat hij nu (hoewel uit de volgende geschiedenis blijkt dat hij een kloekmoedig man was) geheel zeer vreesde, misschien voor de troon van de koning (want deze oosterse monarchen hadden zich het recht aangematigd over leven en dood, Daniël 2:12,13, 5:19), of wel om een woord verkeerd te zeggen en zijn verzoek afgewezen te zien, omdat hij het niet goed had voorgedragen. Hoewel hij een wijs man was, wantrouwde hij toch zichzelf, vreesde hij een onvoorzichtig woord te zeggen, dit wantrouwen van onszelf betaamt ons. Een goed vertrouwen is voorzeker een kostelijke gave, maar een nederig wantrouwen van zichzelf misstaat toch niemand.
2. Met zachtmoedigheid, zonder iemand te laken en met alle eerbied en welwillendheid voor de koning, zijn meester, zegt hij: De koning leve in eeuwigheid, hij is wijs en goed en de geschiktste mens ter wereld om te regeren. Met bescheidenheid vraagt hij: Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn? Ik zelf ben wel gezond en welvarend, maar de stad, ( de koning wist wel welke stad hij bedoelde) de plaats van de begrafenissen van mijn vaderen, is woest. Velen zijn treurig en neerslachtig, maar kunnen er geen goede reden voor opgeven, kunnen niet zeggen waarom of waartoe, dezulken moeten zichzelf bestraffen wegens hun onrechtmatige en onredelijke droefheid en vrees, maar Nehemia kon zo'n goede reden opgeven voor zijn smart, dat hij er zich op de koning zelf voor beroepen kon.
Merk op:
a. Hij noemt Jeruzalem de plaats van de begrafenissen van mijn vaderen, de plaats waar zijn voorouders begraven zijn. Het is goed voor ons om dikwijls aan de graven van onze vaderen te denken. Wij zijn geneigd om in onze gedachten te verwijlen bij hun aanzien hun rang, hun eretitels, hun huizen en bezittingen, maar laat ons ook denken aan hun graven, en bedenken dat zij, die ons voorgegaan zijn in de wereld ons ook voorgegaan zijn in het verlaten van de wereld, hun graftekenen zijn voor ons gedenktekenen, er is ook grote eerbied verschuldigd aan de nagedachtenis van onze vaderen, die wij niet gaarne geschonden willen zien. Alle volken zelfs die welke geen verwachting hadden van de opstanding van de doden, hebben op de graven hunner voorouders gezien als in zeker opzicht gewild, heilig te zijn, die dus niet geschonden mochten worden.
b. Hij rechtvaardigt zich in zijn smart. Ik doe wel met treurig te zijn. Hoe zou ik niet treurig wezen?" Er is zelfs voor Godvrezende en voorspoedige mensen een tijd om treurig te wezen, en het te tonen. De beste mensen moeten niet denken dat zij door alle droevige gedachten uit hun hart te verbannen, de hemel op aarde kunnen hebben, het is een tranendal, waar wij doorheen gaan, en wij hebben ons aan de temperatuur van het klimaat te onderwerpen.
c. Hij noemt de puinhopen van Jeruzalem als de oorzaak van zijn smart. Al het leed van de kerk, maar inzonderheid haar verwoestingen, behoren voor alle Godvruchtigen, voor allen aan wie Gods eer ter harte gaat, allen die levende leden zijn van Christus' mystiek lichaam en belangstellen in de openbare zaak, een oorzaak van smart te wezen, "zij hebben zelfs medelijden met Zions puin", Psalm. 102:15.
IV. De aanmoediging van de koning om hem te zeggen wat hij op het hart heeft, en hoe hij zich daarop innerlijk tot God wendt. De koning had genegenheid voor hem en zag hem niet gaarne treurig, waarschijnlijk was hij ook de Godsdienst van de Joden welgezind, dit had hij tevoren getoond in zijn lastbrief aan Ezra, die een kerkelijk persoon was, en nu wederom in de macht, die hij Nehemia gaf, die een staatsman was. Dus slechts begerende te weten hoe hij Jeruzalem van dienst kan zijn, vraagt hij aan deze bekommerde vriend van die stad: Wat verzoekt gij nu? Gij begeert iets, wat is het?" Hij was bevreesd te spreken, vers 2, maar dit gaf hem vrijmoedigheid, veel meer kan de uitnodiging, die Christus ons gegeven heeft, en Zijn belofte dat wij verhoord zullen worden, ons instaat stellen om met vrijmoedigheid tot de troon van de genade te komen. Nehemia bad terstond tot de God des hemels, dat Hij hem wijsheid zou geven om behoorlijk te vragen, en het hart van de koning zou neigen om hem zijn verzoek toe te staan. Zij, die gunst willen vinden bij koningen, moeten zich de gunst verzekeren van de Koning van de koningen. Hij bad tot de God des hemels, als oneindig ver zelfs boven deze machtige monarch. Het was geen plechtig gebed (daartoe had hij nu geen gelegenheid) maar een plotseling inwendig roepen, hij hief zijn hart op tot die God, die de taal van het hart verstaat: Heere, geef mij mond en wijsheid, Heere, geef mij genade te vinden voor het aangezicht van deze man. Het is goed om veel van die Godvruchtige uitroepen of verzuchtingen te slaken, vooral bij bijzondere gelegenheden, waar wij ook zijn, overal hebben wij een open weg naar de hemel. Dat zal ons niet belemmeren in ons werk, maar het veeleer bevorderen. Nehemia had zeer plechtig gebeden met betrekking tot deze zelfde aangelegenheid Hoofdst. 1:11, maar toen het op stuk van zaken aankwam bad hij wederom. Uitroepen, verzuchtingen en plechtige gebeden moeten elkaar niet verdringen, maar ieder zijn eigen plaats hebben.
V. Zijn nederig verzoek aan de koning, toen hij deze aanmoediging had ontvangen, doet hij met grote bescheidenheid en in onderworpenheid aan de wijsheid van de koning, vers 5. Maar hij is zeer nauwkeurig in hetgeen hij vraagt, hij vraagt om een opdracht, om als landvoogd naar Juda te gaan, de muur van Jeruzalem te bouwen en daar enige tijd te blijven, zo en zoveel maanden, naar wij kunnen veronderstellen, en dan zou zijn opdracht of vernieuwd worden of hij zou terugkeren, of wel hij ging terug en werd dan wederom uitgezonden, zodat hij daar minstens twaalf jaren het bestuur in handen had, Hoofdst. 5:14. Hij vroeg ook om een geleide, vers 7, en een order aan de landvoogden, niet alleen om hem door hun onderscheiden provincies te laten heentrekken, maar om hem te voorzien van hetgeen hij nodig kon hebben, en ook nog een order aan de bewaarder van de lusthof in het woud van de Libanon, om hem hout te geven voor het werk, dat hij ging ondernemen.
Vl. De grote gunst van de koningjegens hem in hem te vragen wanneer hij zal wederkomen vers 6. Hij gaf te kennen dat hij hem niet wilde verliezen, niet lang buiten hem kon, maar dat hij, om hem genoegen te doen en een wezenlijke dienst te bewijzen aan zijn volk, hem een tijdlang wilde missen, en dat hij alles wat hij wenste in zijn lastbrief zou doen opnemen, vers 6. Dat was reeds dadelijk een verhoring van zijn gebed, want nooit heeft het zaad van Jakob God tevergeefs gezocht. In het bericht, dat hij geeft van het welslagen van zijn verzoek, neemt hij nota:
1. Van de tegenwoordigheid van de koningin, zij zat naast hem, vers 6, hetgeen-zegt men-geen gewoonte was aan het Perzische hof, Esther 1:11. Of de koningin hem vijandig was en zijn welslagen verhinderd zou kunnen hebben, en hij door Gods machtige voorzienigheid geslaagd is hoewel zij tegenwoordig was en hij dit opmerkt tot lof en eer van God, of wel hem vriendelijk gezind was en zijn verzoek ondersteunde, is niet zeker.
2. Van de macht en de genade van God. Hij bereikte zijn doel, niet overeenkomstig zijn verdienste, zijn invloed op de koning of zijn wijs beleid, maar naar de goede hand van zijn God over hem. Godvruchtige zielen merken Gods hand op, Zijn goede hand in alle gebeurtenissen, die tot hun gunste plaatshebben. Dit is van de Heere geschied, en dus dubbel lieflijk.