22. De waarzegging zal bij alle drie wijzen eenstemmig aan zijne rechterhand zijn op Jeruzalem, want Ik de Heere sta met Mijn raadsbesluit achter deze heidense orakels en bestuur de beslissing volgens Mijnen heiligen wil. De waarzegging geeft raad, om hoofdmannen {1} te stellen, om den mond, een bres te openen in het doodslaan, ten einde te kunnen doden (anders om den mond te openen tot luid geschreeuw), om de stem op te heffen met gejuich om de zaak, waarom het te doen is nog eens van ene andere zijde aan te wijzen, stormrammen te stellen tegen de poortender stad, om sterkten op te werpen, om bolwerken rondom te bouwen2) (
Hoofdstuk 4:2;
17:17).
{1} In het Hebreeën Karim. Beter: stormrammen. De koning van Babel wordt hier voorgesteld als zijne waartekenen raadplegende. En die tekenen wijzen uit, dat hij Jeruzalem moet gaan belegeren. Ook hier wordt dus geleerd, dat er niets gaat buiten Gods bestel, dat God ook de leugentekenen op zich zelf wil gebruiken en gebruikt om zijn doelwit te bereiken. Gelijk de Heere de leugen-profeten gebruikt om Achab te doen omkomen in den strijd tegen de Syriërs, zo gebruikt de Heere ook de waartekenen der Heidenen, om den koning van Babel te doen besluiten tegen Jeruzalem op te trekken. 2) Het eerste woord Gods (Vers 1-7) had getoond, dat met den bosbrand (Hoofdstuk 20:45) een zwaard, een krijg bedoeld was, welke spoedig over het land van Israël zou komen; het tweede (Vers 8-17) had aangewezen, welk verderf dit zwaard over stad en land van Israël brengen zou, als het kwam; het derde (Vers 18-32) toont nu aan, dat en hoe dit zwaard over stad en land komen zal, niet, al heeft het daarvan ook den schijn, naar de Ammonieten zich zal wenden, maar zeker eerst Jeruzalem en daarna eerst Ammon treffen zal.
De geschiedkundige veronderstelling is, dat Ammon niet minder dan Juda den toorn des konings de Chaldeën zich heeft op den hals gehaald (2 Koningen 24:20); het behoorde met Juda tot dezelfde Chaldeeuwse coalitie, en dat het niet minder dan Juda de wraak des konings van Babel had te verwachten, stond van den beginne af vast. Het lag aanmerkelijk nader aan Chaldea dan Jeruzalem; die menselijke waarschijnlijkheid was dus, dat het gericht daar zijn aanvang zou nemen, de Profeet weet echter tengevolge van Goddelijke openbaring het tegendeel.
Deze verkondiging wordt door een teken aanschouwelijk gemaakt. De Profeet moet twee wegen maken d. i. op harde stof, misschien een steen, ene tekening ontwerpen, welke éénen weg voorstelt, die van één land d. i. Babel, uitgaat, en op zekere plaats zich in twee wegen verdeelt, van welke de ene naar Rabba Ammons, de hoofdstad van het rijk der Ammonieten, de andere naar Juda en Jeruzalem leidt. De wegen moet hij tekenen voor het komen van het zwaard des konings van Babel, aan de wegscheiding moet hij ene hand, een wijzer in den vorm van ene hand graveren, welke naar beide steden wijst. Wij zien den koning van Babel aan de wegscheiding staan, onbesloten waarheen hij zal trekken; hij zoekt raad bij de meest verschillende kunsten der waarzegging, en bedient zich van het lot; daar trekt hij het lot naar Jeruzalem, om het te belegeren.
Drieërlei manier, waarop destijds de Chaldeën het lot poogden te doorgronden, om van te koren den uitslag hunner ondernemingen te kennen. 1. het lot, en wel hier, door pijlen; op ene van deze werd de naam Jeruzalem, op de andere Rabba-Ammons geschreven (of wel een teken, daarop gesteld in plaats van den naam). De pijlen werden in een koker gestoken, omgeschud, en den een pijl er uitgetrokken. Dit is de loting door pijlen, die zeer algemeen in gebruik moet zijn geweest, omdat zij, wat de hoofdzaak betreft, zowel bij de Arabieren tot op Mohammed, als bij de Grieken voorkomt. 2. Het raadplegen der amuletten, die bescherm-goden der huisgezinnen (de terafim) voorstelden; hoe dit geschiedde weten wij niet. 3. Het bezien van den lever der geslachte offerdieren, om daaruit naar zekere kentekenen het gelukken of mislukken ener onderneming af te leiden, bij de Grieken en vooral in het heidense Rome een zeer gebruikelijk middel der waarzeggerij.
Hij raadpleegt het gewijde lot, `t welk geschiedde door middel van pijlen of staven, op welke de verschillende ringen geschreven stonden, tussen welke men de keus aan de Godsspraak wilde overlaten. Na alvorens de afgoden verzoend, en de lever der geslachte dieren bezien te hebben, om te weten of het een gunstige dag was ter loting, schudde men de bus, waarin de pijlen waren, en trok er één uit, die de keus bepaalde. Deze bijgelovige gebruiken worden hier beschreven. Luther heeft gedacht aan een schieten met pijlen (1 Samuël 20:20) en merkt in de kanttekening op: men gaf acht waar de pijl ziel. Bij het bezien van den lever zag men op de kleur en den toestand, of de lezer groot was, de lappen naar binnen gebogen en, in bedenkelijke gevallen of zij droog, defekt, vol zweren enz. was. Alle drie soorten van waarzegging stemmen in hun beslissing overeen, zodat de koning in geen twijfel meer kan zijn, waarheen hij zich `t eerst moet wenden. Ook enen Faraö en Nebukadnezar geeft God openbaring door dromen (Genesis 41 en Daniël 2), ja Hij laat zelfs den laatsten door de middelen der heidense waarzegkunst Zijnen wil bekend maken, Hij, die alles met Zijnen Geest doordringt, zodat ieder woord der menselijke tong voor Hem is (Psalm 139:4, 7) kan enen Bileam dwingen woorden van zegen te spreken (Numeri 22:35), en de reden van enen Kajafas besturen, dat deze zonder te weten wat hij zegt, ene heilswaarheid verkondigt (Johannes 11:49 vv.). Er is ene Goddelijke inwerking op den mens, waardoor deze of moet spreken wat hij niet wil, of naar vrijen wil iets spreekt, waaraan ene door hem zelven niet gewilde of gekende Goddelijke betekenis wordt gegeven, en zo is er ook een Goddelijk inwerken op de heidense waarzegging, dat zij eveneens een middel tot volvoering van den Goddelijken wil worde (Ester 3:7). Mocht men het aanstotelijk vinden, dat God ook ene dwaling voor Zijne bedoelingen gebruikte, alsof Hij daardoor wat vals is bevestigde, zo zou men den gehelen draad der wereldgeschiedenis moeten verscheuren, in welker ontwikkeling het ware en valse, het goede en kwade zo zamenhangt, dat dikwijls, het laatste tot ene brug voor het eerste moet dienen.
Ook over het heidense, zondige bijgeloof voerde Gods Voorzienigheid het bestuur en dreef daarmee Nebukadnezar tot belegering van Jeruzalem. Daaruit volgt echter niet, dat mensen, wien God op andere wijze Zijnen wil bekend maakt, Zich van zulke middelen zouden mogen bedienen en het hun daarbij naar Gods welgevallen zou gelukken.