Ezechiël 4:1-8
De profeet wordt hier bevolen, voor zichzelf en voor anderen het beleg van Jeruzalem voor te stellen, door tekenen, die geschiktheid en kracht zouden hebben om de verbeelding te treffen, en indruk te maken op het gemoed, dit was een voorspelling.
1. Hem werd bevolen, een plan te maken van Jeruzalem op een tichelsteen, vers 1. Het was Jeruzalems eer, dat, zolang het onbevlekt bleef God haar "in de beide handpalmen gegraveerd had," Jesaja 49:16, en dat de namen van de stemmen in kostelijke stenen op de borstlap van de hogepriester geschreven waren, maar nu "de getrouwe stad tot een hoer geworden is," wordt een waardeloze tichelsteen goed genoeg geacht om het op te ontwerpen. Dezen moet de profeet voor zich leggen, opdat wat het oog ziet, het hart mag treffen.
II. Hem werd bevolen sterkten te bouwen tegen deze afbeelding van de stad, gelijkende op de sterkten door de belegeraars opgericht, vers 2. Tussen de stad, die belegerd werd, en hem zelf, die ze belegerde, moest hij een ijzeren pan stellen, tot een ijzeren muur, vers 3. Deze stelde de ijzeren vastberadenheid aan beide zijden voor de Chaldeën besloten om, het koste: wat het wilde, zich van de stad meester te maken en ze niet te verlaten, voordat zij die veroverd hadden, aan de anderen kant besloten de Joden zich nooit over te geven, maar vol te houden tot het laatst.
III. Hem werd bevolen er voor te gaan liggen op zijn zijde, als om het te omsingelen, waarmee voorgesteld werd, hoe het Chaldeeuwse leger zich er voor zou legeren en de toegangen afsluiten, om de toevoer van levensmiddelen af te sluiten, en al wat voedsel nodig had op te sluiten. Hij moest op zijn linkerzijde liggen driehonderd en negentig dagen, vers 5, ongeveer dertien maanden, het beleg van Jeruzalem wordt berekend op achttien maanden, Jeremia 52:4-6, maar als wij daarvan aftrekken de tussentijd van vijf maanden, toen de belegeraars aftrokken bij de nadering van Farao's leger, Jeremia 37:5-8, wordt het aantal dagen van de wezenlijke belegering, driehonderd negentig. Toch had dat nog een andere betekenis. De driehonderd negentig betekenden in de taal van de profeet driehonderd negentig jaren, en als de profeet zoveel dagen op zijn zijde ligt, draagt hij de schuld van de ongerechtigheid, die het huis Israëls driehonderd negentig jaar had gedragen, te rekenen van de eersten afval van Jerobeam tot aan de verwoesting van Jeruzalem, die de ondergang van de zwakke overblijfselen van hen, die zich bij Juda gevoegd hadden, had voltooid. "Daarna moet hij veertig dagen op zijn rechterzijde liggen, en zolang de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen", het koninkrijk van de twee stammen, omdat de zonden, die de smart van dat volk vol maakten, die waren, waaraan zij zich de laatste veertig jaren voor hun gevangenschap hadden schuldig gemaakt, sinds het dertiende jaar van Josia, toen Jeremia begon te profeteren, Jeremia 1:1, 2, of, zoals sommigen rekenen, sinds het achttiende jaar toen het boek van de wet gevonden werd, en het volk het verbond met God vernieuwde. Als zij volhardden in hun goddeloosheid en afgoderij, niettegenstaande zij zo'n profeet en zo'n vorst hadden, en tot zo'n verbond waren toegelaten, wat konden zij dan anders verwachten dan een onherroepelijk verderf? Juda, dat zulke hulpmiddelen en voordelen had tot verbetering, vult de maat van zijn ongerechtigheid in korter tijd dan Israël. Nu moeten wij niet denken, dat de profeet voortdurend, nacht en dag op zijn zijde lag, maar al die tijd, dagelijks een zekere tijd van de dag, als hij bezoeken ontving, en er kennissen kwamen, vond men hem driehonderd negentig dagen op zijn linkerzijde, en veertig dagen op zijn rechterzijde liggen voor zijn plan van Jeruzalem, en het was voor allen, die het zagen, gemakkelijk te begrijpen, dat het de nauwe insluiting van die stad betekende, en dagelijks stroomden er mensen toe, sommigen uit nieuwsgierigheid en anderen uit nauwgezetheid om het te zien, er hun opmerkingen over te maken. Daar hij steeds op dezelfde zijde gevonden werd, alsof er "touwen op hem gelegd waren (zoals inderdaad het geval was, op goddelijk bevel), zodat hij zich niet kon omkeren van zijn een zijde tot zijn andere zijde, totdat de dagen van de belegering voleind waren," stelde het klaarblijkelijk de onafgebroken en nauwe belegering voor gedurende dat aantal dagen, totdat zij hun doel bereikt hadden.
IV. Hem wordt bevolen het beleg met kracht voort te zetten, vers 7 :Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, als met gespannen aandacht en vastbesloten het te nemen, dat zouden de Chaldeën doen, en men zou ze niet afkopen noch verdrijven. Nebukadnezars verontwaardiging over Zedekia's verraad, toen hij zijn verbond met hem brak, deed hem het beleg met woede voortzetten, om de onbeschaamdheid van die trouweloze vorst en dat trouweloze volk te tuchtigen, en zijn leger beloofde zich een rijke buit van die prachtige stad, zodat beide hun aangezicht er tegen stelden, want zij waren zeer vastberaden. Ook waren zij niet minder werkzaam en bedrijvig, daar zij zich de uiterste inspanning getroostten bij alle maatregelen, voor het beleg noodzakelijk, "wat de profeet moest voorstellen door zijn ontblote arm, of, zoals sommigen lezen, zijn uitgestrekten arm, als het ware om slagen uit te delen zonder erbarmen. Als er gezegd wordt, dat God iets groots gaat doen, dan staat er ook, dat Hij Zijn arm ontbloot," Jesaja 52:10. In `t kort de Chaldeën zullen aan `t werk gaan en het voortzetten, als mannen, wie het ernst is, die besloten zijn niet op te houden.
1. Dit zij de huize Israëls een teken, vers 3 dat ooggetuige was van wat de profeet deed, en ook, die in hun eigen land bleven en die er van zouden horen. De profeet was stom en kon niet spreken, Hoofdstuk 3:26, maar zijn stilzwijgen sprak en het volk verweet hem zijn doofheid, zodat God zelfs toen Zichzelf niet onbetuigd gelaten heeft, maar hem beval tekens te maken, zoals stommen gewoon zijn, en zoals Zacharias deed, toen hij stom was, om daarmee zijn wil (dat is de wil van God) aan het volk bekend te maken. Eveneens werd op die wijze het volk zijn domheid en stompzinnigheid verweten, dat zij zich niet lieten onderwijzen, als mannen van verstand, door woorden, maar, als kinderen, door afbeeldingen, of, als een dove, door tekens onderwezen moeten worden. Of, misschien wordt hun hiermee hun boosheid tegen de profeet verweten. Had hij uitvoerig in woorden gezegd, wat door deze voorstelling betekend werd, dan zouden zij hem in zijn woorden gevangen hebben, zij zouden hem hebben beschuldigd van uitdrukkingen, die verraad behelsden, "want zij wisten hoe een mens schuldig te maken om een woord," Jesaja 29:21, en om dat te vermijden, wordt hem bevolen van tekens gebruik te maken. Of, de profeet maakte van tekens gebruik om dezelfde reden als Christus gebruik maakte van gelijkenissen, "opdat zij ziende niet zien, en horende niet horen" Mattheus 13:13. Zij wilden niet begrijpen, wat duidelijk was, en zullen daarom onderwezen worden door `t geen moeilijk is, en hierin was de Heere rechtvaardig.
2. Aldus profeteert de profeet tegen Jeruzalem, vers 7, en er waren er, die het niet alleen zo begrepen, maar er te meer door getroffen werden, dat het zo werd voorgesteld, want zichtbare voorstellingen maken gewoonlijk een dieper indruk op het gemoed dan woorden kunnen doen, en om deze reden zijn de sacramenten ingesteld om goddelijke dingen voor te stellen, opdat wij mogen zien en geloven, mogen zien en door deze dingen getroffen worden. Deze weldaad mogen wij er van verwachten en de zegen, die er mee gepaard gaat, zolang wij (als de profeet hier) alleen van zulke tekens gebruik maken, als God zelf uitdrukkelijk bevolen heeft, waaruit wij moeten besluiten, dat het de meest gepaste zijn. Wanneer van de macht van de verbeelding een goed gebruik gemaakt, en zij onder de leiding en het toezicht van verstand en geloof gevonden wordt, kan zij van veel nut zijn om vrome en heilige gevoelens aan te vuren en op te wekken, zoals hier het geval was met Ezechiël en die bij hem waren. "Zie, ik zie dat en dat, mij zelf sterven, de tijd vergaan, de wereld verbranden, de doden opstaan, het laatste oordeel uitspreken, enz.", kan een buitengewoon goede invloed op ons hebben: want de verbeelding is als het vuur, een goed dienaar, maar een slecht meester.
3. De hele zaak was van dien aard, dat de profeet met alle schijn van reden had kunnen aarzelen en tegenwerpingen maken, en toch deed hij het, in gehoorzaamheid aan Gods gebod en om Zijn ambt waar te nemen, overeenkomstig het bevel.
a. Het scheen kinderachtig en bespottelijk en beneden zijn waardigheid, en er waren er, die hem er om zouden bespotten, maar hij wist, dat het goddelijk bevel eervol genoeg maakte, wat anders onwaardig geweest zou zijn, om zijn goede naam te redden, terwijl hij het deed.
b. Het was hard en vermoeiend, wat hij moest doen, maar ons gemak en onze naam moeten aan onze plicht opgeofferd worden, en in geen geval moeten wij Gods dienst een harde dienst noemen.
4. Het moest hem wel zeer onaangenaam zijn, aldus tegen Jeruzalem op te treden, de stad van God, de heilige stad, als een vijand te handelen tegen een plaats, waar hij zoveel voor gevoelde, maar hij is profeet, en moet zijn opdracht ten uitvoer brengen, en niet zijn eigen zin doen, hij moet eenvoudig de ondergang van een zondige plaats prediken, hoewel hij hartstochtelijk haar welzijn begeert en er ernstig voor bidt.
5. Dit alles wat de profeet aan de kinderen van zijn volk laat zien van de verwoesting van Jeruzalem, is bestemd hen tot berouw te brengen, door hun de zonde te tonen, de uitdaging tot en de oorzaak van deze verwoesting, de zonde als het verderf van die eens bloeiende stad, en niets kon zeker werkzamer zijn om hen de zonde te doen haten en er zich van te bekeren, terwijl hij aldus in levendige kleuren, met grote pijn en ongemak voor zich zelf, de ramp schildert, "draagt hij de ongerechtigheid van Israël en Juda." Ziet toe" (zegt hij als `t ware) "en merkt wat de gevolgen van de zonde zijn, "dat het kwaad en bitter is, de Heere uw God te verlaten, dat komt van de zonde van uw zonde en de zonde uwer vaderen, laat die daarom voor u een reden tot dagelijkse smart zijn, en tot schaamte in uw gevangenschap, opdat gij vrede maakt met God en Hij in genade tot u wederkere." Maar bedenk, het is een dag van kastijding voor een jaar van zonde: "Ik heb u gegeven elke dag voor elk jaar." Het beleg is een ramp van driehonderd negentig dagen waarin God de ongerechtigheid kastijdt van driehonderd negentig jaar, terecht erkennen zij daarom, dat God hen minder zwaar gestraft had dan hun ongerechtigheid verdiende, Ezra 9:13. Maar onboetvaardige zondaars moeten weten, dat, al is God nu goedertieren jegens hen, in de andere wereld een eeuwige straf op hen wacht. Toen God touwen op de profeet legde, was dat om te tonen, hoe zij gebonden waren door de banden van hun eigen overtredingen, Klaagliederen 1:14, en daarom zijn zij nu gebonden door de banden van de ellende. Maar aan het lot van de profeet mogen wij wel met medegevoel denken, als God hem de banden des plichts oplegde, zoals God al Zijn dienaren doet, 1 Corinthiers. 9:16 :"De nood is mij opgelegd en wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig, en toch legden zij dikke touwen aan hem," hoofdst. 3:25, maar onder beide is het genoeg te weten, dat ze de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen dienen.