Ezechiël 20:45-49
Wij hebben hier een profetie van de toorn tegen Juda en Jeruzalem, die een meer gepast begin zou zijn geweest voor het volgende hoofdstuk dan een besluit van dit, want zij hangt niet samen met wat vooraf gaat, maar wat er in het begin van het volgende hoofdstuk op volgt, is er de verklaring van, toen het volk zich beklaagde, dat dit een gelijkenis was, die zij niet verstonden.
1. In deze gelijkenis is het een woud, waartegen geprofeteerd wordt, "het woud van het veld in het zuiden," Juda en Jeruzalem. Deze lagen ten zuiden van Babel, waar Ezechiël nu was, en daarom wordt hem bevolen zijn aangezicht naar het zuiden te zetten vers 46, om te kennen te geven, dat God Zijn aangezicht tegen hen gezet had, op hen misnoegd was en besloten had hen te vernietigen. Maar, hoewel het een boodschap des toorns is, die hij moet overbrengen, moet hij ze overbrengen met zachtheid en tederheid, "hij moet zijn woorden druppelen tegen het zuiden, zijn lering moet druppen als een regen," Deuteronomium 32:2, opdat het hart des volks er door verzacht mocht worden, zoals de aarde door "de rivier Gods, die de weiden van de woestijn bedruipt," Psalm 65:12, en waarom het zuiden meer in `t bijzonder vraagt, Jozua 15:19. Juda en Jeruzalem worden een woud genoemd, niet alleen omdat zij vol volk geweest waren, zoals een woud vol bomen, maar ook omdat zij zonder vrucht geweest waren, want vruchtbomen groeien niet in een woud, een woud is de tegenstelling van een vruchtbaar veld, Jesaja 32:15. Die hadden behoren te zijn als de hof des Heeren en Zijn wijngaard, welke als een woud waren geworden, waar dorens en distels opgroeien, en tegen hen, die zo zijn, die niet voortbrengen de vruchten van de gerechtigheid, tegen hen is het, dat Gods Woord profeteert.
2. Het is een vuur, in dit woud aangestoken, dat geprofeteerd wordt, vers 47. Al die oordelen, die beide stad en land verwoestten en verteerden-het zwaard, de honger, de pestilentie en de gevangenschap, worden door dit vuur afgebeeld.
a. Het is een vuur, dat God zelf aangestoken heeft. "Ik zal een vuur in u aansteken: de adem des Heeren is niet als een druppel, maar als een zwavelstroom om het aan te steken", Jesaja 30:33. Hij, die als een beschermend vuur om de stad was geweest, is nu als een verterend vuur daarin. Alle vlees zal zien, aan het woeden van dit vuur en aan de verwoestingen, die het zal maken, vooral als zij het vergelijken met de zonden, die hen tot brandstof voor dat vuur hebben gemaakt, dat Hij, de Heere dat aangestoken heeft, vers 48, als een heilig Wreker van Zijn geschonden eer.
b. Deze brand zal algemeen zijn: alle rangen en standen zullen er door verteerd worden-jongen en ouden, rijken en armen, aanzienlijken en geringen. Zelfs alle groene bomen, die door het vuur niet licht aangetast wordt, zal door dit vuur verteerd worden, ook van de goede mensen zullen sommigen in deze rampen verwikkeld worden, en, "indien Hij dit doet aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?" Het dorre hout zal voor dit vuur zijn als tondel en zwam. "Alle aangezichten (dat is: al wat het gelaat van de aarde bedekt) van het zuiden van Kanaän tot het noorden, van Berseba tot Dan, zullen daardoor verbrand worden."
c. Het vuur zal niet uitgeblust worden. Alle pogingen om de ontbinding tegen te gaan zullen mislukken. Als God een volk verderven wil, wie of wat zal het dan redden?
Ziehier 1. Het verwijt van het volk aan de profeet ter gelegenheid van deze prediking. Zij zeiden: "Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?" Dat was de taal, hetzij van onwetendheid of ongeloof (de eenvoudigste waarheden waren gelijkenissen voor hen), hetzij van boosaardigheid en kwaadwilligheid tegen de profeet. Het is iets zeer gewoons, dat zij, die zich niet laten bewerken door het Woord, er aanmerkingen op maken, het is of te duidelijk of te duister, al te mooi of al te eenvoudig, te alledaags of te zonderling, altijd is er iets aan, dat niet deugt.
2. Het beklag van de profeet bij God: "Ach Heere Heere, zij zeggen van mij dat en dat". Het is een troost voor ons, als de mensen ten onrechte kwaad van ons spreken, dat wij een God hebben, bij Wien wij ons beklag kunnen doen.