Numeri 22:22-35
Hier wordt ons bericht hoe God Bileam tegenstond op zijn reis naar Moab. Waarschijnlijk waren de vorsten van Moab vooruitgegaan, of deden de reis misschien langs een andere weg en had Bileam een plaats bepaald, waar hij met hen samen zou komen of waar zij op hem moesten wachten, want wij lezen niets van hen in dit deel van ons verhaal, maar alleen, dat Bileam, als een persoon van aanzien, vergezeld was van zijn twee dienaren, eer genoeg, zou men denken, voor zo'n man, zodat hij niets aan Balak verplicht behoefde te zijn voor rang of aanzien.
I. Wij hebben nu hier Gods misnoegen op Bileam wegens zijn ondernemen van deze reis: Gods toorn was ontstoken, omdat hij heentoog vers 22. De zonde van de zondaren moet niet minder God tergend geacht worden, omdat Hij haar toelaat. Wij moeten niet denken dat, wijl God de mensen door Zijn voorzienigheid niet weerhoudt van zonde, Hij haar daarom goedkeurt, of dat zij Hem daarom niet hatelijk is, Hij laat de zonde toe, en toch vertoornt zij Hem. Niets mishaagt God meer dan boosaardige plannen tegen Zijn volk, die hen aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.
II. De wijze, waarop God aan Bileam Zijn misnoegen kenbaar maakte: de engel des Heeren stelde zich in de weg, hem tot een tegenpartij. Nu vervulde God Zijn belofte aan Israël: Ik zal uwer vijanden vijand zijn, Exodus 23:22. De heilige engelen zijn tegenpartijders van de zonde en worden misschien meer gebruikt dan wij weten om haar te voorkomen, inzonderheid om diegenen tegen te staan, die kwade bedoelingen hebben tegen Gods kerk en volk, voor wie Michael onze vorst staat, Daniël 12:1, 10:21. Hoe troostrijk is dit voor allen, die het goede wensen voor Gods Israël dat Hij aan de bozen nooit toelaat om iets tegen hen te ondernemen, zonder Zijn heilige engelen uit te zenden, om die ondernemingen op niets te doen uitlopen, en Zijn kinderkens te beveiligen. Toen de profeet de vier hoornen zag, welke Juda en Israël verstrooid hebben, zag hij tevens vier smeden, die deze hoornen neer moesten werpen Zacheria 1:18 en verv. Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten. Deze engel was een tegenpartij voor Bileam, omdat Bileam hem als zijn tegenpartij beschouwde, maar anders zijn diegenen in werkelijkheid onze beste vrienden, (en wij behoren hen als zodanig te beschouwen) die ons tegenhouden op de weg van de zonde. De engel stond met uitgetrokken zwaard, vers 23, een vlammig zwaard, zoals dat in de hand van de cherub, Genesis 3:24 dat zich omkeerde naar alle zijden. De heilige engelen voeren krijg tegen hen, op wie God vertoornd is, want zij zijn de dienaren van Zijn gerechtigheid.
Aan Bileam wordt Gods misnoegen te kennen gegeven:
1. Door de ezelin, en dat heeft hem niet verschrikt. De ezelin zag de engel, vers 23. Hoe ijdel was Bileams roemen dat hij een man was, wie de ogen geopend zijn, en dat hij de gezichten des Almachtigen ziet, Hoofdstuk 24:3-4, als toch de ezelin, die hij bereed, meer zag dan hij, daar zijn ogen verblind waren door geldgierigheid en eerzucht, en het loon van de waarzeggingen. Velen hebben God en de heilige engelen tegen zich zonder er zich van bewust te zijn. De ezelin kent haar bezitter en ziet zijn gevaar, maar Bileam heeft geen kennis, verstaat niet, Jesaja 1:3. Heere, is Uw hand verhoogd, zij zien het niet. Laat niemand opgeblazen zijn door een denkbeeld van visioenen en openbaringen, als zelfs een ezelin een engel zag, maar laat diegenen zich schamen over hun domheid, groter dan die van de beesten die vergaan, die, als hun gesproken wordt van het zwaard van Gods toorn, dat tegen hen is uitgetrokken zolang zij volharden in hun boze weg, er toch in voortgaan. Dan verstond de ezelin beter de wet van de zelfbewaring, want om zowel zichzelf als haar onzinnige berijder te redden:
A. Week zij uit de weg, vers 23. Bileam had moeten achtslaan op die wenk, en eens bij zichzelf moeten nagaan, of hij niet buiten de weg was van zijn plicht, maar in plaats hiervan, sloeg hij de ezelin om haar naar de weg te doen wenden vers 23. Aldus zijn zij, die zich door moedwillige zonde in het verderf storten, toornig op hen, die hun verderf zouden willen voorkomen.
B. Zij was nog niet veel verder gegaan, of wederom ziet zij de engel, en om hem te mijden klemt zij zich aan de wand, en klemt Bileams voet aan de wand, vers 24, 25. Aan hoe velerlei ongevallen staan wij bloot, als wij op reis zijn, als wij er voor bewaard worden, dan moeten wij dit toeschrijven aan Gods voorzienigheid, die ons door de dienst van de engelen bewaart in al onze wegen opdat wij onze voet aan geen steen stoten, maar als ons te eniger tijd een ramp overkomt, dan behoren wij te onderzoeken of in Gods oog onze weg recht is of niet. Dit klemmen van Bileams voet redde hem het leven, maar toch ontstak het hem zozeer in toorn, dat hij de ezelin voor de tweede maal sloeg. Zo geneigd zijn wij om vertoornd te wezen op hetgeen, hoewel voor het ogenblik een ongerief, toch een wezenlijke vriendelijkheid is.
C. Bij de volgende ontmoeting met de engel, legde de ezelin zich neer onder Bileam, vers 26, 27. Nu had hij moeten bedenken dat hier stellig iets buitengewoons in was, want zijn ezelin was niet weerspannig, het was niet haar gewone doen, maar gewoonlijk zullen zij, wier hart vol is om kwaad te doen, met geweld voortgaan, en door alle moeilijkheden, die Gods voorzienigheid hun in de weg legt, om hen te weerhouden, heenbreken. Voor de derde maal sloeg Bileam zijn ezelin, hoewel zij hem thans de beste dienst had bewezen, die zij hem ooit bewezen had, hem reddende van het zwaard van de engel, en door haar neervallen onder hem, hem lerende om hetzelfde te doen.
D. Toen nu dit alles niets op hem vermocht, opende God de mond van de ezelin, en zij sprak tot hem, maar ook dit bewoog hem niet, vers 28. De Heere opende de mond van de ezelin. Dit was een groot wonder, ten enenmale boven de kracht van de natuur, en gewrocht door de God van de natuur, die de mens de mond gemaakt heeft, en hem geleerd heeft te spreken, want anders (daar wij zuiver door navolging leren spreken, weshalve zij, die doof geboren zijn, dientengevolge stom zijn) zou de eerste mens nooit gesproken hebben en zijn nakomelingen evenmin. Hij, die de mens heeft doen spreken, kon, als het Hem behaagde, de ezelin met mensenstem doen spreken, 2 Petrus 2:16. Ds. Ainsworth merkt hier op, dat de duivel, toen hij onze eerste ouder verleid heeft om te zondigen, een listige slang gebruikt heeft, maar dat God, toen Hij Bileam wilde overtuigen, een domme ezelin heeft gebruikt, een spreekwoordelijk dom en dwaas schepsel, want Satan verderft de geest van de mensen door de bedriegerij van de mensen, om hen listig tot dwaling te brengen, maar Christus heeft het dwaze van de wereld uitverkoren, opdat hij de wijzen beschamen zou. Door een stomme ezelin kan God de dwaasheid van de profeet bestraffen want Hij heeft nooit gebrek aan bestraffers, maar kan, als het Hem behaagt, de stenen doen roepen tot een getuigenis tegen hen, Lukas 19:40, Habakuk 2:11.
a. De ezelin klaagde over Bileams wreedheid, vers 28. Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? vers 28. De rechtvaardige God wil ook de geringsten en zwaksten niet mishandeld zien, zij zullen of in staat gesteld worden om tot hun eigen verdediging te spreken, of Hij zal zelf op de een of andere wijze voor hen spreken. God wil geen beest verongelijkt zien, veel minder nog een mens, een Christen, een van Zijn eigen kinderen. Wij kunnen de mond van de stommen niet openen zoals God hier gedaan heeft, maar wij kunnen en moeten onze mond openen voor de stomme, Spreuken 31:8 Job 31:13. De klacht van de ezelin was rechtvaardig. Wat heb ik gedaan? Als wij de neiging gevoelen om iemand met hand of mond te slaan, dan moeten wij nadenken en ons afvragen wat hij ons gedaan heeft. Wij horen het niet, maar het gehele schepsel zucht, Romeinen 8:22, bezwaard zijnde. Het was veel dat Bileam niet verbaasd was zijn ezelin te horen spreken, en niet beschaamd werd, maar sommigen denken dat het voor hem, die een bezweerder was, niets nieuws was om aldus door duivelen in de gedaante van dieren te worden aangesproken. Anderen denken dat zijn hartstocht en woede hem zo vervoerd hebben, dat hij niet instaat was op het vreemde van de zaak te letten. Door niets wordt de mens zo verdwaasd en versuft als door ongebreidelde toorn. In zijn woede wenst Bileam, dat hij een zwaard had om er zijn ezelin mee te doden, vers 29. Zie zijn onmacht: kan hij denken door zijn vervloekingen kwaad te zullen doen aan Israël, die niet eens de macht heeft zijn eigen ezelin te doden? Dat kan hij niet, hoewel hij het zo gaarne wilde, en wat zou hij er bij winnen? Hij zou er zich slechts armer door maken (zoals velen doen) door aan zijn hartstocht en wraaklust toe te geven. Zodanig was de dwaasheid van deze valse profeet. Het is een groot kwaad merkt Bisschop Hall hier op, om in de handen te vallen van hen, die de stomme dieren onbarmhartig voor zich vinden, want de rechtvaardige kent het leven van zijn beesten.
b. De ezelin sprak met hem, vers 30. God stelde het stomme dier niet alleen in staat om te spreken, maar het onvernuftige dier om met verstand te spreken. Drie dingen voert zij aan bij hem.
Ten eerste. Zijn eigendomsrecht in haar: Ben ik niet uw ezelin? God heeft de mens heerschappij gegeven over de dieren, zij zijn in zijn hand gegeven om gebruikt te worden, en onder zijn voeten gesteld om geregeerd te worden. Zelfs slechte mensen hebben een recht op de bezittingen, die God hun geeft, welk recht hun niet ontnomen mag worden. De heerschappij, die God ons over de dieren gegeven heeft, is een goede reden, waarom wij hen niet moeten mishandelen. Wij zijn hun heren, en daarom moeten wij niet hun tirannen zijn.
Ten tweede. Haar gedienstigheid voor hem: waarop gij gereden hebt. Het is goed voor ons om dikwijls te bedenken hoe nuttig de mindere schepselen zijn, en voor ons geweest zijn, opdat wij er Gode dankbaar voor zijn, en opdat wij barmhartig zijn voor hen.
Ten derde. Dat zij niet gewoon was alzo te doen, nooit tevoren zijn voet had geklemd, of onder hem was gaan neerliggen. Hij kon hier dus uit besluiten dat er iets buitengewoons was, dat haar nu alzo deed doen. Als een verkeerdheid zelden voorkomt, dan moet dit ons misnoegen matigen tegen hem, die de verkeerdheid deed. Als de dieren afwijken van hun gewone gehoorzaamheid jegens ons, dan moeten wij de oorzaak hiervan zoeken in onszelf, en verootmoedigd zijn om onze zonde.
2. Bileam krijgt ten laatste kennis van Gods misnoegen jegens hem door de engel, en dat heeft hem verschrikt. Toen God zijn ogen opende, zag hij de engel, vers 31, en toen boog hij zich op zijn aangezicht in eerbied voor die glorierijke bode, en in vrees voor het zwaard, dat hij in zijn hand zag. God heeft velerlei middelen om het harde, onverootmoedigde hart naar beneden te brengen. a. De engel bestrafte hem om zijn woede en gewelddadigheid, vers 32, 33. Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Hetzij wij hieraan denken of niet, zeker is het, dat God rekenschap van ons zal eisen wegens het mishandelen van Zijn schepselen. Ja hij toont hem hoeveel meer reden hij had om zich op de borst te slaan en zichzelf te veroordelen, dan aldus uit te varen tegen zijn ezelin, "Uw weg wijkt van mij af, hoe kunt gij dan denken voorspoed te zullen hebben?" En hoeveel wijzer was zijn ezelin dan hij, en hoeveel had hij haar te danken, dat zij terzijde was uitgeweken, het was voor zijn, niet voor haar veiligheid, want indien zij was voortgegaan, dan zou hij gedood en zij in het leven gebleven zijn. Als onze ogen geopend worden, dan zullen wij zien in welk gevaar wij zijn in een zondige weg, en hoezeer het in ons voordeel is, als wij er in worden tegengegaan, en welke dwazen wij zijn, als wij ons om die tegenstand vertoornen, die er toe bijgedragen heeft om ons leven te redden.
b. Toen scheen Bileam verzacht te worden, vers 34, "Ik heb gezondigd, gezondigd door deze reis te ondernemen, gezondigd om met zoveel geweld voort te gaan" maar hij verontschuldigt dit door te zeggen dat hij de engel niet gezien heeft, maar nu hij hem zag, was hij bereid terug te keren. Wat God mishaagde was niet zozeer zijn gaan, als wel zijn gaan met een boosaardige bedoeling tegen Israël en een stille hoop, dat hij, in weerwil van de voorwaarde waarmee zijn verlof bezwaard was, toch wel zou kunnen overmogen om hen te vervloeken, Balak ter wille te zijn, en bevordering van hem te verkrijgen. Het blijkt niet dat hij zich bewust is van deze boosheid van zijn hart, of gewillig was om haar te erkennen, maar als hij bemerkt dat hij niet voorwaarts kan gaan, dan zal hij tevreden zijn (daar hij toch niet anders kan) om terug te gaan. Hier is geen teken dat zijn hart veranderd is, maar, zo hem de handen gebonden worden, dan kan hij hier niets aan doen. Zo verlaten velen hun zonden om niets anders, dan omdat hun zonden hen verlaten hebben. Er schijnt een verbetering van leven te zijn, maar wat zal dit baten, zo er geen vernieuwing is van het hart?
c. Maar de engel laat hem zijn verlof om te gaan behouden vers 35. Ga heen met deze mannen. Ga heen indien gij lust hebt om daar te schande gemaakt te worden voor Balak en al de vorsten van Moab. Ga, maar "alleen dat woord, dat ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken, hetzij gij wilt of niet." Want dit schijnt niet een voorschrift, maar een voorzegging te zijn van de gebeurtenis, dat hij niet slechts niet bij machte zou zijn om Israël te vervloeken, maar gedwongen zou zijn hen te zegenen, hetgeen meer tot eer van God en tot zijn beschaming zal zijn, dan indien hij teruggekeerd was. Zo heeft God hem gewaarschuwd, maar hij wilde de waarschuwing niet aannemen, en zo toog hij dan met de vorsten van Balak. Over de ongerechtigheid van Bileams gierigheid was God verbolgen, en sloeg hem, evenwel ging hij afkerig heen, Jesaja 57:17.