Ezechiël 19:10-14
Jeruzalem, de moederstad, wordt hier voorgesteld in een andere gelijkenis, zij is een wijnstok, en de vorsten zijn haar ranken. Deze gelijkenis is niet nieuw, Hoofdstuk 15
1. Jeruzalem is een wijnstok, de Joodse natie is dat: een wijnstok in uw bloed, vers 10, (Engelse vertaling) het koninklijke bloed, een wijnstok, geplant in bloed en besproeid met bloed, dat tot bloei en vruchtbaarheid veel bijdraagt, als ware het vergoten bloed bestemd om de grond vet en beter te maken, zo overvloedig was het gestort. Voor een tijd scheen dat doel ook bereikt te worden, de wijnstok was vruchtbaar en vol ranken, vanwege vele wateren, waarbij hij geplant was. Plaatsen van grote goddeloosheid kunnen een poos voorspoedig zijn, een wijnstok in bloed gezet zou vol ranken zijn. Jeruzalem was vol bekwame heersers, mannen van gezond verstand, van geleerdheid en ervaring, die sterke ranken waren, wijngaardranken van ongewone omvang en kracht, stutten voor de wijnstok, want dat zijn overheidspersonen. De ranken van deze wijnstok waren tot zulken wasdom gekomen, dat zij geschikt waren tot witte staven of scepters van de heersers, vers 11. Het zijn sterke ranken, die tot scepters kunnen dienen, mannen met scherp oordeel en vast besluit, die geschikt zijn te heersen. Toen de koninklijke familie talrijk was en de gerechtshoven gevuld met mannen van verstand en bekwaamheid, toen werd Jeruzalem hoog tussen de dichte takken, toen de regering in goede bekwame handen was, genoot het volk aanzien. Toen hield men hen niet voor een zwakke, lage wijnstok, maar hij werd gezien door zijn hoogte, een stad van aanzien, met de menigte van zijn takken. Tanquam lenta solent inter viburna cypressi, temidden van nederige wilgen verheft zich de cypres. In uw stilheid (zo leest onze vertaling), vers 10 waart gij als een wijnstok. Toen Zedekia rustig en kalm onder het juk van de koning van Babel verkeerde, bloeide zijn koninkrijk. Zie, hoe traag God is tot toorn, hoe Hij Zijn oordelen uitstelt en wacht, of Hij genadig mocht zijn.
2. Deze wijnstok wordt nu geheel verwoest. Nebukadnezar, door Zedekia's trouwbreuk vertoornd, rekte hem door grimmigheid uit, vers 12 verdelgde stad en koninkrijk en brak al de takken van de koninklijke familie, die hem in de weg traden, af. De wijnstok werd bij de grond afgesneden, ofschoon nog niet uitgeroeid. De oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd. De jongelingen zijn door het zwaard gevallen of in gevangenschap gevoerd. Het aanzien van de wijnstok had nu niets bevallige meer, niets dat wat beloofde. Zijn sterke ranken zijn afgebroken en zijn verdroogd, zijn grote mannen zijn gedood, zijn heersers afgezet. De wijnstok zelf is geplant in een woestijn, vers 13. Babel was een woestijn voor diegenen onder het volk die daarheen gevoerd werden, het land van Juda was een woestijn voor Jeruzalem, nu het gehele land door de Chaldeeuwse legerscharen was vertrapt en verwoest, "een vruchtbaar land, in een woestenij veranderd. Het is met vuur verbrand," Psalm 80:16, en dat vuur is uitgegaan uit een roede van zijn ranken, vers 14. De koning zelf is, door zijn rebellie tegen de koning van Babel, van al die ellende de oorzaak geweest. De wijnstok mag dankbaar zijn, dat het vuur hem verteerd heeft, door zijn goddeloosheid heeft hij zich tot brandhout gemaakt voor het vuur van Gods toorn, zodat zijn eigen takken tot voedsel van het vuur dienen om hem te verteren. In die takken wordt het vuur aangestoken, dat de vruchten verteerd heeft. De zonden van de ouden halen de oordelen op de hals, die de jongen ombrengen, zijn vrucht wordt verteerd met zijn eigen takken, zodat geen sterke rank overblijft om als scepter te heersen, niemand meer gevonden wordt, bekwaam om het bestuur te voeren of moedig genoeg om "deze aanstoot onder zijn hand te nemen," Jesaja 3:6, 7, niemand van het huis van David overig, die recht heeft om te regeren, geen wijs man of verstandig heerser, daartoe in staat. Het gaat slecht met een staat, en zal waarschijnlijk erger worden, wanneer de zegen van een weldadig bestuur dus gemist wordt en geen sterke roeden tot heersers meer gevonden worden. Wee het land, welks koning een kind is, want een zwakke roede is al even kwaad als in het geheel geen roede. Die sterke roeden, moeten wij vrezen, waren werktuigen van de onderdrukking geweest, de koning helpende om zijn prooi te vangen en mensen op te eten. Tirannie gaat aan regeringloosheid vooraf, en wanneer de roede des bestuurs verkeert in een slang van de verdrukking dan is het slechts recht, als God zegt: "Er zei geen sterke roede meer zijn om als scepter te heersen, de mensen zijn als de vissen van de zee, waarvan de grote de kleine verslinden." Zie, dit is een weeklacht, en is tot een weeklacht geworden. De profeet was gelast, vers 1, een weeklacht op te heffen, en nadat hij zulks gedaan heeft, laat hij ze voor anderen, om er gebruik van te maken. "Het is een weeklacht voor ons in deze tijd, en, indien de oorlog lang aanhoudt, zal het tot een weeklacht zijn voor degenen, die na ons komen. Het nog niet geboren kind zal rouw dragen over de over Juda en Jeruzalem door de tegenwoordige oordelen gebrachte verwoesting. Zij kwamen niet haastiglijk, de boog werd niet aanstonds gespannen. Maar nu zij gekomen zijn, zullen zij blijven, en de droeve gevolgen zal het nakroost dragen." Zie, degenen, die de zonden hunner vaderen vervullen, leggen voor hun kinderen een schat van toorn op en geven hun reden voor een weeklacht, en niets is in dit opzicht droever dan de omverwerping van het bewind.