Ezechiël 16:6-14
In deze verzen vinden wij het verhaal van de grote dingen, die God voor het Joodse volk deed, door het trapsgewijze tot groot aanzien te brengen.
1. God verloste hen van het verderf, op welks rand zij in Egypte waren, vers 6 :Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloede, verafschuwd en verlaten, bestemd om te sterven, als schapen ter slachting, zo zei Ik tot u: Leef. "Ik bestemde u voor het leven, terwijl gij ten ondergang gedoemd werd, en besloot u te verlossen van de dood." Zij zullen leven, wie God beveelt te leven. God zag op de wereld van de mensen, dat zij aldus verworpen, aldus weggeworpen, zo verontreinigd, en zo bebloed was, en Zijn gedachten over haar waren goede gedachten, "en bedoelden haar leven, en dat meer overvloedig. Door bekerende genade zegt Hij tot de ziel: Leef."
2. Hij zag op hen met vriendelijkheid en tedere genegenheid, had niet alleen medelijden met hen, maar had hen ook lief, waartoe zij geen reden gegeven hadden, want er was niets in hen om lief te hebben, maar Ik zag u, en zie, uw tijd was de tijd van de minne, vers 8. Het was de goedertierenheid en liefde van God onze Zaligmaker, die Christus zond om ons te verlossen, die de Geest zendt om ons te heiligen, die ons uit de staat van de natuur in de staat van de genade bracht. Dat was de tijd van de minne, inderdaad, van onderscheidende liefde, toen God ons Zijn liefde openbaarde, en onze liefde tot Hem begeerde. "Toen was ik in Zijn ogen als ene, die vrede vindt," Hooglied 8:10.
3. Hij nam ze onder Zijn bescherming: "Ik breidde Mijn vleugel over u uit, om u tegen wind en weer te beschermen, en dekte uw naaktheid, opdat niemand uw schaamte zou zien. Boaz breidde zijn vleugel over Ruth uit ten teken van zijn bijzondere gunst voor haar Ruth 3:9. God nam ze onder Zijn toezicht, gelijk een arend zijn jongen op zijn vlerken draagt". Deuteronomium 32:11, 12. Toen God hen als Zijn volk aannam en Mozes naar Egypte zond om hen te verlossen, wat een uiting was van de goedgunstigheid van Hem, "die in het braambos woonde, toen breidde Hij Zijn vleugel over hen uit."
4. Hij zuiverde hen van de smaad, die hen van de slavernij in Egypte aankleefde, vers 9 :"Daarna wies Ik u met water, om u te reinigen, en zalfde u met olie, om u lenig en vrolijk te maken." Al de schande van hun slavernij werd van hen afgewenteld, toen zij uitgevoerd werden met een sterke hand en een uitgestrekte arm tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods. Toen God zei: Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene-"Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene, toen spoelde dit woord, bekrachtigd door zoveel werken en wonderen, hun bloed volkomen van hen af, en toen God hen leidde onder bedekking van de vuurkolom en van de wolkkolom, toen breidde Hij Zijn vleugel over hen uit".
5. Hij deed hen vermenigvuldigen en bouwde ze op tot een volk. Dit wordt hier gezegd, vers 7, vóór: Ik breidde Mijn vleugel uit, omdat zij overvloedig groeiden, terwijl zij nog slaven waren in Egypte. "Zij vermenigvuldigden zich als het gewas van het veld in de lente, zij vermeerderden en werden geheel zeer machtig", Exodus 1:7, 20. "Hun borsten zijn vast geworden, toen zij hun eigen ambtslieden kregen, Exodus 5:19, hun haar is gewassen, toen zij talrijk werden, terwijl zij naakt en bloot geweest waren, weinig in getal en daarom verachtelijk". 6. Hij deed hen toetreden tot een verbond met Hem. Zie tot welk een heerlijk huwelijk dit arme verlaten kind tenslotte verkoren wordt. Hoe het met waardigheid wordt bekleed, terwijl het eerst ternauwernood zijn leven als een roof gegeven is: "Ik zwoer u en kwam met u in een verbond." Dit geschiedde bij de berg Sinai, "toen het verbond tussen God en Israël bezegeld en bekrachtigd werd, toen werd gij Mijne". God noemde hen Zijn volk en Zich zelf Israëls God. Hen, wie God het geestelijk leven geeft, neemt Hij in Zijn verbond op, door dat verbond worden zij Zijn onderdanen en knechten, wat hun plicht betekent, -Zijn deel, Zijn schat, wat hun voorrecht betekent, en "Hij zwoer hun, opdat zij een sterke vertroosting zouden hebben."
7. Hij gaf haar rijke versierselen. Deze jongedochter kan haar versierselen niet vergeten, en zij ontvangt er in overvloed tot haar voldoening, vers 10-13. Wij behoeven deze niet stuk voor stuk toe te passen. Haar kleerkast werd ruim voorzien van vrouwelijke benodigdheden, gestikt werk, schoeisel van dassenvellen, linnen gordels, zijden sluiers, armringen, halsketen, voorhoofdsiersel, oorringen, zelfs een kroon van de heerlijkheid, of diadeem. Misschien worden hiermee de juwelen en andere rijke goederen bedoeld, die zij van de Egyptenaars namen, en waarvan zij nog lang naderhand wel spreken mochten als een genadige omstandigheid van hun verlossing, gelijk er lang tevoren reeds over gesproken was Genesis 15:14 :"Zij zullen uittrekken met grote have." Ook kan men het figuurlijk opvatten en er onder verstaan al die zegeningen van de hemel, die beide kerk en staat tot sieraad waren. In weinig tijds waren zij tot grote sierlijkheid gekomen, vers 7. De rechten en inzettingen, die God hun gaf, waren als "een aangenaam toevoegsel hun hoofde en ketenen aan hun hals," Spreuken 1:9. "Gods heiligdom dat Hij onder hen oprichtte, was een sierlijke kroon op haar hoofd, het was de heilige majesteit."
8. Hij voedde hen met veelheid, met overvloed, met lekkernijen: "Gij at meelbloem en honing en olie, -manna, het voedsel van de engelen- honing uit de rotssteen, olie uit de kei van de rots," Deuteronomium 32:13-14. In Kanaän aten zij brood tot verzadiging het vette van de tarwe. Die God in Zijn verbond opneemt, worden gevoed met het brood des levens, bekleed met het kleed van de rechtvaardigheid, versierd met de genade en de vertroostingen van de Geest. "De verborgen mens des harten is onverderfelijk versiersel."
9. Hij gaf hun een groter naam onder hun naburen, en maakte hen aanzienlijk, begeerlijk voor hun vrienden en bondgenoten, en geducht voor hun tegenstanders: Gij waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werd, vers 13, wat waardigheid en heerschappij uitdrukt, en een naam ging van u uit onder de heidenen, om uw schoonheid, vers 14. De volken om hen heen hielden het oog op hen en bewonderden hen om de uitmuntende wetten, waardoor zij geregeerd werden, om het voorrecht, dat zij hadden in de toegang tot God, Deuteronomium 4:7.
10. Salomo's wijsheid en Salomo's tempel gaven dat volk een zeer grote naam, en, als wij alle voorrechten van de Joodse kerk en zijn koninkrijk samenvatten, moeten wij erkennen, dat zijn schoonheid de meest volmaakte was van alle volken van de aarde. Die schoonheid was volkomen, niets is er dat een volk tot eer strekt, of het was in Israël te vinden, in Davids en Salomo's tijd, toen dat koninkrijk zijn hoogtepunt had bereikt-vroomheid, geleerdheid wijsheid, overwinningen, vrede, rijkdom en dat alles was hun verzekerd, als zij dicht bij God gebleven waren. "Zij was volmaakt, zegt God, door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had door de majesteit van hun heiligheid, daar zij een volk waren, afgezonderd voor God, en aan Hem gewijd, tot lof en tot een naam en tot heerlijkheid." Dat was het wat al hun waardigheden luister bijzette, en het was inderdaad de volmaaktheid van hun schoonheid. Wij kunnen dit geestelijk uitleggen. Geheiligde zielen zijn waarlijk schoon, dat zijn zij in Gods oog, en zij hebben er zelf de troost van. Maar God moet er al de eer van hebben, want zij waren van nature misvormd en bevlekt, en de heerlijkheid, die zij hebben, heeft God op hen gelegd en er hen mee verfraaid, en Hij heeft een welgevallen in het werk van Zijn handen.