14. Daartoe is een vuur der vernietiging uitgegaan uit ene roede zijner ranken, van de koningen, dat zijne vrucht verteerd heeft, zodat aan hem gene sterke roede is tot enen scepter, een koningshuis niet meer bestaat, om te heersen. Dit, wat in dit hoofdstuk is geschreven, is ene weeklaagde, en is tot ene weeklage geworden (liever: en zal tot een klaagzang worden;) als de inhoud geheel zal vervuld zijn, dan zal Israël zijnen Profeet naspreken.
Van het beklagenswaardig lot der naar Egypte en Babel gedeporteerde vorsten gaat het lied over tot de schildering van het lot, dat de begeerlijkheid zijner vorsten aan volk en rijk bereidt. Israël geleek aan enen bij het water geplanten wijnstok; deze bracht sterke takken voort tot scepters, d. i. krachtige koningen, en groeide hoog op.
De vele wateren betekenen den Goddelijken zegen, die over Israël was, den rijken toevloed van genade. Wat in Vers 11 gezegd wordt, heeft vooral betrekking op den schitterenden toestand des volks ten tijde van David en Salomo, onder wien Israël tot een wereldrijk werd als Assur, van wien in Hoofdstuk 31:3 iets dergelijks wordt gezegd.
In Vers 12 volgt op den hoogsten wasdom als een bliksemslag van den helderen hemel de ondergang van den wijnstok, van Jeruzalem en Juda, als de geboorteplaats der koningen en van het Davidische koningshuis. Terwijl in Vers 2-9 vroegere koningen als dragers van het Davidische koningschap, tevens van betekenis in hun lot voor den tegenwoordigen koning worden beklaagd, wordt nu Zedekia, en wel alles reeds geschied, als degene, met wien het Davidische koningschap te gronde gaat, voorwerp van beklaging. Het is dus een driekoningen lied, dat handelt over twee verbrokene heerschersstaven en een en die verbroken wordt.
De Profeet ziet reeds in den geest den koning Zedekia, die het laatste verderf over zijn volk gebracht heeft, als den verbroken staf des wijnstoks. Zo heeft hij ons de trapsgewijs voortgaande vermindering van zijn volk, in het verbreken van drie scepters, klagende voor ogen gesteld. Ja, het is een klaagzang, en zal tot een klaagzang des volks worden, die voortgaat van mond tot mond.
De klacht wordt tot ene klacht; zij is niet de fantasie van enen zwartgallige, maar de voorzegging ener klacht, welke werkelijk met duizende stemmen uit den mond des volks zal voortkomen; zij is gelijk het zaaisel, waaruit een rijpe oogst van klachten voortkomt. Voor het volk hangt thans de hemel vol violen, maar spoedig zal het worden (Job 30:31 Job 1), "Mijne harp is tot ene rouwklage geworden, en mijn orgel tot ene stem der wenenden. " .
Tyrannie is de inleiding tot regeringloosheid, en wanneer de roede der regering veranderd wordt in een slang van verdrukking, dan is het recht bij God, te zeggen, dan zal geen sterke roede zijn tot een scepter om te regeren.