20 Dat is, had vleselijke gemeenschap met de weduwen dergenen die hij ten onrechte vermoord en geweldiglijk verdrukt had. Zie van het woord bekennen alzo genomen, Gen. 4 op vers 1. Anderen nemen het woord almenoth, hetwelk weduwen betekent, Ez. 22:25, voor armenoth, dat is, paleizen, 2 Kron. 36:19, of verlaten paleizen, als Jes. 13:22, zie aldaar de aant., en dat met dezen zin, dat Jojakim ook de goederen der mensen, ja, der machtigen, die hij verdrukt had, aangetast en geroofd heeft, te dien einde die beziende en kennis daarvan nemende.
SV, Genesis 4:1 SV, Ezechiël 22:25 SV, 2 Kronieken 36:19 SV, Jesaja 13:22