8. Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, voortzettende tegen hem wat zij reeds aan zijnen vader hadden gedaan (
2 Koningen 24:2) en nu aan hem met beter gevolg, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen (vs: 4). 9. En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken met neusringen (
Vers 4), opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijne stem niet meer gehoord werdt op de bergen Israëls (
2 Kronieken 36:10).
Deze klaagzang, welke den ondergang van het koningshuis (Vers 2-9) en de verbanning van Israël in de ballingschap (Vers 10-14) beklaagt, vormt ene finale op de voorafgaande voorzeggingen van den ondergang van Juda, die zeer geschikt was, om alle hoop op afwending van het uiterste geheel ter neer te slaan.
Het klaaglied is aan de vorsten van Israël gewijd, d. i. aan het koninklijk geslacht, aan den stam van David in het algemeen, en het betreft zijn smadelijk verderf. Met opzet wordt "Israël" en niet "Juda" genoemd, volgens algemene echt profetische wijze van beschouwing, welke het Davidische huis als het alleen wettige liet voorkomen, het als het rechtmatige opperhoofd van geheel Israël beschouwde.
De klacht over de vorsten handelt in de eerste plaats over feiten, die in den tijd, toen deze woorden werden gesproken, geschiedkundig reeds hadden plaats gehad, de wegvoering van Joahaz naar Egypte en de wegvoering van Jojachin naar Babel. Daar echter de profetie met hetgeen voorbijgegaan is niets te doen heeft, ook de parallelle klacht met betrekking tot het volk (Vers 10) op toekomende zaken betrekking heeft, zo zal men moeten aannemen, dat de Profeet die feiten van het verledene als voorbeelden in `t oog neemt van hetgeen den tegenwoordigen koning Zedekia zal overkomen, zodat wij ons volgens Vers 9 gedachtenlijnen of een "die het leest, versta het" moeten denken. Alleen bij deze opvatting is ook te verklaren het overigens bevreemdende feit, dat Joahaz en Jojachin onmiddellijk aan elkaar worden verbonden, maar Jojakim, die geschiedkundig daartussen staat, geheel wordt voorbijgezien. Hoewel hij ene meer betekenende persoonlijkheid was dan die beide andere, veel langer regeerde, zijne regering ook overvloedige stof tot klachten aanbood, daar in deze het begin van de Chaldeeuwse dienstbaarheid valt en de eerste inneming van Jeruzalem, en wat niet het minste was ook een tijd van groten druk onder hem plaats had, te weeg gebracht door zijn afvallen, en waarbij hij zelf het leven verloor (2 Koningen 24:1-6), zo behoorde hij toch niet in den zamenhang, omdat juist de wegvoering van Zedekia in het heidenland, en voornamelijk naar Babel moest worden afgebeeld.
In Vers 2, 10 is het geheel der toen levende Israëlieten aangesproken. De moeder van deze is Israël als geschiedkundig volk, in zoverre het de nu nog levende en aangesprokene Israëlieten heeft voortgebracht. Wanneer nu in ene vraag vol verwondering gezegd wordt: wat was hare moeder, ene leeuwin onder de leeuwen nederliggende; zij bracht hare welpen op in het midden der jonge leeuwen, dan zijn de oude leeuwen, tussen welke Israël zich legerde, de andere volken en rijken in hun wereldse macht, in hunnen mensen vernielenden, veroveringszuchtigen, gewelddadigen aard. Tussen deze legers stelt Israël zich dus wat dezen hunnen aard betreft met hen gelijk, gedraagt zich als tot hen behorende, verenigt zich met dit hun wezen. Ene dubbele berisping wordt daardoor over Israël uitgesproken, 1) dat het zich met de andere volken gelijk stelt, ene roofgierige macht als deze wil zijn, en 2) dat het daardoor gevolgelijk ook zijne koningen verderft, hen in dat wereldse geweld intrekt-met andere woorden, het klaaglied klaagt tegen de toen levende Israëlieten: wat doet toch uwe moeder Israël, dat zij zich met de heidense wereldmachten gelijk stelt, en daardoor hare koningen verleidt, en zich als heidense wereldheersers te willen gedragen! Met dit hoofdverwijt is de grondtoon der weeklacht uitgesproken. In het volgende wordt nu in de eerste plaats op twee voorbeelden gewezen, hoe en tot welk treurig einde Israël door zijn eigen zoeken naar heidense wereldmacht zijne koningen op gelijke wijze bedorven heeft. Daar het nu op zulke voorbeelden aankwam, niet op ene herhaalde optelling der laatste koningen, wordt Jojakim overgeslagen, bij wien het, daar hij niet in de macht der heidense volken eindigde, niet bleek, tot welk einde het leidde, als Israëlietische koningen leeuwen wilden zijn als de koningen der wereld. Daarentegen worden zeer gepast Joahaz en Jojachin tegenover elkaar geplaatst, die aan de beide wereldse machten, tussen welke toen Israël heen en weer wankelde, ten roof werden, terwijl de een door Egypte, de ander door Babel het loon vond voor het boeleren met de wereldmachten. Bij Joahaz vooral bleek het, dat Israël zich bij de heidense volken voegde, even als wanneer ene leeuwin zich onder de leeuwinnen legert. Het kende zich den leeuwenaard toe en wekte ook bij de koningen, die het voortbracht, den leeuwenaard op. Het verhief Joahaz uit het midden zijner koningszonen op den troon, en deze werd nu een jonge leeuw, handelde even als de heidense koningen met hunnen roofgierigen, den mensen vijandigen aard, die even als de leeuwen zijn. Dat had ten gevolge, dat de heidense volken op hen letten, tussen die beiden gemeenschap ontstond, zich enigzins met hen inlieten, maar ook het verdere gevolg was, dat het in verwikkelingen met deze geraakte, welke daarmee eindigden, dat het gevangen naar Egypte werd gesleept.
Wat de geschiedkundige betrekkingen aangaat zijn de wegvoering van Joahaz naar Egypte en die van Jojachin naar Babel parallel. Jojakim, die daar tussen staat, valt weg, maar omdat Jojachin meer betekende en voor het begin der Babylonische dienstbaarheid meer karakteristiek is, is hij geheel in zijne kleuren voorgesteld.
Merk hieraan, Gods rechtvaardigheid moest erkend worden, wanneer degenen, die anderen verschrikt en tot slaven gemaakt hebben, zelven verschrikt en tot slaven gemaakt worden; wanneer zij, die door misbruik van de macht tot verwoesting, die hun gegeven was tot opbouwing, zich zelf tot wilde beesten maken als brullende leeuwen en huilende beren als zodanig behandeld worden, wanneer zij, die gelijk Ismaël, hun hand tegen allen hebben, ten laatste zo ver komen, dat zij de hand van allen tegen zich hebben. Het is sedert lange aangemerkt, dat bloeddorstige tyrannen zelden in vrede sterven, maar dat hun bloed te drinken wordt gegeven, omdat zij het waardig zijn.