9. Juda is, in de geschiedenis van zijn stam, eerst a) een leeuwenwelp, een jonge leeuw, die, ofschoon nog niet tot zijn volle kracht gekomen; reeds proeven van zijn heldennatuur geeft, en toont, wat er van hem worden zal. Die toekomstige tijd staat mij reeds voor de geest. Ziet! gij zijt van de roof opgeklommen, 1) mijn zoon! de roof heeft u groot en sterk gemaakt. Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, en als een oude leeuw; 2) wie zal hem doen opstaan? 3) Wie zal het wagen hem te naderen en hem in zijn rust te storen?
a) Numeri 24:9 Micha 5:7
1) Gelijk de leeuw, na zijn prooi bemachtigd te hebben, de berg opklimt, om rustig te genieten (Hooglied 4:8), alzo zou ook Juda zijn. Zijn koninklijke heerschappij zou hij doen voelen, maar ook zijn persoonlijke moed openbaren. Dit komt in het volgende uit..
2) In het Hebreeuws Kelabi, sla een oude hond, geeft de Statenvertaling. Beter is, als een leeuwin, alsof er dus stond (Celebia). De aartsvaderprofeet wil dan, behalve heerschappij en kracht, ook persoonlijke moed aan Juda toedelen, als een leeuwin, die tegen de meest felle vijanden hare jongen verdedigt..
3) Reeds toen Juda zo moedig voor Jozef trad, en, terwijl de broeders niet konden spreken, zo welsprekend bad (hoofdstuk 44:16), openbaarde hij de heldenmoed, die in hem was, en verschafte hij aan zijn broeders de overwinning over Jozef, gelijk hij het ook geweest is, die door zijn zich borgstellen voor Benjamin van de vader verkreeg, dat deze zijn lievelingszoon eindelijk mee naar Egypte liet vertrekken (hoofdstuk 43:3). Nu ziet Jakob de gehele geschiedkundige toekomst van Juda's stam onder het beeld van een leeuw; en het vervolg heeft de voortreffelijkheid van dit beeld overvloedig bewezen. Juda is een jonge leeuw gedurende de tocht door de woestijn; wanneer hij aan de spits van de stammen trekt, en in de tijd van de Richters, toen hij de voorvechter werd in de oorlogen tegen de Kanaänieten (Numeri 2:3; 10:14 Richteren 1:1; 20:18 ); hij is een volwassen leeuw in de persoon van de krijgsman David, die aan Israël het uitgebreidste grondgebied verschafte (2 Samuël 7:1) hij is een woedende leeuwin, die haar jongen beschermt, in de tijd van de Makkabeën, toen het volk, dat voornamelijk bestond uit degenen, die tot de stam van Juda behoorden, zo moedig het geloof van de Vaderen tegen het opgedrongen heidendom verdedigde. (1 Makk.1 vv.; 2 Makk.10:10) 10. De scepter, het teken van heerschappij, zal van Juda niet wijken, noch de wetgever, de heersersstaf van tussen zijn voeten; 1) de heerschappij zal bij Juda blijven, totdat Silo 2) (rust, vrede), de Messias komt, en deze zullen de volken gehoorzaam zijn. 3)
1) De scepter is het teken van heerschappij en van macht, en het woord "wetgever" geeft de handhaving van de heerschappij aan. De uitdrukking "tussen zijn voeten" wil niet zeggen, dat die staf rustig zal liggen tussen Juda's voeten, maar geeft in verband met Deuteronomium. 28:57 de afstamming in de rechte nederdalende lijn aan. De juiste vertaling is dus wylgr Nybm (Mibbeen Raglauw): van zijn wettige nakomelingschap..
2)"Totdat Silo komt". Hoe moeten wij deze bepaling, waarop hier alles aankomt, verstaan? Raadplegen wij de oudste Joodse geleerden, met zeldzame eenstemmigheid hebben zij hier een aanwijzing van de Messias gevonden. Zelfs een enkele nieuwere (Jarchi), die anders, om eenvoudig te vermoeden redenen, zich moest aangespoord gevoelen, om naar een andere verklaring te zoeken, is hen hierin nagevolgd. In de eerste zestien eeuwen van het christendom was die mening nagenoeg algemeen, en ook Grotius, die andere in soortgelijke gevallen niet zelden een ander spoor, dan dat van de gelovige uitleggers, kiest, is de Messiaanse opvatting toegedaan. En, ofschoon er in het Nieuwe Testament geen enkele aanhaling voorkomt, waardoor de Heere of Zijn Apostelen deze plaats ondubbelzinnig onder de Messiaanse voorspellingen rangschikken, schijnt deze echter wel het meest in de geest van het Evangelie te zijn. Om niet eenmaal te herinneren, hoe de schrijver van de brief aan de Hebreeën er gewicht op legt, dat onze Heere uit Juda gesproten is (Hebreeën 7:14) ), doen wij slechts opmerken, dat Johannes Hem in Zijn Openbaring ls "de leeuw, die uit de stam van Juda is, de wortel van David" hoort uitroepen (Openbaring :5). Er zijn in de afgelopen eeuw schriftverklaarders geweest, die de gehele voorspelling van Jakob beschouwden als een verdichtsel van latere tijd, hem op de lippen gelegd, toen Juda reeds een hoge trap van luister bestegen had. Zij gingen uit van de stelling, dat hier toespelingen op feiten gevonden werden, die de aartsvader onmogelijk langs natuurlijke weg kon voorzien, en leidden hieruit de gevolgtrekking af, dat wij hier in geen geval zijn eigen woorden vernemen. Wij moeten ons tegen die gevolgtrekking keren. Ongezind, om in het brede te twisten met hen, die alles onhistorisch noemen, wat hun onbegrijpelijk voorkomt, houden wij, zowel aan de echtheid van de Godsspraak, als aan haar geloofwaardigheid vast. Het staat alzo op de voorgrond, dat Jakob, voorgelicht door de geest van de voorzegging, van verborgenheden van de toekomst gesproken heeft, dat hem daarbij Gods hoogste belofte, die aan hem, gelijk aan Izak en Abraham, gedaan was, helder voor de geest gezweefd en na aan het hart gelegen heeft; dat zijn oog op een beslissend eindpunt in de geschiedenis van die zoon heeft gerust, die hij hier boven allen verhief. En zou dat eindpunt niet de Messias zijn, uit de stam van Juda gesproten? Het wordt om meer dan een reden waarschijnlijk. Vooreerst is de opvatting van het woord "Silo" als eigennaam, in de zin van rustaanbrenger, taalkundig geoorloofd. Al wil men het zelfs woordelijk vertalen door "rust", dan is het in zulk een dichterlijke rede niet vreemd, dat de zaak ter aanduiding van de persoon, het abstracte voor het concrete, vermeld wordt. Ten tweede is het juist deze karaktertrek van de Messias, die latere profeten met kennelijke voorkeur en voorliefde vermelden. Wordt zijn doorgaande voorstelling als vredevorst (Jeremia. 2:2-4 Micha 5:4, ) niet dubbel begrijpelijk, wanneer zij op zulk een oud geheimzinnig orakel gebouwd is? En, beschouwen wij eindelijk de zaak van de kant van de hoge Voorzienigheid, wie noemt het dan niet hoogst God waardig, dat zij, die toch niet zonder wijze bedoelingen de aartsvader zulk een kalm en rustig sterfuur bereidde, zijn uitgang door een lichtstraal van de zaligste hoop heeft verhelderd? Wie kan, op gelovig standpunt, vermoeden, dat Jakob talrijke bijzonderheden van de toekomst van zijn zonen voorspeld, maar alleen van het hoogste en grootste volstrekt niets zou hebben voorzien of verwacht? Wie beseft niet, dat zijn wachten op de zaligheid van de Heere (Vers 18) ) met zijn, wel niet geheel heldere, maar toch onwrikbaar vaste hoop op de zegen uit Abraham, in nauw verband heeft gestaan? En wordt men niet onwillekeurig tot de gissing geleid, dat ook, bij de vergelijking van zijn zoon Dan met een slang op de weg (Vers 17), hem de paradijsbelofte zijdelings voor de verbeelding gezweefd heeft? Nauwelijks zal het nodig zijn te herinneren, dat ook de verheven slotwoorden: "en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn" alleen dan volkomen waarheid bevatten, wanneer zij tot de Silo, als persoonlijk wezen gedacht, in rechtstreekse betrekking geplaatst worden, terwijl zij van Juda zelf als Israëlitisch stamhoofd verklaard, bespottelijke grootspraak behelzen. Maar wat vooral niet mag voorbij gezien worden, het is, dat het aan de verwachting van een persoonlijke heilaanbrenger, die wij reeds in Davids tijd zien bestaan, aan alle vaste historische grondslag ontbreekt, indien men niet aanneemt, dat daaromtrent in deze uitspraak van de stervende Jakob een genoegzaam duidelijke wenk is gegeven..
Deze voorspelling is volkomen vervuld. Toen de Heer werd geboren, regeerde over Israël geen koning meer uit het geslacht van Juda, maar de Idumeeër Herodes. Toen Hij optrad onder zijn volk, waren er reeds stadhouders aangesteld, en toen Hij de kruisdood stierf, was ook aan de Joden de wetgevende en rechtsprekende macht in hoogste instantie ontnomen..
3) Hier nu spreekt hij uit, dat hij niet slechts koning van één volk zal zijn, maar dat verschillende volken zich onder zijn vleugels zullen verzamelen. Wij nu weten, dat dit op Christus van toepassing is, aan Wie de erfelijke bezitting van de wereld is beloofd, onder Wiens juk de volken gebracht zijn. Op Wiens wenk verenigd zullen worden, die vroeger verdeeld waren. Verder heeft de roeping van de volken hier een merkwaardig getuigenis, dat zij in de gemeenschap van het verbond zouden ingelijfd worden, opdat zij onder één Hoofd, één volk met de kinderen van Abraham zouden worden..