Ezechiël 18:30-32
Wij hebben hier het besluit en de toepassing van dit alles. Na een onpartijdig onderzoek voor de balie van het gezond verstand, wordt de uitspraak gedaan ten gunste van God, het blijkt, dat Zijn weg recht is. Daarom moet nu het vonnis uitgesproken worden, en men zou denken, dat het een veroordeling moet zijn, niets minder dan: "Gaat weg, gij vervloekten, in het eeuwige vuur." Maar zie, een wonder van genade, de dag van genade en van goddelijk geduld wordt nog verlengd, en daarom, al zal God tenslotte een ieder oordelen naar zijn wegen, blijft Hij toch nog genadig, en besluit met een vermaning tot berouw en een belofte van vergiffenis voor de boetvaardige.
I. Hier zijn vier noodzakelijke plichten, waartoe wij geroepen zijn en die alle op hetzelfde neerkomen:
1. Wij moeten ons bekeren, wij moeten ons hart en onze wegen veranderen, wij moeten spijt hebben van wat wij verkeerds gedaan hebben, en er ons over schamen, en, zover het mogelijk is, het ongedaan maken
2. Wij moeten ons bekeren van al onze overtredingen, vers 30, en opnieuw vers 32. Bekeert u, keert u om, keert u af van de zonde, ja keert u daartegen, als de vijand, die gij haat, keert u tot God, als de vriend, die gij liefhebt.
3. Wij moeten al onze overtredingen van ons wegwerpen, wij moeten ze verlaten en verzaken met het besluit er nimmer toe terug te keren de zonde een scheidbrief geven, alle banden die ons er aan verbinden, verbreken, ze over boord werpen, zoals de zeelieden Jonas (want zij heeft de storm verwekt), ze uit de ziel verbannen, en ze als een misdadiger kruisigen.
4. Wij moeten ons een nieuw hart en een nieuwe geest maken. Dat werd gezegd als een belofte in Hoofdstuk 11:19. Hier wordt het gezegd als een bevel. Wij moeten ons best doen, dan zal God niet nalaten ons Zijn genade te geven. Augustinus geeft een goede uitlegging van dit bevel. "Deus non iubet impossibilia, sed iubendo monet et facere quod possis et petere quod non possis. -God legt ons geen onmogelijke dingen op, maar Hij vermaant ons door Zijn bevelen, te doen wat in ons vermogen is en te bidden voor wat ons onmogelijk is."
II. Hier worden vier goede bewijsgronden gebruikt om deze vermaningen tot bekering bij ons aan te dringen:
1. Het is de enige weg, en het is een zekere weg, om de ondergang te voorkomen, waar onze zonden rechtstreeks heenvoeren: Dan zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden, wat betekent, dat, als wij ons niet bekeren, de ongerechtigheid ons verderf zal worden, hier en voor eeuwig, maar dat, als wij het doen, wij veilig zijn, als een brandhout, uit het vuur gerukt.
2. Als wij ons niet bekeren, komen wij zeker om, en ons bloed zal op ons hoofd zijn. "Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?" Hoe ongerijmd van u, dood en verdoemenis te verkiezen boven leven en zaligheid. De reden waarom zondaars sterven, is, dat zij sterven willen, zij willen de weg, die ten dode leidt, afgaan, en zij willen niet de hoogte bereiken van de voorwaarden, waarop het leven aangeboden wordt. Hierin zijn de zondaars, in `t bijzonder de zondaars van het huis Israëls, hoogst onredelijk en handelen zij onverantwoordelijk. 3. De God des hemels heeft geen welgevallen aan ons verderf, maar verlangt ons welzijn, vers 32 :Ik heb geen lust aan de dood des stervenden, wat betekent, dat Hij een welgevallen heeft aan de redding van de boetvaardigen, en dat houdt in beide een verplichting en een bemoediging voor ons om ons te bekeren.
4. Als wij ons bekeren, zijn wij voor altijd gered: Bekeert u en leeft. Hij, die tot ons zegt: Bekeert u, zegt daarmee: Leeft, ja, Hij zegt tot ons: leeft, zodat leven en dood hier voor ons worden gesteld.