Genesis 6:11-12
Wederom wordt hier van de boosheid van dat geslacht gesproken, als:
1. In tegenstelling met Noach's Godsvrucht. Hij was rechtvaardig en oprecht, toen de gehele aarde verdorven was. Of:
2. Als nog een verdere rechtvaardiging van Gods besluit om de wereld van het mensdom te verdelgen, welk besluit Hij nu aan Zijn dienstknecht Noach te kennen zal geven.
1. Allerlei zonden werden onder hen gevonden, want in vers 11 wordt gezegd, dat de aarde:
a. verdorven was voor Gods aangezicht, dat is: in de zaken van Gods aanbidding, hetzij, dat zij andere goden voor Zijn aangezicht hadden, of dat zij Hem aanbaden in beelden, of dat zij verdorven en boos waren ten spijt en in minachting van God, Hem trotserende in Zijn aangezicht.
b. De aarde was ook vervuld met wrevel, met geweld en onrecht jegens de mensen, er was geen orde, geen geregeld bestuur, niemand was veilig in hetgeen hij bezat, al had hij op zijn bezit ook het volkomenste recht, ja het onschuldigste leven zelf was niet veilig, er heerste niets dan moord en roof. Evenals boosheid de schande is van de menselijke natuur, zo is zij ook het verderf van de menselijke samenleving, zij neemt de consciëntie weg en de vreze Gods en dan worden de mensen wilde dieren en duivelen voor elkaar, zoals de vissen van de zee, waarvan de grotere de kleinere verslinden. De zonde vervult de aarde met geweld, en verkeert de wereld in een wildernis.
2. Het bewijs er van was onloochenbaar, want God zag de aarde, Hij zelf was ooggetuige van het bederf, dat er op heerste, waarvan al in vers 5 gesproken werd. In al Zijn oordelen gaat de rechtvaardige Rechter te werk naar de onfeilbare zekerheid van Zijn eigen alwetendheid, Psalm 33:13.
3. Hetgeen de zaak het meest verergerde was de algemene verspreiding van de besmetting. Al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Het waren niet enige bijzondere volken of steden, die zo slecht waren, geheel het mensdom was dit, er was niemand, die goed deed, niet een, behalve Noach. Als de boosheid algemeen heerst, dan zal het verderf niet lang uitblijven. Zolang er nog een overblijfsel van biddende mensen onder een volk is, om de maat te ledigen naardat zij gevuld wordt, kan het oordeel nog lang tegengehouden worden, maar als alle handen aan het werk zijn om, door de zonde, de omheiningen neer te halen en niemand in de bres staat om haar te stoppen, wat kan dan anders dan een overstroming van toorn verwacht worden?