Mattheus 3:1-6
Hier hebben wij een bericht van de prediking en den doop van Johannes, die de dageraad waren van den evangeliedag. Merk op,
I. Den tijd, wanneer hij verscheen. In die dagen vers 1. of na die dagen, lang na hetgeen in het vorige hoofdstuk vermeld werd, waar wij het Kind Jezus in Zijne kindsheid gezien hebben. In die dagen, in den tijd, vastgesteld door den Vader, voor het begin des Evangelies, toen de volheid des tijds was gekomen, waarvan dikwijls aldus gesproken werd in het Oude Testament. In die dagen. Nu was de laatste van Daniël's weken aangevangen, of liever, de laatste helft van de laatste week, toen de Messias velen het verbond zou versterken, Daniël 9:27. Christus' verschijningen geschieden allen op hun tijd. Heerlijke dingen werden gesproken, beide van Johannes en Jezus, bij en voor hun geboorte, die de verwachting konden opwekken van buitengewone verschijningen ener Goddelijke tegenwoordigheid en kracht, toen zij nog zeer jong waren, maar het is gans anders geweest. Behalve Christus' gesprek met de leraren in den tempel, toen Hij twaalf jaren oud was, schijnt er aan geen van beiden iets bijzonders of merkwaardigs geweest te zijn, totdat zij ongeveer dertig jaren oud waren. Niets wordt vermeld van hun kindsheid en jeugd, het grootste deel van hun leven is tempus adèlon, gehuld in duisternis en donkerheid. In hun uitwendig voorkomen verschillen deze kinderen weinig van andere kinderen, gelijk de erfgenaam, zolang hij minderjarig is, in niets verschilt van een dienstknecht, hoewel hij heer is van alles. En dit was om aan te tonen:
1. Dat God, zelfs als Hij handelt als de God Israël's, de Heiland, toch gewis een God is, die zich verborgen houdt. Jesaja 45:15. De Heere is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. Genesis 28:16. Onze Liefste staat lang achter den muur, eer Hij uit de vensters kijkt. Hooglied 2:9.
2. Dat ons geloof voornamelijk het oog moet hebben op Christus in Zijn ambt, want daarin is de tentoonspreiding Zijner macht, maar in Zijn Persoon is de verberging Zijner macht. Al dien tijd is Christus God-Mens geweest, maar er wordt ons niet gezegd wat Hij zei of deed, totdat Hij als profeet verscheen, en toen was het: Hoort Hem.
3. Dat jonge lieden, ofschoon bekwaam en geschikt, toch niet vooraan gesteld moeten worden in den openbaren dienst, maar ootmoedig, bescheiden en beschroomd behoren te wezen, ras om te horen, traag om te spreken. Mattheus zegt niets omtrent de ontvangenis en de geboorte van Johannes den Doper, die uitvoerig verhaald worden door Lukas, maar vindt hem volwassen, alsof hij uit de lucht was gevallen om in de woestijn te prediken. Gedurende meer dan drie honderd jaren was de kerk zonder profeten geweest, die lichten waren reeds lang uitgeblust, opdat des te meer verlangd zou worden naar Hem, die de grote Profeet zijn zal. Na Maleachi was er geen profeet, niemand die er aanspraak op maakte te profeteren, tot aan Johannes den Doper, op wie Maleachi dus meer dan enig ander profèet van het Oude Testament direct heen wijst, Maleachi 3:1 Ik zende Mijnen bode.
II. De plaats, waar hij het eerst verscheen.
In de woestijn van Judea. Het was geen onbewoonde woestijn, maar een deel des lands, minder dicht bevolkt, en niet zo bezet met akkers en wijngaarden als andere streken, het was ene woestijn, waarin zes steden met hare dorpen waren, welke genoemd zijn in Jozua 15:61, 62. In deze steden en dorpen heeft Johannes gepredikt, want daaromtrent had hij tot nu toe gewoond, daar hij in de nabij gelegene stad Hebron geboren was. Dáár, waar hij zo langen tijd in nadenken had doorgebracht, begon het toneel zijner werkzaamheden, en zelfs toen hij zich aan Israël vertoonde, toonde hij ook hoezeer hij de afzondering liefhad, in zover dit met zijne roeping bestaanbaar was. Het woord des Heren vond Johannes hier in ene woestijn. Gene plaats is zo afgelegen, dat zij ons van de bezoekingen der genade Gods kan buitensluiten, ja, gewoonlijk hebben de heiligen hun liefelijkste gemeen- schap met den Hemel als zij zich het verst van het rumoer dezer wereld hebben teruggetrokken. Het was in deze woestijn van Judea, dat David den 63sten Psalm schreef, die zoveel over de liefelijke gemeenschap spreekt, die hij toen met God had, Hosea 2:13. In ene woestijn werd de wet gegeven, en gelijk het Israël van het Oude Testament, zo werd ook het Israël van het Nieuwe Testament, het eerst gevonden in een land der woestijn, en daar voerde God hem rondom, en onderwees hem. Deuteronomium 32:10. Johannes de Doper was een priester van de ordening van Aäron, maar toch vinden wij hem, predikende in de woestijn, maar niet dienende in den tempel, maar Christus, die geen zoon was van Aäron, wordt toch dikwijls in den tempel gevonden, daar neerzittende als gezaghebbende, en aldus was het voorzegd, Maleachi 3:1. De Heere, dien gijlieden zoekt, zal snellijk tot Zijn tempel komen, niet de bode, die Hem den weg moet bereiden. Dit was ene vingerwijzing, dat het priesterschap van Christus het priesterschap van Aäron zal uitwerpen, het naar de woestijn zal drijven. Het begin des Evangelies in ene woestijn spreekt van vertroosting met betrekking tot de woestenijen der Heidenwereld. Thans moeten de profetieën vervuld worden: Ik zal in de woestijn den cederboom zetten, Jesaja 41:18, 19. De woestijn zal tot een vruchtbaar veld worden, Jesaja 32:15. En de wildernis zal zich verheugen, Jesaja 35:1, 2. De Septuaginta geeft de lezing, de woestijnen der Jordaan, juist die woestijn, waarin Johannes gepredikt heeft. In de Roomse kerk zijn personen, die zich hermieten noemen, en voorgeven Johannes na te volgen, maar als zij van Christus zeggen: Ziet, hij is in de woestijn, gaat niet uit, Hoofdstuk 24:26. Er was een verleider, die zijne volgelingen naar de woestijn uitleidde. Handelingen 21:39.
III. Zijne prediking. Deze maakte hij tot zijne levenstaak. Hij kwam, niet strijdende, noch twistende, maar predikende, vers 1, want door de dwaasheid der prediking moet Christus' koninkrijk worden opgericht.
1. De leer, die hij predikte, was die der bekering, vers 2, Bekeert u. Dit predikte hij in Judea onder hen, die Joden genoemd werden, en den Godsdienst beleden, want ook zij hadden bekering van node. Hij predikte dit, niet in Jeruzalem, maar in de woestijn van Judea, onder het eenvoudige landvolk, want zelfs zij, die zich het meest uit den weg geloven van verzoeking, en het verst van de ijdelheden der wereld en de ondeugden der steden, kunnen hun handen niet wassen in onschuld, maar moeten het doen in bekering. Het was de roeping van Johannes den Doper de mensen op te wekken om zich te bekeren van hun zonden, Metanveite, Bedenkt u, " Laat nog ene tweede gedachte toe, om de vergissing, of dwaling van de eerste te herstellen, -ene nagedachte. Denkt na over uwe handelingen, verandert van zin, gij hebt verkeerd gedacht, denkt nog eens en denkt recht". Ware bekeerlingen, of berouwhebbenden, hebben andere gedachten van God en van Christus, van zonde en van heiligheid, van deze wereld en van de andere wereld, dan zij gehad hebben, en staan er anders tegenover. De verandering van hart of van zin, brengt ene verandering van weg voort. Zij die werkelijk leedwezen gevoelen over het verkeerde, dat zij gedaan hebben, zullen er voor zorgen het niet weer te doen. Dit berouw, die bekering is een noodzakelijke plicht, in gehoorzaamheid aan het gebod Gods, Handelingen 17:30, en ene noodzakelijke toebereiding en geschiktmaking voor de vertroostingen des Evangelies van Christus. Indien het hart des mensen oprecht en onbevlekt ware gebleven, dan zouden de Goddelijke vertroostingen ontvangen zijn kunnen worden, zonder dat deze smartelijke operatie vooraf ging, maar, zondig zijnde, moet het eerst pijn worden aangedaan, voor het tot rust kan worden gebracht, het moet arbeiden voor het kan rusten. De wonde moet kunnen worden gepeild, eer zij kan worden genezen. Ik doorwond en Ik heel.
2. De rede, die hij aanvoert, om kracht bij te zetten aan deze opwekking: Want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De profeten van het Oude Testament riepen de mensen tot bekering ter verkrijging en bevestiging van tijdelijke, nationale zegeningen, en ter voorkoming of afwering van tijdelijke, nationale oordelen: maar nu, hoewel de plicht, waarop wordt aangedrongen, dezelfde is, is de reden toch nieuw en zuiver evangelisch. De mensen worden nu beschouwd in hun persoonlijke hoedanigheid, en niet zoals toenmaals, in ene sociale en politieke hoedanigheid. Nu is het: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, de evangeliebediening van het verbond der genade, de opening van het koninkrijk der hemelen voor alle gelovigen door den dood en de opstanding van Jezus Christus. Het is een koninkrijk waarvan Christus de Soeverein is, en wij moeten er gewillige en getrouwe onderdanen van zijn. Het is een koninkrijk der hemelen, niet van deze wereld, een geestelijk koninkrijk: zijn oorsprong is uit den hemel, zijne strekking is naar den hemel. Johannes predikte het als nabij, het was toen aan de deur, voor ons is het gekomen door de uitstorting des Geestes, en de volle tentoonspreiding van den rijkdom der Evangelie-genade. Dit nu is
a. een sterke drijfveer voor ons om ons te bekeren. Niets is zo geschikt als de Goddelijke genade om het hart te breken, zowel vanwege de zonde als van de zonde. Dit is Evangelische bekering, die voortvloeit uit een zien op Christus, uit de bewustheid Zijner liefde, en de hoop op vergeving en genade door Hem. Vriendelijkheid is overwinnend, misbruikte vriendelijkheid is verootmoedigend en vertederend. Hoe slecht was ik om te zondigen tegen zulk ene genade, tegen de wet der liefde van zulk een koninkrijk!
b. Het is ene grote aanmoediging voor ons om ons te bekeren:" Bekeert u, want op uwe bekering, zullen uwe zonden u vergeven worden. Keert terug tot God in den weg des plichts en Hij zal door Christus tot u wederkeren in den weg der genade." De bekendmaking van vergeving ontdekt den boosdoener en brengt hem terug, daar hij te voren gevlucht was en zich verborgen hield. Aldus worden wij getrokken met zelen, met koorden der liefde. De profetie, die in hem vervuld was, vers 3. Hij is het, van wie gesproken wordt in het begin van dat deel der profetie van Jesaja, dat het meest Evangelisch is, en op Evangelietijden wijst, zie Jesaja 41:3, 4. Het is Johannes, van wie hier gesproken wordt:
1. Als de stem des roependen in de woestijn. Johannes heeft dit zelf erkend, Johannes 1:23, Ik ben de stem, en dat is alles, God is de spreker, die Zijn wil bekend maakt door Johannes, gelijk een mens dit doet door zijne stem. Het woord van God moet als zodanig worden ontvangen 1 Thessalonicenzen 2:13, wat anders is Paulus, en wat is Apollos, dan de stem! Johannes wordt genoemd de stem -phonè boöntos - de stem van iemand, die luid roept, waardoor men opschrikt en ontwaakt. Christus wordt genoemd het Woord, dat helder en duidelijk is, en dus ook meer leerrijk. Johannes, als de stem, heeft de mensen opgewekt, en toen heeft Christus, als het Woord hen onderwezen, gelijk wij vinden in Openbaring 14:2. De stem veler wateren en als van een groten donderslag maakte plaats voor een welluidende stem van citerspelers en het nieuwe gezang, vers 3. Sommigen maken de opmerking, dat, gelijk Simsons moeder zich moest onthouden van sterken drank, terwijl hij toch bestemd was om een sterk man te zijn, zo is de vader van Johannes den Doper met stomheid geslagen, terwijl hij toch bestemd was om de stem des roependen te zijn. Als de stem des roependen voortgebracht wordt door een' stommen vader, dan toont dit de uitnemendheid der kracht van God, en niet van den mens.
2. Als van enen, wiens werk en roeping het was den weg des Heren te bereiden, en Zijne baan recht te maken, zo werd ook, lang voordat hij geboren was, van Hem gezegd, dat hij den Heere een toegerust volk zou bereiden. Lukas 1:17, als Christus' voorbode en voorloper, was hij iemand die den aard van Christus' koninkrijk aanduidde, want hij kwam niet in de bonte, opzichtige kledij van een wapenheraut, maar in het eenvoudige gewaad van een heremiet. Men zendt ambtenaren uit om voor grote, aanzienlijke mannen den weg te bereiden, aldus bereidt Johannes den weg des Heren.
a. Hij zelf deed dit onder de mensen van dit geslacht. In de Joodse Kerk en natie was alles buiten het rechte spoor geraakt, er was een sterk verval in vroomheid en Godsvrucht, de levensdelen van den Godsdienst waren verdorven en weggevreten door de overleveringen en geboden der ouden. De schriftgeleerden en Farizeeën, dat is: de ergste geveinsden ter wereld, hadden den sleutel der kennis en den sleutel der regering aan hun' gordel. Het volk was, over het algemeen, uiterst hoogmoedig op hun voorrechten, gans overtuigd van gerechtvaardigd te zullen worden door hun eigene gerechtigheid, ongevoelig voor hetgeen zonde was, en hoewel thans onder de meest vernederende omstandigheden, daar zij tot een wingewest van het Romeinse rijk waren verklaard, waren zij toch niet verootmoedigd, zij waren ongeveer in dezelfde gemoedsstemming als in den tijd van Maleachi, onbeschoft en hovaardig, er op uit om het woord van God tegen te spreken. Nu was Johannes gezonden om deze bergen te slechten, hun hogen dunk omtrent hen zelven te niet te doen, en hun zonden in het licht te stellen, opdat de leer van Christus des te meer welkom zou zijn en des te meer kracht zou oefenen.
b. Zijne leer van bekering en verootmoediging is thans nog even nodig als toen, teneinde den weg des Heren te bereiden. Er is zeer veel te doen, om voor Christus een' weg te bereiden in de ziel, het hart te neigen om den Zone David's te ontvangen, 2 Samuël 19:14, en niets is hiervoor noodzakelijker dan de ontdekking van zonde, en de overtuiging van het ongenoegzame onzer eigene gerechtigheid. Het beletsel zal beletten, tenzij men het uit den weg neemt, vooroordelen moeten weggenomen worden, hoge gedachten moeten naar beneden gebracht en gevangen worden tot de gehoorzaamheid van Christus. Koperen deuren moeten verbroken, ijzeren grendelen in stukken gehouwen worden, eer de eeuwige deuren geopend zijn om den Koning der ere binnen te laten. De weg der zonde en van Satan is een kromme weg, om een weg te bereiden voor Christus moeten de paden recht gemaakt worden Hebreeën 12:13.
V. Het gewaad, waarin hij verscheen, zijn voorkomen, en zijne levenswijze, vers 4. Zij die den Messias verwachtten als een wereldlijk vorst, zouden denken, dat Zijn voorloper in grote pracht en praal zal verschijnen, dat zijne toerusting zeer glansrijk zal zijn met levendige, vrolijke kleuren, maar het tegendeel blijkt, hij zal groot zijn in de ogen des Heren, maar gering schijnen in het oog der wereld, en, evenals Christus zelf, zal er aan hem gene gedaante noch heerlijkheid zijn, ten einde reeds dadelijk aan te tonen, dat de heerlijkheid van Christus, koninkrijk geestelijk is, en des zelfs onderdanen zoals zij gewoonlijk er door gevonden of er door gemaakt zijn, arm en veracht, hun eer, hun genoegens en hun rijkdom aan ene andere wereld ontlenende.
1. Zijn kleed was eenvoudig. Dezelve Johannes had zijne kleding van kameelhaar, en een lederen gordel om zijne lenden, hij ging niet in lange klederen, zoals de schriftgeleerden, of in zachte klederen, zoals de hovelingen, maar in de klederen van een landman, want hij woonde op het land, en richtte zich in zijne kledij naar zijne omgeving. Het is goed voor ons, om ons te schikken naar de plaats en den toestand, waarin God ons in Zijne voorzienigheid gesteld heeft. Johannes verscheen in deze kledij.
a. Om te tonen, dat hij, gelijk Jakob, een oprecht, een eenvoudig man was, die dezer wereld en dezelve heerlijkheid gestorven was, Zie waarlijk een Israëliet! Zij, die nederig van hart zijn, behoren dit te tonen door ene heilige onverschilligheid omtrent hun kledij, hun versiersel moet niet bestaan in het aantrekken van klederen, en evenmin moeten zij anderen naar hun kledij schatten.
b. Om te tonen dat hij een profeet was, want profeten droegen een harigen mantel, Zacheria 13:4, en inzonderheid om te tonen, dat hij de beloofde Elia was, want van Elia wordt zeer bijzonder melding gemaakt als van een harig man, (dat door sommigen verstaan wordt van het harig kleed, dat hij droeg), en dat hij gegord was met een lederen gordel om zijne lenden, 2 Koningen 1:8. Johannes de Doper schijnt in niets zijn mindere in doding van het vlees, deze is dus Elias, die komen zou.
a. Om te tonen, dat hij een man was van vastberadenheid en kracht, zijn gordel was niet fraai, zoals men ze toen algemeen droeg, maar hij was sterk, het was een lederen gordel, en zalig is die dienstknecht, dien zijn heer, als hij komt, vinden zal, met zijne lenden omgord. Lukas 12:35, 1 Petrus 1:13.
2. Zijne spijze was eenvoudig, zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing, niet alsof hij nooit iets anders at, maar dit was zijn gewoon voedsel, als hij zich terugtrok in eenzame plaatsen, en daar langen tijd verbleef in overdenking. Sprinkhanen zijn ene soort vliegende insecten, zeer goed tot spijze, en toegelaten als rein, Leviticus 11:22, zij zijn gemakkelijk te verteren, vandaar dat het tot de zwakheid of de gebreken van den ouderdom gerekend wordt, dat de sprinkhaan dan een last wordt voor de maag, Prediker 12:5. Van wilden honing was het land Kanaän overvloeiende, 1 Samuël 14:26. Hij werd of onmiddellijk verzameld, als hij neerviel in den dauw, of liever, als hij in de holligheden van bomen en rotsen werd gevonden, waar de bijen bouwden, die niet, als de bijen in korven, onder de zorg der mensen waren. Dit geeft te kennen, dat hij grote matigheid betrachtte in zijn eten, een weinigje was hem genoeg, er is veel nodig eer een man zich verzadigen kan met sprinkhanen en wilden honing: Johannes de Doper is gekomen noch etende, noch drinkende, Hoofdstuk 11:18- niet op de kieskeurige, vormelijke wijze, zoals andere mensen. Hij was zo gans en al vervuld van geestelijke dingen, dat hij slechts zelden den tijd kon vinden voor een gezetten maaltijd. Nu kwam dit overeen
a. met de leer die hij predikte van bekering, en van vruchten, der bekering waardig. Zij, wier roeping het is, anderen te vermanen om te treuren over hun zonden, en de zonde in zich te doden, behoren zelf een ernstig leven te leiden, een leven van zelfverloochening, doding van het vlees, en verachting van de wereld. Johannes de Doper toonde dus, dat hij zich diep bewust was van het slechte van den tijd wanneer, en de plaats, waarin hij leefde, hetgeen de prediking der bekering nodig maakte, iedere dag was een vastendag voor hem.
b. Dit kwam overeen met zijn ambt als voorloper, door die wijze van leven toonde hij te weten wat het koninkrijk der hemelen is, en dat hij er de kracht van had ervaren. Zij die kennis hebben aan geestelijke en Goddelijke genietingen, kunnen niet anders dan met ene heilige onverschilligheid zien op de genietingen en hetgeen sierlijk is voor de zinnen, zij kennen iets beters. Door aan anderen dit voorbeeld te geven, baande hij den weg voor Christus. De overtuiging van het ijdele der wereld en van alles wat er in is, is de beste toebereiding voor het ontvangen van het koninkrijk der hemelen in het hart.
Zalig zijn de armen van geest.
VI. Het volk, dat tot hem uitging om hem te horen, vers 5, Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea. Grote menigten kwamen tot hem van uit de stad, en van alle delen des lands, mensen van allerlei soort, mannen en vrouwen, jong en oud, rijken en armen, Farizeeën en tollenaars, zij gingen tot hem uit, zodra zij hoorden van zijne prediking van het koninkrijk der hemelen, opdat zij zelven datgene mochten horen, waarvan zij reeds zo veel hadden horen spreken. Nu was het
1. ene grote eer voor Johannes, dat zo velen hem hoorden, en wel met zo veel eerbied. Dikwijls wordt in werkelijkheid de meeste eer aangedaan aan hen, die er het minst naar haken. Zij die een streng, ingetogen leven leidden, die ootmoedig zijn en zich zelven verloochenen, der wereld zijn gestorven, dwingen eerbied af, en de mensen koesteren in hun hart meer achting en waardering van hen, dan men wel zou denken.
2. Dit verschafte aan Johannes ene schone gelegenheid om goed te doen, en was een blijk, dat God met hem was. Nu begint de menigte het koninkrijk der hemelen geweld te doen, Lukas 16:16, en heerlijk was het te zien hoe de dauw der jeugd als uit de baarmoeder van den Evangelie-morgen neer druppelde Psalm 110:3, het net te zien uitwerpen, waarin zo vele vissen werden gevangen.
3. Dit was een blijk, dat het thans een tijd was van grote verwachting: algemeen dacht men, dat het koninkrijk Gods, nu terstond zou openbaar worden, Lukas 19:11, toen Johannes zich dus aan Israël vertoonde, op de beschrevene wijze leefde en predikte, hetwelk zo gans verschillend was van het leven en de lering der schriftgeleerden en Farizeeën, waren zij gereed van hem te zeggen, dat hij de Christus was, Lukas 3:15, en hierdoor werd deze samenstroming van het volk veroorzaakt.
4. Zij, die nut en voordeel wilden hebben van Johannes' bediening, moeten tot hem uitgaan in de woestijn, en delen in zijn smaad, zij, die waarlijk begerig zijn naar de redelijke, onvervalste melk des woords, zullen, zo zij niet tot hen wordt gebracht, uitgaan en er naar zoeken, en zij die de leer der bekering wensen te kennen, moeten van het gewoel der wereld uitgaan en stille zijn.
5. Later is gebleken, dat van de velen, die tot Johannes den Doper zijn gekomen, er slechts weinigen waren, die bij zijne leer gebleven zijn, getuige de koele ontvangst van Christus in Judea en in Jeruzalem. Er kan wel een grote menigte zijn van gretige hoorders, terwijl er onder die menigte slechts weinige ware gelovigen zijn. Nieuwsgierigheid, zucht naar het nieuwe en naar afwisseling, kan velen onder het gehoor ener goede prediking brengen, die ook voor een tijd onder den indruk er van schijnen te komen, maar toch nooit aan de kracht er van onderworpen worden, EZECHIËL 33:31, 32.
VII. De plechtigheid, of ceremonie, waarmee hij discipelen aannam, vers 6. Zij, die zijne leer ontvingen, en zich onderwierpen aan zijne tucht, werden van hem gedoopt in de Jordaan, hiermede hun berouw en bekering belijdende, en hun geloof, dat het koninkrijk van den Messias nabij was.
1. Zij betuigden hun berouw en hun bekering door hun zonden te belijden, ene algemene belijdenis waarschijnlijk, die zij aan Johannes deden, dat zij zondaars waren, dat zij verontreinigd waren door de zonde, en reiniging behoefden, maar aan God beleden zij hun bijzondere zonden, want Hij is de Beledigde, de Verongelijkte. Den Joden was geleerd zich zelven te rechtvaardigen, maar Johannes leert hun zich zelven te beschuldigen, en niet te rusten, gelijk zij dit gewoon waren, in de algemene belijdenis van zonde, gedaan voor geheel Israël, eenmaal per jaar op den Groten Verzoendag, maar ene bijzondere bekentenis af te leggen, ieder voor zich, van de plage van zijn eigen hart. Ene boetvaardige belijdenis van zonde wordt vereist om vergiffenis en vrede te verkrijgen, en alleen diegenen zijn bereid Jezus Christus als hun Gerechtigheid aan te nemen, die er toe gebracht worden, om met droefheid en schaamte hun schuld te erkennen, 1 Johannes 9.
2. De voorrechten van het koninkrijk der hemelen, dat nabij was, werden hierop aan hen verzegeld door den doop. Hij wies hen met water, ten teken, -dat God hen zal reinigen van al hun ongerechtigheden. Het was gebruikelijk onder de Joden, dat zij hen, die zij als proselieten aannamen, doopten, inzonderheid diegenen, die slechts proselieten der poort waren, en niet, gelijk de proselieten der gerechtigheid, besneden waren. Sommigen denken, dat het ook de gewoonte was voor zeer bijzonder vrome mannen, die leidslieden wilden zijn van anderen, om door den doop leerlingen en discipelen toe te laten. De vraag van Christus betreffende den doop van Johannes: Was hij uit den hemel of uit de mensen? gaf te kennen, dat er ook een doop was van mensen, die gene aanspraak maakten op ene Goddelijke zending, naar deze gewoonte voegde zich Johannes, maar zijn doop was uit den hemel, en werd van alle anderen onderscheiden door zijn aard. Het was de doop der bekering, Handelingen 19:4. Geheel Israël werd in Mozes gedoopt, 1 Corinthiërs 10:2. De ceremoniële wet bestond in verscheidene wassingen, of dopen, Hebreeën 9:10, maar de doop van Johannes heeft betrekking op de wet der herstelling, de wet van bekering en geloof. Hij wordt gezegd hen te dopen in de Jordaan, de rivier welke vermaard was wegens Israël's doortocht door haar, en Naämans genezing, maar waarschijnlijk heeft Johannes in het begin niet in deze rivier gedoopt, maar is hij later, door den toevloed der mensen, die door hem gedoopt wilden worden, naar de Jordaan gegaan. Door den doop verplichtte hij hen tot een heilig leven, overeenkomstig hun belijdenis. Belijdenis van zonde moet altijd gepaard gaan met een heilig voornemen om, in de kracht van Gods genade, niet tot de zonde terug te keren.