2. Wat is ulieden, dat gij, zo dikwijls de sprake komt over het nationale ongeluk, dat u reeds zo hard heeft getroffen, en binnen kort nog veel verder treffen zal, dit spreekwoord gebruikt van het land Israëls(
Jeremia 31:29.
Klaagliederen 5:7), zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden? Zulk een godslasterlijk woord, dat Gods wegen op lichtvaardige wijze kritiseert, en waarmee gij wilt zeggen: wat de vaders hebben misdaan, daarvoor moeten wij lijden, betaamt het allerminst omtrent die plaats, welke die der openbaring, zowel van de heilige gerechtigheid, als ook der genadige ontferming van uwen God moest zijn.
Tegenover alle tegenspraak en valse verwachtingen had de reeks der tot hiertoe uitgesprokene woorden Gods vastgesteld, dat God het gericht, dat over Israël was gedreigd, zeker zou laten komen. Den hoorders van Ezechiël bleef nu niets anders over, dan zich onder deze zekerheid van het naderend gericht te buigen. Maar wanneer de mens zich ten laatste niet meer kan onttrekken aan de straf zijner zonden, als hij ze moet dragen of ten minste onafwendbaar ziet komen, en evenwel niet boetvaardig zijne schuld wil erkennen, en dat onheil als welverdiend gevolg daarvan wil aannemen, dan helpt hij zich er ten laatste mede, om de schuld van het ongeluk, dat hem treft, op anderen te werpen, dan ziet hij het gericht, dat over hem komt, als een ongeluk aan, dat door de misslagen van anderen is veroorzaakt en hem nu op geheel onschuldige wijze aangrijpt. De Israëlieten waren, toen Ezechiël deze woorden tot hen sprak, reeds tot dit punt van zelfmisleiding gekomen. Zij hadden reeds genoeg oordelen Gods beleefd, en daar zij die nooit met berouwvolle erkenning van eigene schuld hadden op zich genomen, waren zij met fysiologische noodzakelijkheid er toe gekomen om de schuld bij anderen te zoeken. Zij zien in al de ellende, die in de laatste tijden over hen is gekomen, niets anders dan gevolgen van de door hun voorvaders begane misslagen, onder welke zij nu moeten lijden. Zij waren in die beschouwing reeds zo diep verzonken, dat zij die in het boven aangevoerde spreekwoord hadden neergelegd, hetwelk al het onheil dat hen trof, op hun vaderen wierp, en hen zelfs als de onschuldig lijdenden voorstelde. Het was daaruit te voorzien, dat, als Ezechiël met de vorige woorden Gods hun het gedreigde gericht als niet af te wenden had voorgesteld, zij dit spreekwoord en de daarin liggende zelfmisleiding van hun geweten zouden aangrijpen, opdat zij, als zij ook voor het onheil moesten buigen, toch voor zich zelven als onschuldige offers van anderer misslagen voorkomen zouden. Daarom spreekt het woord des Heeren ten slotte ook nog over dit spreekwoord en de daarin geformuleerde gewetensmisleiding.
Gelijk in de gewoonten de zedelijkheden van een volk, de nationale moraal menigvuldig ligt afgedrukt, zo zijn de spreekwoorden vooral ook een uiting van de religieuze en morele volksstam, vooral in tijden als de volkskracht rustende is, en de werkzame kracht op den achtergrond is getreden. Zowel in tijden, als men van de welvaart geniet, als ook in tijden van nationale ellende, of van den tijd, die dezen vooraf gaat, floreert het spreekwoord. De menigte van gedachten spreekt zich gaarne uit, en het herhaald en op dezelfde wijze uitgesprokene vestigt zich als spreekwoord.
Ook Jeremia (Hoofdstuk 31:29) maakt melding van dit spreekwoord, en vermits het toen ter tijd in het land van Israël in aller mond was, zo was het met de gevangenen ook naar Babel overgeplant. Spreukenekwoorden gaan met het volk schielijk van de ene plaats naar de andere (vgl. Ezechiel 12:22, 23). Dit spreekwoord bevat, gelijk de meeste spreekwoorden, ene waarheid, maar zo in het algemeen ter neergesteld en zo onjuist uitgedrukt, dat zij zeer licht in verkeerden zin zou kunnen worden gebruikt. De waarheid is 1) dat kinderen, die goddeloos zijn als hun vaderen, zonder acht te geven op Gods Woord en de vermaning tot boete, nog slechter zijn dan de vaderen, en de schuld hunner vaderen tot hun eigene maken, ja ze nog vermeerderen; 2) dat de vergelding der Goddelijke rechtvaardigheid door de openbaring der schulden, door de bittere vruchten der boze werken, die de vaderen gedaan hebben, de kinderen en de kindskinderen treft, en deze, als Zij er zich niet door laten waarschuwen en verbeteren, tot verstoktheid, ter dood en ter verdediging voeren; 3) dat de kinderen van goddeloze vaderen, wanneer zij vroom en rechtvaardig worden, toch wegens de schuld hunner vaderen veel moeten lijden, maar dat God hun ellende, die zij zonder hun schuld hebben te verduren, hun tot ene heilzame artsenij zal doen strekken en hen na en door de ware kastijding verhoogt en zegent. Het spreekwoord: "de vaderen hebben onrijpe druiven gegeten, maar den kinderen zijn daarvan de tanden stomp geworden" verzwijgt 1) dat de vrome kinderen van goddeloze vaderen ook zelf onrijpe rechten aten, die nog harder zijn dan de onrijpe druiven der vaderen; 2) dat de vrome kinderen van goddeloze vaderen door het stomp worden der tanden ene heilzame tucht ondergaan en ten laatste grote genade en vreugde ervaren. Het zwijgt zowel van de eigene schuld der kinderen als van het heilzame der tuchtiging voor de bekeerden, en daardoor verleidt het tot lastering alsof God onrechtvaardig ware. Wanneer Jeremia klaagt (Klaagliederen 5:7): "Onze vaderen hebben gezondigd en zijn niet meer en wij moeten hun misdaad dragen, " zo zegt hij hetzelfde wat het bedoeld spreekwoord getuigt. Het is daar evenzeer een onnauwkeurig en eenzijdig op den voorgrond stellen ener halve waarheid, doch het is gene klacht tegen God, maar Zijn woord is slechts als klacht gemeend; het is de verzuchting van een verbrijzeld hart, want aan het slot der klacht (Vers 16) zegt Jeremia ook: "Wee ons, dat wij gezondigd hebben. " Daarom is ons harte ziek, daarom zijn onze ogen duister geworden. Vromen en goddelozen kunnen soms hetzelfde zeggen, maar zij zeggen het in verschillenden zin. Elk woord moet worden geschat naar den persoon, die het zegt, en den geest van zodanigen mens kent men zowel uit de woorden, die hij elders gesproken, als uit de daden, die bij verricht heeft.