Ezechiël 16:44-59
De profeet toont hier verder Jeruzalem haar gruwelen, door haar te vergelijken met die plaatsen die haar voorgegaan waren, en haar te tonen dat zij erger is dan een van die en dat zij daarom, als die, volkomen en onherstelbaar verwoest moet worden. Wij zijn allen geneigd ons zelf te beoordelen bij vergelijking, en ons te verbeelden, dat wij goed genoeg zijn, als wij maar zo goed zijn als die en die, die voor draaglijk doorgaan, of dat wij niet gevaarlijk slecht zijn als wij maar niet slechter zijn dan die en die, die, hoewel slecht, toch niet van de ergsten zijn. Nu toont God Jeruzalem door de profeet,
I. Dat zij even slecht is als haar moeder, dat is, als de vervloekte godsdienstige Kanaänieten die de bezitters van het land waren voor haar. Die spreekwoorden gebruiken, zoals de meeste mensen doen, zullen op Jeruzalem het spreekwoord toepassen: Zo de moeder is, is haar dochter, vers 44. Gij zijt de dochter van uw moeder. De Joden zijn in karakter en neigingen zo gelijk aan de Kanaänieten, alsof zij hun kinderen geweest waren. Het karakter van de moeder was, dat zij een walg had van haar man en van haar kinderen, zij had al de eigenschappen van een echtbreekster, en dat is ook het karakter van de dochter: "zij verlaat de leidsman van haar jonkheid, en is wreed tegen de kinderen van haar eigen ingewanden." Toen God Israël in Kanaän bracht, "waarschuwde Hij het vooral, niet te doen naar de gruwelen van de lieden van dit land, die voor u geweest zijn" (waarom het hen uitgespogen heeft, Leviticus 18. 27-28), want de gedenktekenen van hun afgoderij met de overblijfselen van de afgodendienaars zelf, zou hun een voortdurende verzoeking zijn, maar zij leerden hun weg, en traden in hun voetstappen, en hingen de afgoden van Kanaän evenzeer aan, Psalm 106:38, als die voor hen gedaan hadden, en met het oog op die navolging kon naar waarheid van hen gezegd worden: Uw moeder was een Hethietische en uw vader een Amoriet, vers 45, want zij geleken meer op hen dan op Abraham en Sara.
II. Dat zij erger is dan haar zusters, Sodom en Samaria, die ook echtbreeksters waren, die een walg hadden van haar man en haar kinderen, die de goden van haar vaders zat waren, en er behagen in hadden nieuwe goden In te voeren, a la mode-met de mode mee, die pas opgekomen waren, en nieuwe gebruiken m de godsdienst, en naar verandering haakten. Deze vergelijking tussen Jeruzalem en haar zusters werkt de profeet hier uit om, hetzij hen door schaamte tot berouw te brengen, hetzij God in hun ondergang te rechtvaardigen.
1. Die zusters van Jeruzalem waren, vers 45, Sodom en Samaria. Samaria wordt de grote, de oudste, zuster genoemd, omdat het een veel groter stad en koninkrijk was, rijker en aanzienlijker, en nauwer verbonden met Israël. Als Jeruzalem naar het noorden ziet, is het ten dele aan haar linkerhand. Deze stad Samaria, en de steden en dorpen, die als `t ware de dochters van deze moederstad waren, deze waren nog voor kort verstoord om haar geestelijke hoererij. Sodom en de omliggende steden en dorpen, die haar dochters waren, woonden tegen Jeruzalems rechterhand, die zuster was kleiner dan zij, minder dan Jeruzalem en Samaria, en deze werd lang geleden verstoord om haar lichamelijke hoererij, Judas 7.
2. De zonden van Jeruzalem waren gelijk aan die van haar zusteren, vooral aan die van Sodom, vers 49 :Dit was de ongerechtigheid van Sodom (en ook uw ongerechtigheid, ligt er in opgesloten), hoogmoed, zatheid van brood, en overvloed van ledigheid Het nagaan van vreemd vlees, wat Sodoms schreiendste goddeloosheid was, wordt niet vermeld, omdat het berucht genoeg was, maar de zonden, die niet zo zwart gekleurd waren en slechts de deur openden voor en toegang gaven aan de zwaardere misdrijven en de eerste droppels waren in de maat harer zonden, die ten laatste door hun onnatuurlijke vuilheid vervuld werd. Die mindere zonden waren
a. Hoogmoed, waardoor het hart zich verheft boven en tegen beide God en mensen. "Hoogmoed was de eerste zonde, die engelen in duivels veranderde, en de hof des Heeren in een hel op aarde". Het was de hoogmoed van de bewoners van Sodom, dat zij de rechtvaardige Lot verachtten, en zijn berispingen niet konden verdragen, en dat rijpte hen voor de ondergang.
b. Vraatzucht, hier overvloed van brood genoemd. Het was Gods grote goedheid, dat zij overvloed hadden, maar hun grote zonde, dat zij die misbruikten, dat zij overmatig aten, en overmatig dronken, en tot bevrediging van hun lusten gebruikten, wat hun gegeven was om hen in `t leven te houden.
c. Ledigheid, overvloed van ledigheid, vrees voor arbeid en liefde tot luiheid. Hun land was vruchtbaar, en zij kwamen aan hun overvloed op een gemakkelijke manier, wat een verzoeking voor hen was om aan hun luiheid toe te geven, die hen geneigd maakte tot al die gruwelijke vuilheid, die vuur over hen deed regenen. Ledigheid is de toegang voor vele zonden. "De mannen van Sodom, die ledig gingen, waren boos en grote zondaars tegen de Heere," Genesis 13:13. Stilstaande wateren vervuilen en de vogel, die zit, is het doelwit van de schutter. "Toen David van zijn bed opstond tegen de avondtijd, zag hij Bathseba". "Quaeritur, Aegisthus, quare sit factus adulter? In promptu causa est, desidiosus erat-Wat maakte Aegisthus tot een echtbreker? Luiheid.
d. Onderdrukking: Zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet, waarschijnlijk is de bedoeling, dat zij hun hand verzwakte en hun armen verbrak, evenwel was het al erg genoeg, terwijl zij zoveel rijkdom, en bijgevolg zoveel macht, invloed en vrije tijd had, dat zij niets deed om de armen te helpen, tot voorziening in wier behoeften die zat van brood zijn, hun tijd wel mogen besteden, zij behoeven niet zo overvloedig leeg te zijn als maar al te vaak het geval is. Dat waren de zonden van de inwoners van Sodom en dat waren ook Jeruzalems zonden. Hun hoogmoed, de oorzaak van hun zonden, wordt wederom vermeld, vers 50. Zij verhieven zich op de afschuwelijke gevolgen van hun zonden, de gruwelijkheid, die zij voor Zijn aangezicht deden. Trapsgewijze bereikt men het toppunt van boosheid en goddeloosheid. "Nemo repente fit turpissimus-Niemand bereikt in eens het toppunt van de ondeugd." Maar, waar de hoogmoed de heerschappij over de mens verkregen heeft, is hij op de grote weg naar alle gruwelen.
3. De zonden van Jeruzalem gingen die van Sodom en Samaria ver te boven, zij waren afschuwelijker in Gods ogen, `t zij op zich zelf of om reden van verscheidene verzwarende omstandigheden: Gij hebt in haar wegen niet gewandeld en niet in haar voetstappen getreden, maar gij hebt het meer verdorven dan zij, vers 47. Gij vond het wat gerings, om te doen als zij gij lachte om hen als gluipende zondaars en als onnozele zondaars, gij wilde slimmer en brutaler zijn in goddeloosheid, gij wilde vermeteler triomferen over uw overtuiging en God en de godsdienst openlijker trotseren: Als iemand zondigt, moet het ook de moeite waard zijn. "Aldus hebt gij het meer verdorven dan zij, in alle uw wegen." Jeruzalem was meer beschaafd, en zondigde daarom met meer geest, meer kunst en vernuft dan aan Sodom en Samaria mogelijk was. Jeruzalem had meer rijkdom en macht, en haar regering was meer absoluut en willekeurig en had daarom meer gelegenheid de armen te onderdrukken, en boze invloed op haar omgeving uit te oefenen, dan Sodom en Samaria. Jeruzalem had de tempel, de ark en de priesterschap, en koningen uit het huis van David, en daarom was de goddeloosheid van die heilige stad, aan wie zoveel waardigheid was bijgezet, die God zo nabij was en Hem zo ter harte ging, hemeltergender dan de goddeloosheid van Sodom en Samaria, die Jeruzalems voorrechten en genademiddelen niet bezaten. Sodom heeft niet gedaan gelijk gij gedaan hebt, vers 48. Dit stemt overeen met wat Christus zegt, Mattheus 11:24 :"Het zal de lande van Sodom verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan u." Het koninkrijk van de tien stammen was zeer goddeloos geweest, en toch heeft Samaria naar de helft uwer zonden niet gezondigd, vers 51, heeft niet half zoveel afgoden gediend, noch half zoveel profeten gedood. Het was erg genoeg, dat die van Jeruzalem schuldig waren aan de zonden van Sodom, die genoemd wordt in 1 Koningen 14:24 en 2 Koningen 23:7 niet uitgezonderd. En hoewel de Dode Zee, het blijvend gedenkteken van Sodoms zonde en ondergang, aan hun land grensde, Numeri 34:12, en dat zwavelige meer altijd onder hun ogen was (daar God Sodom en haar dochteren weggedaan had op zulke wijze en manier als Hem goeddacht, zoals Hij hier zegt, vers 50, en "tot een voorbeeld gezet voor degenen, die goddelooslijk zouden leven", 2 Petrus 2:6), lieten zij zich daardoor toch niet waarschuwen, maar hebben hun gruwelen meer vermenigvuldigd dan zij, en
a. Daardoor hebben zij Sodom en Samaria gerechtvaardigd, vers 51. In hun aanmatiging en trots beweerden zij hen te oordelen, en in de dagen van ouds, toen zij zich nog onbevlekt gehouden hadden, oordeelden zij hen werkelijk, vers 52. Maar, vergelijkenderwijs, rechtvaardigen zij hen nu, Sodom en Samaria zijn rechtvaardiger dan gij, dat is, minder goddeloos. Het schijnt hun zonden te verkleinen. dat, hoe slecht zij ook waren, Jeruzalem nog erger was, of schoon Gods eigen stad. Niet dat het een geldig pleidooi is ter rechtvaardiging van Sodom, maar het is de veroordeling van Jeruzalem, en "Sodom en Samaria zullen in het oordeel opstaan tegen haar."
b. Hierom behoren zij grotelijks beschaamd te zijn: Gij, die uw zusters geoordeeld hebt, en schande over hen riept, draag gij ook uw schande, om uw zonde, die gij, of schoon van dezelfde soort als de hare, toch daar zij door u begaan zijn gruwelijker gemaakt hebt dan zij, vers 52. Dit kan opgevat worden, als een voorspelling van hun ondergang: Draag dan uw schande of als een uitnodiging tot berouw: Wees gij dan ook beschaamd en draag uw schande, neem de schande op u, die gij verdiend hebt. Men mag hopen, dat zondaars hun zonden zullen verlaten, als zij beginnen er van harte beschaamd over te zijn. En daarom zullen zij in gevangenschap gaan, en daar zullen zij blijven, opdat gij te schande gemaakt wordt, om al hetgene dat gij gedaan hebt, omdat zij Sodom en Samaria hadden gesterkt en aangemoedigd, vers 54. Er is niets in de zonde waarover zij meer reden hebben beschaamd te zijn dan dit, dat wij door onze zonde anderen in de zonde bemoedigd hebben, en hen gesterkt in datgene, waarover zij smart gevoelen moeten, of het loopt verkeerd met hen af. Een andere reden, waarom zij nu beschaamd moeten zijn, is, dat zij in de dag van hun voorspoed met zoveel minachting op hun naburen hadden neergezien: Uw zuster Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage van uw grote hoogmoed, vers 56. Zij vonden Sodom niet waard in een adem met Jeruzalem genoemd te worden, en zij dachten er niet aan, dat Jeruzalem ten slotte een slechter en beruchter naam zou krijgen dan Sodom zelf. Die hoog staan kunnen tot hetzelfde peil afdalen als degenen, die zij verachten. Of ook, Sodom is niet gehoord, dit is de waarschuwing, die met de ondergang van Sodom voor u bedoeld was, werd in de wind geslagen. Indien de Joden slechts vaker en ernstiger met elkaar gesproken hadden en met hun kinderen, over de toorn Gods, geopenbaard van de hemel over Sodoms goddeloosheid en ongerechtigheid, zou hen dat in ontzag hebben gehouden en verhinderd, dat zij in hun voetstappen traden, maar zij hielden de gedachte daaraan verre van zich, wilden er niet over horen spreken, en, (zoals de ouden zeggen) brachten Jesaja ter dood, omdat hij er hen aan herinnerd had, toen hij hen "oversten van Sodom en volk van Gomorra noemde", Jesaja 1:10. Zij bereiden slechts oordelen voor zich, die geen kennis willen nemen van Gods oordelen over anderen.
4. De verwoesting die God over Jeruzalem had gebracht en nog brengen zou, om de goddeloosheden, waarin zij Sodom en Samaria overtroffen had.
a. Ze werd reeds sinds lang niet meer ontzien, en was tot minachting geworden onder haar naburen, vers 57 :Aleer haar boosheid ontdekt was, voordat haar snoodheid zo groot en openbaar werd, droeg zij de rechtvaardige straf voor haar geheime en meer verborgen wulpsheid, als het de tijd was van de versmading van de dochteren van Syrië, van de dochteren van de Filistijnen, die haar haatten, en over haar beschaamd waren, vers 27, en van alle degenen, die daar rondom waren, hetgeen betrekking schijnt te hebben op de inval, die de Syriërs ten tijde van Achaz in Juda deden en op dien, welke de Filistijnen kort daarop deden, 2 Kronieken 28:5,18. Die zich zelf onteren door aan hun lusten te voldoen, zullen naar recht tot schande gebracht worden en voor hun vijanden bezwijken, en het is opmerkelijk dat God, voordat Hij machtige vijanden over hen bracht, tot hun verderf, minder geduchte vijanden over hen bracht tot hun versmading. Als de kleinere oordelen voor Gods werk voldoende waren zou Hij de grotere niet zender. Hierin hebt gij uw gruwelen gedragen, vers 58. Die hun zonden niet willen wegwerpen door berouw en verbetering, zullen hun zonden moeten dragen tot hun beschaming.
b. Nu is zij in de gevangenis of op weg daarheen en dat is het strafgericht, niet alleen om haar wulpsheid, vers 58, maar om haar trouweloosheid en verbondsbreuk, vers 59 :"Ik zal u doen gelijk als gij gedaan hebt, Ik zal u verlaten gelijk als gij Mij verlaten hebt, en u wegwerpen, gelijk als gij Mij weggeworpen hebt, want gij hebt de eed veracht, brekende het verbond." Bedoeld schijnt hier het verbond, dat God met hun vaders maakte op de berg Sinai, waarin Hij hen opnam en hen tot Zijn bijzonder volk maakte Zij vleiden zich met de ijdele hoop, dat God hun Zijn gunst zou blijven schenken, omdat Hij dat tot nu toe gedaan had, ondanks hun tergingen. "Neen", zegt God, "gij hebt het verbond met Mij gebroken, gij hebt de beloften en de verplichtingen daarvan veracht, en daarom zal Ik u ook doen, gelijk als gij Mij gedaan hebt." Die God niet willen aanhangen als hun God hebben geen reden te verwachten, dat Hij hen als Zijn volk zal blijven erkennen.
c. De gevangenschap en de ondergang van de goddeloze Joden zal even onherroepelijk zijn, als die van Sodom en Samaria. In deze zin, dus als een bedreiging vatten de meeste uitleggers vers 53 en 54 op: "Als Ik de gevangenen van Sodom en Samaria weerbrengen zal en zij zullen weerkeren tot haar vorige staat, dan zal Ik de gevangenen van uw gevangenis wederbrengen in het midden van haar, en als `t ware om hunnentwil en onder hun schaduw en bescherming, omdat zij rechtvaardiger zijn dan gij, en dan zult gij ook weerkeren tot uw vorige staat." Maar Sodom en Samaria werden nooit weer gebracht, en keerden nooit weer tot hun vorige staat, en daarom kan ook Jeruzalem dat niet verwachten, dit is, die daar nog overgebleven waren die God zou overgeven tot een beroering ten kwade, alle koninkrijken van de aarde, Jeremia 24:9, 10. Eer zullen de inwoners van Sodom zich uit de Zoutzee verheffen en de inwoners van Samaria uit het land van Assyrië wederkeren, dan dat zij opnieuw vrede en voorspoed zullen genieten, want tot haar schande zij het gezegd, het is een troost voor die van de tien stammen, die verstrooid en in gevangenschap zijn, te zien hoe die van de twee stammen, die even slecht of erger geweest waren, op dezelfde wijze verstrooid en in gevangenschap waren, en daarom zullen zij tezamen leven en sterven, staan en vallen. De goddelozen van beide zullen tezamen omkomen, de goeden van beide zullen tezamen wederkeren. Die als de ergste zondaars handelen, moeten verwachten, dat het hun op gelijke wijze vergaan zal. "Mijn vijand zij als de goddeloze."