Leviticus 18:1-5
Na verschillende ceremoniële inzettingen keert God hier terug om hun zedelijke wetten te geven. De eersten zijn ons nog van nut als typen, de tweede nog verbindend voor ons als wetten. Wij hebben hier:
1. Het heilig gezag, waarmee deze wetten vastgesteld worden: Ik ben de Heere, uw God vers 1, 4, 30. De Heere, die het recht heeft allen te regeren, uw God die een bijzonder recht heeft u te regeren. JHWH is de fontein van het bestaan, en daarom de fontein van macht, wiens wij zijn, die wij verplicht zijn te dienen, en die machtig is alle ongehoorzaamheid te straffen. Uw God, die gij hebt aangenomen, in wie gij gelukkig zijt, aan wie gij de hoogste verplichting hebt, en aan wie gij verantwoordelijk zijt.
2. Een strenge waarschuwing om er zich voor te wachten om nog overblijfselen te behouden van de afgoderij van Egypte, het land waarin zij gewoond hadden, en de besmetting op te doen van de afgoderij van Kanaän, het land waar zij naar toe gingen, vers 3. Nu God hen door Mozes Zijn inzettingen leerde, was er aliquid dediscendum-iets af te leren, iets dat zij met de moedermelk in Egypte hadden ingezogen, een land, dat bekend was om zijn afgoderij: Gij zult niet doen naar de werken van het land Egypte. Het zou op zichzelf reeds de grootste ongerijmdheid zijn, om voor het land van hun dienstbaarheid zo'n genegenheid te behouden, dat zij zich door de gewoonten er van zouden laten leiden bij hun Godsverering, en de grootste ondankbaarheid jegens God, die hen zo wonderbaar en genadiglijk er uit had verlost. Ja meer: geleid zijnde door een geest van tegenspraak, zelfs nadat zij deze inzettingen van God hadden ontvangen, zouden zij in gevaar zijn om ook de goddeloze gebruiken van de Kanaänieten aan te nemen, en met hun land ook hun ondeugden te erven. Voor dit gevaar worden zij hier gewaarschuwd: Gij zult in hun inzettingen niet wandelen. Gewoonte is zo'n tiran, dat hun praktijken inzettingen of verordeningen genoemd worden, en mededingers werden, zelfs van Gods inzettingen, en zo zou Gods belijdend volk in gevaar zijn van de wet van hen te ontvangen.
3. Een plechtig bevel aan hen, om Gods rechten en Zijn inzettingen te houden, vers 4, 5. Naar deze last, en vele dergelijke, schijnt David te verwijzen in de vele gebeden en belijdenissen, die hij doet in de 119de Psalm betreffende de wetten Gods. Let hier:
a. Op het grote richtsnoer van onze gehoorzaamheid: Gods inzettingen en rechten. Die moeten wij houden, om daarin te wandelen. Wij moeten ze houden in onze gedachten, ze houden in onze handen, ten einde ze te beoefenen in ons hart en in ons leven. Wij moeten aan Zijn bevelen denken, om die te doen, Psalm 103:18. Wij moeten er in blijven, als onze weg om er op te reizen, wij moeten ons eraan houden, als onze regel om naar te leven, ze bewaren als onze schat, als de appel van ons oog, met de uiterste zorg en waardering er voor.
b. Het grote voordeel van onze gehoorzaamheid: de mens die het zal doen die zal er door leven dat is: hij zal hier en hiernamaals gelukkig zijn. Wij hebben reden om God te danken,
Ten eerste, dat dit nog van kracht is als belofte met een zeer gunstige uitlegging van de voorwaarde. Als wij in oprechtheid Gods geboden houden, al is het ook dat wij tekortkomen in zondeloze volmaaktheid, dan zullen wij bevinden dat de weg van de plicht de weg is van welzijn, en de weg zal wezen tot gelukzaligheid. De Godzaligheid heeft de belofte van het leven, 1 Timotheus 4:8. De Wijsheid heeft gezegd: Houd Mijn geboden, en leef, en indien wij door de Geest de werkingen van het lichaam doden, ( die voor ons zijn wat de gewoonten van Egypte waren voor Israël) zo zullen wij leven.
Ten tweede. Dat dit niet zó van kracht is naar de aard van een verbond dat de minste overtreding er van ons voor altijd zou buitensluiten van dit leven. De apostel haalt dit tweemaal aan als tegenstelling met het geloof, dat door het Evangelie wordt geopenbaard. Het is de beschrijving van de rechtvaardigheid, die uit de wet is: de mens die deze dingen doet zal- en autois-in dezelve leven, Romeinen 10:5, en zij wordt aangevoerd om te bewijzen, dat de wet niet is uit het geloof, Galaten 3:12. De verandering, door het Evangelie gemaakt, is in het laatste woord: de mens die ze doet zal leven, maar niet in dezelve, want de wet kon geen leven geven omdat wij haar niet volkomen konden onderhouden, zij was krachteloos niet in zichzelf, maar door het vlees, maar nu zal de mens die ze doet, leven door het geloof van de Zoon van God. Hij zal zijn leven verschuldigd zijn aan de genade van Christus, en niet aan de verdienste van zijn eigen werken, zie Galaten 3:21, 22. "De rechtvaardigen zullen leven," maar zij zullen leven door geloof uit kracht van hun eenheid met Christus, die hun leven is.