2 Kronieken 28:1-5
Nooit voorzeker heeft iemand betere gelegenheid gehad dan Achaz om wèl te handelen, hij vond de zaken in goede orde, het rijk welvarend en sterk, de Godsdienst gevestigd, en toch wordt hij hier in deze weinige verzen beschreven als:
1. Allerellendigst verdorven. Er was hem een goede opvoeding gegeven en een goed voorbeeld, maar ouders kunnen hun kinderen geen genade geven, al het onderwijs, dat hij had ontvangen, was aan hem verloren, hij deed niet dat recht was in de ogen des Heeren, vers 1 `neen, maar wel zeer veel dat kwaad was, onrecht aan God, aan zijn eigen ziel en aan zijn volk, hij wandelde in de weg van de afvallige Israëlieten en van de gevloekte Kanaänieten, maakte gegoten beelden en aanbad die in tegenspraak met het tweede gebod, ja hij maakte ze voor de Baäls, in tegenspraak met het eerste gebod.
Hij verliet de tempel des Heeren, offerde en brandde reukwerk op de bergen, alsof hij daar dichter bij de hemel was, en onder alle groen geboomte, alsof deze door hun schaduw en afdruiping de betekenis voor hem hadden van de bescherming en de invloed des hemels. Om zijn goddeloosheid te voltooien heeft hij, als iemand die geheel ontbloot was van alle natuurlijke liefde zowel als van Godsdienst en zich volkomen toegewijd had aan de dienst en de belangen van de groten vijand van het menselijk geslacht, zijn kinderen in het vuur gebrand voor de Moloch, vers 3, het niet genoeg achtende om hen aan die helse demon te wijden door hen door het vuur te laten doorgaan. Zie welk een volstrekte heerschappij de overste van de macht van de lucht heeft op de kinderen van de ongehoorzaamheid.
2. Ellendig beroofd en ten prooi gemaakt. Toen hij God verliet en zich met grote onkosten onder de bescherming stelde van valse goden, heeft God, die naar recht zijn God was, hem in de hand gegeven van zijn vijanden, vers 5.
a. De Syriërs vielen hem aan en zegevierden over hem, versloegen hem te velde en voerden zeer velen van zijn volk gevankelijk weg.
b. De koning van Israël, hoewel zelf een afgodendienaar, werd tot een gesel voor hem gemaakt, hij sloeg hem met een grote slag. Het volk leed door deze oordelen, hun bloed werd vergoten, hun land verwoest, hun gezinnen in het verderf gestort, want toen zij een goede koning hadden, hebben zij zich wel verdorven, Hoofdstuk 27:2, maar zijn Godsvrucht heeft hen toch beschut, maar nu zij een slechten hadden, was hun schaduw van hen geweken en kwam een stortvloed van oordelen over hen. Zij, die hun geluk niet beseften onder de vorige regering, konden het nu leren waarderen door de rampen van deze regering.