Judas 3-7
Wij hebben hier:
I. Het doel, waarmee de apostel dezen brief aan de kort-geleden bekeerde Joden en heidenen schreef, namelijk om hen te bevestigen in het Christelijk geloof en in een wandel en praktijk, die daarmee waarlijk in overeenstemming zijn, en in een openlijke en vrijmoedige belijdenis ervan, voornamelijk in tijden van heftigen tegenstand, hetzij door arglistige verleiding of door geweldige en onmenselijke vervolging. Maar dan behoren wij ook nauwgezet toe te zien, dat het werkelijk het Christelijk geloof is, hetwelk wij aanhangen, belijden, verbreiden en waar wij voor lijden, en niet de onderscheidene kenmerken van een of andere richting, of iets dat ingevoerd is na het geïnspireerde schrijven van de profeten en apostelen. Merk hier op:
1. De evangelische zaligheid is een algemene zaligheid, dat is: een meest-oprecht aanbod daarvan aan allen, wie de mededeling daarvan bereikt, zover de opdracht uitgevoerd wordt: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen, Markus 16:15, 16. Zeker: God meent wat Hij zegt, Hij leidt ons niet met ijdele woorden om den tuin, wat ook de mensen mogen doen. Derhalve is niemand uitgesloten van de zegeningen der aanbiedingen van genade en van de uitnodiging, behalve zij, die hardnekkig, onverbeterlijk en ten enenmale zich zelven uitsluiten.
Die wil, die kome en drinke het water des levens om niet, Openbaring 22:17. De toepassing wordt gemaakt op alle gelovigen en alleen op hen, zij wordt gemaakt zowel op de zwakken als op de sterken. Laat niemand zich ontmoedigen door verborgen besluiten, waarvan hij weinig weten kan en waarmee hij niets te maken heeft. Gods besluiten zijn duister, Zijn verbonden zijn duidelijk. Alle ware Christenen ontmoeten elkaar in Christus, hun gemeenschappelijk hoofd, worden tot handelen bekwaamd door dezelfden Geest, worden geleid door dezelfden regel, komen hier gezamenlijk tot dezelfden genadetroon, en hopen eerlang gezamenlijk te delen in dezelfde erfenis. Die zal zeker heerlijk zijn, maar hoe heerlijk en van welken aard, dat kunnen wij niet weten en behoeven wij thans niet te weten, maar in elk geval zal zij al onze tegenwoordige verwachting en al onze hoop zeer verre overtreffen.
2. Deze gemene zaligheid is het onderwerp van het geloof aller heiligen. Hare leer stemmen zij allen hartelijk toe, zij achten haar een getrouw woord en aller aanneming waardig, 1 Timotheus 1:15. Het is het geloof eens, en opeens, en eens voor goed, aan de heiligen overgeleverd, waaraan niets kan toegevoegd worden, waarvan niets mag afgedaan worden, dat in geen enkel opzicht enigszins mag veranderd worden. Laat ons hierbij blijven, dan zijn wij veilig,, indien wij er ons een stap van verwijderen, lopen wij gevaar van verstrikt of verleid te worden.
3. Al de apostelen en evangelisten schreven aan ons over deze gemene zaligheid. Dat kan niet betwijfeld worden door hen, die hun geschriften met aandacht gelezen hebben. Het is vreemd dat sommigen nog denken, dat zij schreven om hun eigen stellingen en denkbeelden te handhaven, vooral omdat zij aan zulke dingen nooit uit zich zelven konden denken. Het is genoeg, dat zij ons ten volle hebben verklaard, door ingeving van den Heiligen Geest, al hetgeen noodzakelijk is voor een iegelijk om te geloven en te onderhouden, ten einde persoonlijk aandeel in deze gemene zaligheid te verkrijgen. 4. Zij, die prediken of schrijven over deze gemene zaligheid, moeten allen ijver aanwenden, om het goed te doen, zij mogen zich niet veroorloven aan God of aan Zijn volk iets aan te bieden, dat hun niets kost, of slechts weinig doordenken en moeite heeft vereist, 2 Samuël 24:24. Dat zou zijn jegens God oneerbiedig en jegens de mensen onrechtvaardig handelen. De apostel (ofschoon geïnspireerd) had alle naarstigheid gedaan om over de gemene zaligheid te schrijven. Wat zal er dan worden van hen die, niet geïnspireerd, geen naarstigheid doen of nagenoeg gene, die, zelfs in den naam van God, tot de gemeente zeggen: het komt wel! die wanneer zij Schriftwoorden gebruiken, niet zorgen dat zij ze goed uitleggen en toepassen? Zij, die over heilige dingen spreken, moeten dat altijd doen met den grootsten eerbied, zorg en naarstigheid.
5. Zij, die de leer van deze gemene zaligheid ontvangen hebben, moeten ernstig voor haar strijden. Ernstig, niet heftig. Die voor het Christelijke geloof strijden en in de Christelijke loopbaan lopen, moeten dat wettig doen, of al hun moeite is verloren en zij lopen gevaar hun kroon te verliezen, 2 Timotheus 2:5. De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet, Jakobus 1:20. Liegen voor de waarheid is slecht, maar schelden voor haar is niet veel beter. Zij, die de waarheid ontvangen hebben, moeten voor haar strijden. Maar hoe? Zoals de apostelen deden: door geduldig en moedig voor haar te lijden. Niet door anderen te doen lijden, indien die niet dadelijk alles willen aannemen, wat wij goedvinden, bewezen of onbewezen, waarheid of grondwaarheid te noemen. Wij moeten niet toelaten dat wij beroofd worden van enig voornaam artikel van ons Christelijk geloof, door de listige pogingen van schoonschijnende voorwendsels, door iemand wie ook, die ons listiglijk tot dwaling brengen wil, Efeze 4:14. De apostel Paulus zegt ons, dat hij het Evangelie verkondigde met veel strijds, 1 Thessalonicenzen 2:2, dat is met groten ernst, met hartelijken ijver, met vurige begeerte naar het welslagen van zijne verkondiging. Indien wij echter in dien tekst het woord strijd in den gewonen zin willen opvatten, moeten wij onpartijdig nagaan met wie en op welke wijze de apostel streed, en dat zou ons thans te ver van ons onderwerp afleiden.
II. De aanleiding, welke de apostel had om thans over dit onderwerp te schrijven. Slechte gewoonten geven aanleiding tot goede wetten, en zo geven gevaarlijke dwalingen dikwijls gelegenheid om belangrijke waarheden op de juiste wijze te verdedigen. Merk op:
1. Goddeloze mensen zijn de grote vijanden van het Christelijk geloof en den vrede der gemeente. Zij, die het ene ontkennen of verderven en den anderen verstoren, worden hier uitdrukkelijk goddelozen genoemd. Indien wij de waarheid met den vrede hadden (een zeer begeerlijke toestand!) dan zouden er geen dienaren of Christenen zijn in onze gemeenten en samenkomsten, die niet allen godzaligen waren, -een zegen, dien men aan deze zijde van den hemel nauwelijks verwachten mag. Goddelozen maken bedenkingen, werpen vragen op, veroorzaken scheidingen, verwijden breuken, alleen met het doel om hun eigen zelfzuchtige, heerszuchtige en gierige plannen te bevorderen. Dat is de plaag der gemeente geweest in alle vorige eeuwen, en ik vrees dat geen tijdperk ooit geheel van hen vrij zal zijn, en dat zulke praktijken zullen voortgaan zolang de tegenwoordige bedeling duurt. Niets kan ons van de gemeente afsnijden dan hetgeen ons van Christus afsnijdt, namelijk overheersende ongelovigheid en goddeloosheid. Wij moeten er voor terugdeinzen mensen of richtingen als goddeloos te bestempelen, vooral om dat te doen zonder het minste bewijs, zelfs, zoals maar al te dikwijls geschiedt, zonder schaduw van bewijs. Dezen zijn goddelozen, die zonder God in de wereld leven, die geen ontzag voor God en geweten hebben. Dezen moeten gevreesd en dientengevolge gemeden worden, niet alleen zij, die slecht zijn door zonden die zij begaan hebben, maar ook zij, die goddeloos zijn door zonden van nalatigheid, bijvoorbeeld degenen die het gebed verzuimen, of die een rijk man niet durven bestraffen, wanneer hun roeping dat meebrengt, uit vrees van zijn gunst en het daaraan verbonden voordeel te zullen verliezen, zij, die het werk des Heeren nalatig verrichten.
2. De ergste goddelozen zijn zij, die de genade Gods veranderen in ontuchtigheid, zij die met groter stoutheid durven zondigen omdat de genade Gods zo overvloedig geweest is en nog steeds zo wonderbaar overvloedig is, die verhard worden in hun ongerechtigheden door de uitgebreidheid en volheid van de evangelische genade, waarvan het doel is de mensen van de zonden terug te houden en tot God te brengen. Derhalve: met zo grote genade spel te drijven, haar te veranderen in een aanleiding om alle onreinheid gieriglijk te bedrijven, ons zo te verharden dat dezelfde genade in de verschrikkelijkste aanklacht tegen ons verandert, is van ons zelven de slechtste, schandelijkste en diepst-verloren zondaren te maken.
3. Zij, die de genade Gods in ontuchtigheid veranderen, verloochenen in werkelijkheid den enigen heerser God en onzen Heere Jezus Christus, dat is, zij verloochenen beide den natuurlijken en den geopenbaarden godsdienst. Zij stoten zich aan den grondslag van den natuurlijken godsdienst, want zij verloochenen den enigen heerser God, en zij keren de gedaante van allen geopenbaarden godsdienst om, want zij verloochenen den Heere Jezus Christus. Het grote doel, waarmee Hij den geopenbaarden godsdienst in de wereld stichtte, was ons tot God te brengen. Zij, die den Heere Jezus Christus verloochenen, doen het daardoor in werkelijkheid den enigen heerser God. Het ontkennen van den geopenbaarden godsdienst is in waarheid het loochenen van den natuurlijken godsdienst, want die beide staan en vallen tezamen en zij verlenen wederzijds elkaar licht en kracht. Mocht het Gode behagen onze nieuwerwetse deïsten, die onder het licht van het Evangelie leven, er toe te brengen om dat ernstig in overweging te nemen, en nauwgezet, vlijtig en onpartijdig te onderzoeken wat hen hindert om het Evangelie aan te nemen, terwijl zij belijden ten volle overtuigd te zijn van alle beginselen en plichten van den natuurlijken godsdienst! Geen twee druppelen waters kunnen meer op elkaar gelijken, zodat het ongerijmd is den enen aan te nemen en den anderen te verwerpen. Men zou denken dat de rechte wijze is beide verwerpen of beide omhelzen, ofschoon de gemakkelijkste handelwijze, die thans meest in zwang is, wel is die beide van elkaar te scheiden.
4. Degenen, die de genade Gods in ontuchtigheid veranderen, zijn tevoren tot dit oordeel opgeschreven, vers 4. Zij zondigen tegen het laatste, het grootste, het volkomenste redmiddel en hebben geen verontschuldiging. Zij, die zo zondigen, moeten sterven aan hun wonden of hun ziekte, zij zijn van tevoren tot dit oordeel opgeschreven. Maar door hun eigen zonden en dwaasheid worden zij de aangewezen voorwerpen voor deze veroordeling. Eenvoudige Christenen behoeven zich niet te verontrusten door duistere, verwarrende en neerdruk- kende gedachten over de verwerping, waarin de scherpzinnigste denkers niet diep kunnen indringen en waarvan ook die slechts zeer weinig kunnen verdragen zonder veel verlies en schade. Is het niet voldoende, dat wij door de geïnspireerde schrijvers tijdig gewaarschuwd zijn, dat in later dagen zulke verleiders en goddelozen zouden opstaan, en dat wij dus vooraf gewaarschuwd, dat is vooraf gewapend, zouden zijn tegen hen?
5. Wij behoren ernstig te strijden voor het geloof en tegen dezulken, die het willen bederven en vernielen, tegen die ingeslopen mensen. Dat is zeker een schandelijke trek, maar dikwijls geeft dat aan zwakke en onwetende mensen, en ook aan hen zelven, die zo inslopen, veel gezag, zij houden hun: ik zeg het! voor afdoende voor al hun volgelingen en bewonderaars. Getrouwe nederige dienaren zijn medearbeiders aan de blijdschap hunner gemeenten, en brengen haar vrede en vertroosting, niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren. Al wie beproeft het geloof te bederven moet van ons den ernstigsten tegenstand ondervinden. Hoe werkzamer en listiger de werktuigen en zendelingen des Satans zijn om ons van de waarheid te beroven, des te begeriger moeten wij zijn om haar vast te houden, onderwijl scherp oplettend dat wij geen verkeerd of onrechtvaardig oordeel vellen over personen, partijen of gevoelens.
III. De duidelijke waarschuwing, welke de apostel in den naam van Christus geeft aan hen, die Zijn heiligen godsdienst beleden hebben en daarna terugtrekken en zich onwaar betonen, vers 5-7. Wij hebben hier een opsomming van vroegere oordelen Gods over zondaren, met het doel om hen, die in dezen brief gewaarschuwd worden, wakker te schudden en te verschrikken. Merk op: De oordelen Gods worden meermalen afgekondigd en ten uitvoer gelegd ter waarschuwing van anderen, nog meer dan uit onmiddellijk of bijzonder mishagen tegen de overtreders zelven. God is wel door hen vertoornd, doch wellicht niet meer door hen dan door anderen, die, voor het tegenwoordige althans, aan het oordeel ontkomen. Ik wil u indachtig maken. Wij hebben er behoefte aan, dat ons steeds indachtig gemaakt wordt hetgeen wij reeds weten. Daarom is er voortdurend een geregelde dienst des Woords in de Christelijke gemeente nodig, ofschoon al de leerstellingen des geloofs, de grondwaarheden, zo duidelijk geopenbaard zijn in uitdrukkelijke woorden, of zo volkomen en helder meegedeeld zijn, dat hij die ze gewillig leest ze ook kan verstaan. Er is geen behoefte aan een werkelijken of onderstelden onfeilbaren verklaarder voor dat doel. Sommigen zeggen (zwak genoeg!) "Indien de Schriften zo duidelijk alles bevatten, wat tot onze zaligheid nodig is, welke behoefte is er dan aan en welk nut in een geregelde bediening? Waarom kunnen wij dan thuis niet zelf onze bijbels lezen?" De geïnspireerde apostel heeft hier juist, ofschoon niet volledig, op deze tegenwerping geantwoord. De prediking heeft niet ten doel om ons in elke leerrede iets nieuws te leren, iets dat ons vroeger nog onbekend was, maar om ons in gedachten te brengen, weer voor de aandacht te roepen, vergeten dingen, onze belangstelling op te wekken, ons besluit te bevestigen, opdat onze wandel moge zijn overeenkomstig ons geloof.
Ofschoon gij deze dingen weet, hebt gij toch van node ze beter te leren kennen. Er zijn vele dingen, die wij vroeger geweten hebben en die ons ongelukkig nu ontgaan zijn. Is het niet nuttig en nodig, dat zij ons weer in gedachten gebracht worden? En welke zijn nu de dingen, die ons, Christenen, weer indachtig gemaakt moeten worden?
I. De verderving van de ongelovige Israëlieten in de woestijn, vers 5. Paulus herinnert de Corinthiërs daaraan in 1 Corinthiërs 10.. De eerste tien verzen van dat hoofdstuk zijn de beste uitlegging van het vijfde vers van dezen brief van Judas, want de Schrift legt zich zelve het best uit. Niemand moet zich iets laten voorstaan op zijne voorrechten, wanneer velen van hen, die door een reeks van machtige wonderen uit Egypte uitgeleid waren, toch in de woestijn verdorven werden ter wille van hun ongeloof.
Weest daarom niet hoog gevoelende, maar vreest! Romeinen 11:20. Laat ons dan vrezen, de belofte van in Zijne rust in te gaan, nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn, Hebreeën 4:1. Zij hadden wonderen in overvloed, hun dagelijks brood was een wonder, en toch gingen zij verloren door ongeloof. Wij hebben groter, veel groter, voordelen dan zij gehad hebben, laat hun dwaling, hun zo noodlottige dwaling, ons tot waarschuwing strekken. 2.. Wij worden herinnerd aan den val der engelen, vers 6. Er was een grote menigte van engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben. Hun behaagden niet de plaatsen en bedieningen, welke de almachtige Opperheer van het heelal hun had aangewezen en toevertrouwd. Zij meenden (evenals sommige ontevreden dienaren in onze dagen, ja, ik durf wel zeggen: in alle tijden) dat zij iets beters verdienden, zij wilden, onder den naam van dienaren, opperheren zijn en eigenlijk hun Opperheer tot hun dienaar maken, die alles en alleen datgene doen moest wat zij wilden. Dus was hoogmoed de eerste en voornaamste oorzaak van hun val. Daarom verlieten zij hun beginsel, stonden op tegen God, hun Schepper en vrijmachtige Opperheer. Maar God heeft hen niet gespaard, hoe hoog en groot zij ook waren, Hij wilde zich niet naar hen schikken, Hij zette hen af zoals een goed en wijs vorst een ontrouwen minister ontslaat, want de grote, alwijze God kon niet onbekend zijn (zoals de beste der aardse vorsten meermalen is) omtrent de gevoelens en plannen, die zij koesterden. En wat is van hen geworden? Zij durfden en dachten den Almachtige zelven te kunnen weerstaan, maar God was hun te sterk en Hij wierp hen in de hel. Zij, die niet in hun oorspronkelijken staat de dienstknechten van hun Schepper en Zijn wil wensten te zijn, werden de gevangenen van Zijne gerechtigheid en worden met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Hier zien wij wat de toestand der gevallen engelen is: zij zijn in banden, gebonden tot het oordeel des groten dags, zij zijn, ofschoon eens engelen des lichts, onder de duisternis. Zo vreeslijk zijn zij in de duisternis, dat zij voortgaan tegen God te strijden, alsof er ook maar de geringste kans op overwinning in dezen strijd voor hen bestond. Dwaze inbeelding! Licht en vrijheid gaan samen, evenzo passen banden en duisternis bij elkaar. De duivelen, eens engelen in de hoogste betekenis des woords, worden bewaard. Merk hier op: er komt gewis een oordeelsdag. De gevallen engelen worden bewaard tot het oordeel des groten dags. En zullen gevallen mensen daaraan ontkomen? Zeker niet! Dat iedere lezer dat bijtijds bedenke! Hun banden worden eeuwig genoemd, omdat het onmogelijk is dat zij ontbonden of verbroken worden, zij kunnen niet ontsnappen, zij worden zeker vastgehouden. Het besluit, de gerechtigheid en de toorn Gods zijn de banden, die de gevallen engelen in eeuwigheid vasthouden. Hoort en vreest, gij zondige mensenkinderen! 3.. De apostel brengt in gedachtenis de verwoesting van Sodom en Gomorra, vers 7.
Gelijk Sodom en Gomorra en de steden rondom dezelve enz. Het is ter aanduiding van de verwoesting van Pentapolis (de vijf steden) dat de ellenden van de verdoemden worden vergeleken met een meer, dat brandt van vuur en zwavel. Zij waren schuldig aan afschuwelijke boosheid, die niet dan met de uiterste afkeer en walging kan herdacht of genoemd worden, hun verwoesting is vooral een waarschuwing voor allen, om op hoede te zijn tegen en te vlieden van de vleselijke begeerlijkheden, die krijg voeren tegen de ziel, 1 Petrus 2:11. Deze begeerlijkheden brachten over de bewoners van Sodom het vuur van den hemel en zij dragen nu de straf des eeuwigen vuurs. Daarom, neemt u in acht, volgt hun zonden niet na, opdat u niet dezelfde plagen overvallen! God is nog hetzelfde heilige, rechtvaardige, reine Wezen als toen! Kunnen de beestachtige vermaken van een ogenblik u vergoeding geven voor de wraak van het eeuwige vuur? Daarom: zondigt niet!