Psalm 115:1-8
Er is hier genoegzaam gezorgd beide om de eigenwaan van ons hart en het smalen van afgodendienaars tot zwijgen te brengen.
I. Het roemen is hier voor altijd buitengesloten, vers 1. Laat geen hoge dunk van onze eigen verdiensten noch in ons gebed, noch in onze lofzegging een plaats hebben, maar laat beide zich concentreren in Gods heerlijkheid.
1. Hebben wij enigerlei zegen ontvangen, enigerlei dienst verricht, enigerlei succes verkregen? Wij moeten er de eer van niet voor onszelf nemen, maar haar geheel en uitsluitend toeschrijven aan God. Wij moeten ons niet verbeelden dat wij door onze eigen kracht iets voor God kunnen doen, of door onze gerechtigheid iets van God kunnen verdienen, al het goede, dat wij doen, wordt gedaan door de kracht van Zijn genade, en al het goede, dat wij hebben, is de gave van Zijn genade, en daarom moet Hij er al de lof voor ontvangen. Zeg niet: "de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen," Deuteronomium 8:17. Spreek niet in uw hart, zeggende: "De Heere heeft om mijne gerechtigheid deze grote en vriendelijke dingen voor mij gedaan," Deuteronomium 9:4. Neen, al onze zangen moeten in die lage toonaard gezet en gezongen worden. Niet ons, o Heere! en wederom, niet ons, maar Uwen naam zij al de eer gegeven, want welk goed ook gewrocht wordt in ons of voor ons, het is om Zijner goedertierenheid en Zijner waarheid wil, omdat Hij Zijn goedertierenheid wil verheerlijken en Zijn belofte wil vervullen. Al onze kronen moeten nedergeworpen worden aan de voeten van Hem, die op de troon zit, want dat is er de geschikte plaats voor.
2. Zoeken wij een zegen en worstelen wij er om met God? Wij moeten onze aanmoediging in het gebed alleen van God hebben meer het oog hebben op Zijn heerlijkheid dan op ons voordeel ervan. "Heere, doe zo en zo voor ons, niet opdat wij er de eer en de vertroosting van zullen hebben, maar opdat Uwe goedertierenheid en waarheid er de eer van zullen hebben." Dit moet ons hoogste en laatste doeleinde zijn in onze gebeden, en daarom is het de eerste bede in het gebed onzes Heeren als die al de overige tot leidraad strekt, Uw naam worde geheiligd, en te die einde, geef ons heden ons dagelijks brood. Ook dit moet ons tevreden stellen indien onze gebeden niet naar de letter verhoord worden. Wat er ook van ons worde: Uwen naam geef eer. Zie Johannes 12:27, 28.
II. Aan het smalen van de vijanden wordt hier voor altijd het zwijgen opgelegd, en het wordt terecht op hen teruggeworpen.
1. De psalmist klaagt over het smalen van de heidenen, vers 2. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God Waarom zeggen zij het? Weten zij niet dat onze God alomtegenwoordig is door Zijn voorzienigheid, en altijd nabij ons is door Zijn belofte en genade?" "Waarom laat God hun toe dit te zeggen? Ja, waarom is Israël zo naar de diepte gebracht, dat zij een schijn van reden hebben om dit te zeggen? Heere, verschijn tot onze hulp, opdat Gij Uw eigen naam verheerlijkt."
2. Hij geeft een direct antwoord op deze vraag, vers 3. "Vragen zij: waar is onze God? Wij kunnen hun zeggen weer Hij is." a. In de bovenwereld, waar de tegenwoordigheid is van Zijn heerlijkheid. Onze God is toch in de hemel, waar de goden van de heidenen nooit geweest zijn, in de hemel, en dus buiten het gezicht, maar hoewel Zijn majesteit ongenaakbaar is, volgt hier nog niet uit, dat Zijn bestaan in twijfel kan worden getrokken.
b. In de lagere wereld zijn de voortbrengselen van Zijn macht, Hij doet al wat Hem behaagt, naar de raad Zijns willens, Hij heeft een soevereine heerschappij en een algemene, onweerstaanbare invloed. Vraagt gij waar Hij is? Hij is aan het begin en het einde van alles, en niet ver van een ieder van ons.
3. Hij doet de vraag tot hen wederkeren. Zij vroegen: Waar is de God van Israël? omdat Hij niet gezien wordt. En nu vraagt hij: Wat zijn de goden van de heidenen? omdat zij gezien worden.
A. Hij toont aan dat hun goden wel geen vormloze, maar toch gevoelloze, onbewuste dingen zijn. In het eerst hebben afgodendienaars de zon en de maan aangebeden, Job 31:26, hetgeen al erg genoeg was, maar niet zo erg als hetgeen, waar zij nu toe gekomen zijn (want slechte mensen worden al erger en erger), en dat was het aanbidden van beelden, vers 14. De materie ervan was zilver en goud, uit de aarde gegraven, (de mens vond ze armzalig en vuil in een mijn, Herbert) geschikte zaken om geld van te maken, maar niet om er goden van te maken. De kunstenaar bewerkte ze, zij zijn schepselen van der mensen ijdele verbeelding en het werk van des mensen handen, en daarom kan er geen Goddelijkheid in zijn. Indien de mens het werk is van Gods handen (en zeer zeker is hij dat, en het was zijn eer dat hij naar het beeld Gods gemaakt was), dan is het ongerijmd te denken dat datgene God kan zijn, hetwelk het werk is van der mensen handen, of dat het iets anders dan een ontering van God kan zijn om Hem te maken naar het beeld van de mens. Het argument is onwederlegbaar, "Een werkmeester heeft het gemaakt, dus is het geen God," Hosea 8:6. Deze afgoden worden hier voorgesteld als de bespottelijkste dingen, iets dat iets wil schijnen, maar in werkelijkheid niets is, meer geschikt voor een speelgoedwinkel dan voor een tempel, voor kinderen om mee te spelen dan voor mensen om ze te aanbidden. De schilder, de graveur, de beeldhouwer hebben hun werk goed genoeg gedaan, zij maakten ze met ogen, oren en neuzen, met handen en voeten, maar zij konden geen leven in hen brengen, en daarom ook geen gevoel. Zij zouden beter doen met een geraamte te aanbidden, want daarin is tenminste eens leven geweest dan een beeld dat geen leven in zich heeft, geen leven in zich kan hebben. Zij spreken niet om degenen, die hen raadplegen te antwoorden, de listige priester moet die taak voor hen verrichten. In het beeld van Baal was geen stem en geen antwoorder, zij zien niet, zien niet hoe hun aanbidders zich voor hen nederbuigen, voor hen nederknielen, veel minder nog zien zij hun lasten en hun behoeften. Zij horen niet, horen hun gebeden niet, al worden zij ook nog zo luid uitgesproken. Zij rieken niet, rieken hun wierook niet, al is die ook nog zo sterk of nog zo lieflijk. Zij tasten niet, tasten de geschenken niet, die hun worden aangeboden, en veel minder nog hebben zij iets om aan hun aanbidders te schenken, zij kunnen hun handen niet uitstrekken tot de nooddruftigen. Zij gaan niet, kunnen geen stap doen om hun, die zich tot hen wenden, te hulp te komen. Ja zij kunnen niet eens geluid geven door hun keel, zij bezitten niet het minste teken van leven, maar zijn, nadat de priester voorwendde hen gewijd en een godheid in hen gebracht te hebben, even dood als zij tevoren geweest zijn.
B. Daaruit leidt hij de zotheid af van hun aanbidders, vers 8. Zij, die hen tot beelden maken, tonen hun vernuft, en ongetwijfeld zijn zij verstandige mensen, maar zij, die hen tot goden maken, tonen hun domheid en dwaasheid, en zij zijn hun gelijk even gevoelloze, botte, plompe dingen als deze afgoden. Zij zien de onzichtbare dingen niet van de ware en levende God in de werken van de schepping, zij horen de stem niet van de dag en de nacht, die in iedere spraak en taal Zijn eer verkondigen, Psalm 19:2, 3. Door die dwaze poppen te aanbidden, maken zij zich al meer en meer aan hen gelijk, en plaatsen zij zich op een groter afstand van alles dat geestelijk is, zinken zij al dieper en dieper in het slijk van de zinnen, en daarbij brengen ze God er toe, om hen "over te geven in een verkeerde zin", Romeinen 1:28. Zij, die op hen vertrouwen, handelen zeer dwaas, zeer onredelijk, evenals zij, zijn zij gevoelloos, hulpeloos, nutteloos, en zij zullen dit zelf tot hun eigen beschaming bevinden. Wij zullen weten waar onze God is, en dat zullen ook zij tot hun schade, als hun goden vergaan zijn, Jeremia 10:3-11, Jesaja 44:9 en verv.