1. Nadat God eertijds gedurende de dagen, die de tijd van de oudtestamentische bedeling uitmaken, vele malen in trapsgewijze voortgang Zijn openbaringen meedeelde en op velerlei wijze, het nu op deze dan op gene wijze inrichtend naar de omstandigheden waaronder Zijn woord werd gegeven, tot de vaderen, van wie wij de kinderen zijn (
Handelingen 3:22;
28:25 gesproken had door de profeten, die met Zijn Geest vervuld waren (
1 Petrus 1:25), heeft Hij in deze laatste dagen tot ons, tot wie het einde van de wereld gekomen is ("1Co 11:11" en "Ac 2:17 gesproken op een heel andere wijze en wel door de Zoon, die in een heel andere betrekking tot Hem stond dan dieprofeten. De christelijke gemeente te Jeruzalem, die uit geboren Israëlieten of ook uit proselieten bestond, had vanaf het begin naast het Jodendom en de tempel niet zo'n zelfstandig bestaan als de gemeenten van de apostel Paulus, die meestal uit oorspronkelijke heidenen waren samengevoegd. Zij was gevormd in de schoot van de Joodse kerk, waarin in die tijd velerlei sekten ongestoord naast elkaar bestonden en was daarom in het oog van de Joden slechts op dezelfde wijze een bijzondere sekte als die van de farizeeën en sadduceeën. Zij werden echter niet "christenen" genoemd, waarmee men toch aan hun belijdenis, dat Jezus de Christus was (
Handelingen 2:36;
9:22) recht zou hebben gegeven, maar "Nazareners" (
Handelingen 24:5;
28:22;
11:25 te Jeruzalem beschouwden ook zelf hun overgang tot het christendom volstrekt niet als een uittreden uit de godsdienstige en politieke gemeenschap van Israël, maar namen, zowel daarna als tevoren, alle feesten en godsdienstige gebruiken van de Joden waar en wisten dat zij aan de geestelijke gerechtsspraak van de hoge raad onderworpen waren. Hun nauwere godsdienstgemeenschap onder elkaar hief de ruimere met het Joodse heiligdom en diens godsverering niet op, ja naar de richting die bij de meesten gevonden werd, voelden zij zich nauwer verbonden met de niet-christelijke Joden, dan met hun christelijke broeders uit de heidenen (
Handelingen 10:14;
18:18,
21;
20:16;
23:5;
2:46;
3:1). Die verhouding tot het Jodendom was onder het achttienjarig voorgaan en besturen van de apostel Jakobus II zo bevestigd dat Paulus bij zijn laatste reis naar Jeruzalem op een voor ons zeer in het oog lopende wijze verantwoording doen moest (
Handelingen 21:20vv.). Wij zien echter ook bij deze gelegenheid wat een onverhinderde toegang de christenen nog tot het heiligdom hadden en hoe zij nog de rechten van rechtgelovige Israëlieten in volle mate genoten. Door de martelaarsdood van deze Jakobus II omstreeks Pasen van 62 bracht de hogepriester Annas II een geweldige breuk teweeg in de innige verhouding, die tot hiertoe tussen de christelijke gemeente en de Joodse kerk had bestaan, zodat nu vervuld werd wat de Heere in
Johannes 16:2 aan Zijn discipelen voorzegd had: "zij zullen u uit de synagogen werpen. " Toen was aan de leden het alternatief gesteld, òf Christus lasteren (
Handelingen 26:11) òf als uitgeslotenen en vervloekten Joh 9:23 alle gemeenschap met het heilige volk en zijn godsverering mijden. Hoewel nu de hoge raad niet zoals vroeger, toen Saulus dreiging en moord tegen de discipelen van de Heere blies, het durfde te wagen de christelijke gemeente te verstoren en zo mogelijk te vernietigen, omdat zij anders met de Romeinse landvoogd (Albinus van 62-64) in conflict zou zijn gekomen, konden zij toch door verdrukkingen van allerlei aard hun het leven onder de bovendien reeds moeilijke tijdsomstandigheden moeilijk maken. De beproeving, die nu over de gelovigen uit Israël kwam, moest hen in het binnenste aangrijpen. Tot zolang hadden zij zich vastgehouden aan de hoop dat Jezus toch nog door hun volk als de ware Messias zou worden erkend; maar deze hoop op te geven was voor hen van dezelfde betekenis als het laten varen van hun volk zelf. Zij zagen niet in dat na de vervulling van de apocalyptische voorzegging in
Mattheus 23:35, die met het ombrengen van Jakobus had plaatsgehad, hun volk door de Heere zelf was losgelaten en met Zijn tempel en godsdienst voor het naderend gericht bestemd was en hun uitgaan uit die godsdienst- en volksgemeenschap dus de betekenis had van een uitgaan uit het verband van de aan het gerichte overgegevenen (
Openbaring 8:4). Bij dat gemis van het goed begrijpen van de wegen van God kwamen allerlei twijfels bij hen op of het werkelijk Gods wil was dat de aanhangers van de Messias door het volk van de Messias zonden worden uitgestoten? Of de goddelijke zending werkelijk zekerder was dan de goddelijke verkiezing van Israël? Of een man, om wiens wil men van de zekerheid van de zondenvergevende genade van God, zoals die in de verzoeningsmiddelen van tempel en offerdienst was gegeven afstand moest doen, werkelijk de beloofde door de profeten kon zijn? Zo waren zij in groot gevaar om liever hun christendom te laten varen en zich weer tot het Jodendom te wenden, dan zich van de tempel en de godsverering te laten uitsluiten. Zo werd, vooral als juist nu bij de ongelovige Joden valse Christussen en valse profeten de Messiaanse verwachting op het hoogst spanden, het woord van de Heere vervuld in
Mattheus 24:24 "zo dat zij, indien het mogelijk was, ook de uitverkorenen zouden verleiden. " Zo was het dan hoog tijd dat een verlicht man van God hun dezelfde dienst betoonde, die eens de profeet Ezechiël ("Eze 11:1 aan zijn broeders in de ballingschap had moeten betonen. Hij moest hun de eeuwige godheid van de Verlosser, die bij de eerste verkondiging van het evangelie in Palestina minder op de voorgrond trad, duidelijk voorstellen, opdat zij mochten inzien hoever het nieuwe verbond boven het oude verheven was en hoe het oude, zonder in zijn goddelijke oorsprong vermindering te ondervinden, voor dit laatste moest wijken. Hij moest hen die aan de zegeningen van het Aäronietische priesterschap geen deel meer zouden hebben, het hemelse priesterschap ontvouwen, dat Christus, de Opgestane bedient. Hij moest hun, daar zij voortaan van de Mozaïsche eredienst waren uitgesloten, het wezen van de christelijke eredienst, hun recht van toegang tot God en het voor God welgevallige van de nieuwtestamentische offeranden op het gemoed drukken. De briefschrijver breekt nu ook, zoals Stein zegt, dadelijk aan het begin van zijn brief als een ingehouden stroom tevoorschijn en voert dadelijk met de eerste woorden zijn lezers, hen als een draaikolk aangrijpend, in het midden van de grote inhoud, zonder voorrede, zonder enige inleiding, zelfs zonder enige groet. In een gevleugelde ritme aanheffend, merkt Delitzsch op, stelt hij de oud- en nieuwtestamentische openbaring tegenover elkaar. De ene is die, die in vroegere tijd is gegeven, de tweede, die in deze laatste dagen is geopenbaard. Van beide openbaringen nu zegt hij eerst iets dat aan beiden gemeen is. Het is in elk tijdsverloop God die Zich openbaart, God de Hoogste en Enige en in het algemeen is de openbaring hier zowel als daar, een spreken van God. Het is echter hier niet het doel het overeenkomstige van beide openbaringen in het licht te stellen, wel hetgeen ze van elkaar onderscheidt. Daarom staat, waardoor beide openbaringen van elkaar onderscheiden zijn, aan de ene zijde aan het begin en het einde van de voorzin: "vele malen en op velerlei wijze. door de profeten, " aan de andere zijde aan het einde van de voorzin "door de Zoon". Uit de tegenstelling waarin het "tot ons" tot het "tot de vaderen" staat, blijkt, zoals Kurtz opmerkt, dat de schrijver als christen uit de Joden tot christenen uit de Joden spreekt. Daarmee is echter natuurlijk niet gezegd dat het spreken van God door de Zoon alleen de christenen van Joodse en niet de christenen van heidense afkomst betrof, want de schrijver deelt met de apostel Paulus de mening van de algemeen menselijke bestemming van het christendom en van het volkomen gelijke recht dat heidenen en Joden hebben op deelname aan de aangeboden zaligheid. Zeker is, zo moeten wij met Bleek zeggen, de schrijver een Jood van geboorte. Het "vele malen" zegt Lünemann, geeft te kennen dat het spreken van God in de vroegere tijd iets was dat in een veelheid van op elkaar volgende handelingen plaats had, terwijl het "op velerlei wijze" het onderscheiden van soort en wijze noemt, waarop bij die bijzondere zaken het spreken plaats had. Niet alleen was de vorm en omvang van de openbaringen verschillend, ook de middelen waren onderscheiden, aangezien God nu eens door dromen en gezichten en dan van mond tot mond, nu eens rechtstreeks en dan door middel van een engel, nu onder het kleed van symbolen en zinnebeelden en dan zonder deze sprak tot hen die Zijn openbaringen ontvingen. Door dat alles wordt de onvolkomenheid van de oudtestamentische openbaringen aangeduid; geen enkele bevatte de volle waarheid, anders zou niet de aanvulling van de ene door de andere nodig zijn geweest; ook stemt met de volkomen waarheid slechts één enkele volkomen vorm van mededeling overeen. Met de woorden "in deze laatste dagen" wil hij zeggen, schrijft Luther, dat er tot aan de jongste dag toe niets anders te prediken zal zijn. Het is de laatste maal en de laatste wijze waarop Hij wil spreken, gij moogt dus niet denken aan toekomstige dagen, zij zijn reeds aanwezig, de dagen waarin begonnen is de laatste maal en de laatste wijze van prediken. Hij veronderstelt, zo horen wij v. Hofmann zich uiten, met de woorden "heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon" bij zijn lezers, dat zij met de openbaring van Hem die hij Gods Zoon noemt, de tijd als aangebroken beschouwen, waarop alle voorzegging doelde. Evenzo veronderstelt hij dat voor hen evenals voor hemzelf, Hij door wie God nu gesproken heeft, van hen door wie Hij vroeger gesproken heeft, onderscheiden is door hun en Zijn verhouding tot God. Want in verhouding tot Hem die door hen en door Hem gesproken heeft, heten zij "de profeten" en heet Hij "de Zoon. " De eerste naam geeft een roeping te kennen die niet alleen hen omvat van wie profeet zijn hun levenstaak was, maar allen die krachtens de Geest van de profetie hebben gesproken (
Handelingen 2:30); de tweede uitdrukking wijst op de betrekking zoals die tussen Vader en Zoon bestaat.
Men moet denken aan de dagen van de vervulling, de tijd van het evangelie, toen de beloofde Verlosser werkelijk gekomen was. Deze uitdrukking is zeer gewoon in de stijl van de Hebreeën (vergl. Genesis 49:1 Numeri 24:14 Jesaja 2:2 Daniël 2:28). Deze tijd heet met het hoogste recht, de laatste dagen. Toen was het Joodse gemenebest dichtbij zijn einde gekomen; het waren de laatste dagen van de oude huishouding; de wet van Mozes en de plechtige godsdienst zouden binnen korte tijd, door de verwoesting van stad en tempel, in één keer worden afgeschaft; nu stond dat geestelijk Koninkrijk op het punt te worden opgericht, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden (vergl. Daniël 2:44). De openbaring die God nu had gegeven, zou de laatste zijn van alle rechtstreekse openbaringen; nu zou de godsdienst van het evangelie worden ingevoerd, om onveranderlijk te blijven tot aan het einde van de wereld (vergel. Hoofdstuk 12:20, 29). Wat mag wel de reden zijn dat Paulus niet zegt: God heeft nu gesproken door Jezus Christus, of door Zijn Zoon, maar zonder enige nadere bepaling: door de Zoon? Dit is omdat al de Hebreeuwse christenen zeker wisten welke persoon de apostel bedoelde, net als de onderdanen van een vorst gewend zijn te zeggen: de koning en niet onze koning, omdat hij namelijk aan allen bekend is. Het stond bij al de Hebreeuwse christenen vast dat Jezus Christus de Zoon van God was. De oude Joden waren reeds gewoon de Messias de Zoon te noemen. Bij Philo heet hij de Zoon, de allervolkomenste Zoon. God heeft door Zijn Zoon gesproken, maar op een heel andere manier dan door de profeten. Aan de profeten maakte Hij zekere zaken bekend, die zij, zonder een nadere openbaring, nooit zouden geweten hebben. Zij kregen nieuwe denkbeelden en begrippen, maar de geheimenissen van de Vader konden de Zoon niet onbekend zijn, aangezien Hij met de Vader één en hetzelfde eeuwig Wezen en oneindig verstand bezit. De Vader en de Zoon zijn één en dus is het om het even of de Vader of de Zoon spreekt. God, zegt Paulus, heeft door Zijn Zoon gesproken tot ons, dat is, tot de Joden, onder wie Gods Zoon, in het vlees verschenen, verkeerd en gepredikt heeft en wel bijzonder tot de apostelen en ook tot Paulus (vergel. Galaten 1:10, 12). Er wordt dit bijgevoegd: vele malen en op velerlei wijze, want God heeft eenmaal door Zijn Zoon gesproken, gedurende Zijn omwandeling op aarde, door een mondeling en allerduidelijkst voorstel.
God heeft gesproken, vanaf de vroegste tijden, nog op andere wijze dan door de stem van de natuur, van de geschiedenis en van ieder menselijk hart. Hij moest meer zeggen dan al die stemmen verkondigen om in de nacht van de zonde een enkele lichtstraal te doen rijzen. Hij kan meer zeggen, want Hij is de persoonlijke, levende, vrij werkende God, die niet slechts denkt, maar voelt en Zich openbaart aan de mens, die naar Zijn beeld is geschapen. Hij wilde spreken, juist omdat Hij een God van genade is; de Hoogverhevene, maar die Zich tot het diepst gevallene neerbuigt. Hij heeft het werkelijk gedaan naar het getuigenis van de nog niet verscheurde of weerlegde oorkonden van Zijn eigen heilsopenbaring, en, zonder Zich onbetuigd te laten aan de heidense wereld, deed Hij het eeuwen achtereen meer bepaald aan Israëls vaderen. Hij deed het vele malen, in de schaduw van het Paradijs en bij het licht van de regenboog, in de aartsvaderlijke tent en vanuit de brandende braambos, uit de wolkkolom voor de tent van de getuigenis en door het orakel, in de tempel geraadpleegd; hij sprak op velerlei wijze, in dromen en gezichten, in woorden en feiten, door typen en tekenen, bij voorkeur door de profeten, tolken van Zijn raad en zieners van een nog verborgen toekomst. Wat een glansrijke rij van eerbiedwekkende gestalten van de oudheid gaat bij deze naam als voor onze ogen voorbij en wat een treffende openbaring van de veelvuldige wijsheid van God, als wij dat "vele malen en op velerlei wijze" vergelijken met de klimmende vatbaarheid en behoefte van hen, voor wier oog het morgenlicht als sprank voor sprank wordt ontstoken! En toch, ook het heerlijkts morgenrood verbleekt bij de luister van de zon en arm wordt eenmaal het "eertijds", vergeleken bij de schat van het heden. Hij, die reeds zoveel deed, deed nog meer; Hij heeft, zo staat er letterlijk, in het laatste van deze dagen tot ons gesproken door de Zoon. Nu geen openbaring in het grijs verleden, maar de volle volheid van de tijd; nu niet meer door dienstknechten, hoe voortreffelijk, maar door de Zoon, de Erfgenaam, de Koning van alles; niet meer tot anderen, van wie wij het geluk benijden, maar tot ons, tot alle volken, tot wie de zegen van Israël kwam!
Nog eens, wat een gedachte! Zo hebben wij dan in Christus Gods eigen heilsopenbaring en wat geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in geen mensenhart is opgekomen, het is in Hem onthuld en verschenen voor allen, die waarlijk heilbegerig begonnen te vragen naar God. Die eigene is tegelijk de hoogste openbaring van de Vader; de diepste gedachten van het Vaderhart zijn in de Zoon voor ons, arme zondaars, onthuld en zelfs de H. Geest kan het voortaan slechts uit het Zijne nemen om het ons te verkondigen. Maar die hoogste is dan ook tevens de laatste openbaring van God; na het "hoort Hem" heeft Hij in principe niets meer tot de wereld te zeggen, tenzij dan dit ene: "Hij komt. " Is het mogelijk dat te geloven, zonder dat wij naast de grootheid van onze voorrechten al de zwaarte van onze verantwoording voelen en ons verbergen met beving? Maar deze eigene, deze hoogste, deze laatste heilsontdekking, hoe is zij tot dusver door velen, hoe wordt zij zelfs ook door hen ontvangen die zeggen dat zij niets dierbaarders kennen! Ach, al rustte geen andere schuld dan het gebrek aan waarachtige dankbaarheid op ons, reeds dat zou genoeg zijn om ons voor een heilig God te veroordelen. O Gij, die door Uw Zoon van grenzeloze genade gesproken hebt, spreek zelf door Uw Geest tot dit hart van leven en licht, opdat uw grootste gave niet eenmaal tegen mij getuige! (VAN OOSTERZEE).