16. Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie gedurende de belegering, opdat zij als hun het lot der gevangenschap treft (
2 Koningen 25:11)al hun, door henzelven begane gruwelen vertellen onder de Heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben (
Jeremia 22:8).
Het gehele wezen van het huis Israëls als van een ongehoorzaam, weerspannig huis had toen als het ware zijne belichaming of zijn verenigend middelpunt in den koning, in zijne politieke trouweloosheid, zijn honen van alle profetische waarschuwing en dreiging, in `t algemeen in zijn door en door anti-theokratisch drijven; juist zulk een koning als hij was, was de afgod des vertrouwens voor diegenen, die te Jeruzalem waren, maar ook voor de ballingen. Daarom richt zich de last of bedreigende profetie bijzonder tegen hem, en kondigt hem op zeer bijzondere wijze zijn laatste lot aan. Met opzet wordt hij daarbij in den grondtekst genoemd met een woord (Hollands "vorst" d. i. belaste, namelijk met de heerschappij (Jesaja 9:6), hetwelk deels doet denken aan den "last" of de bedreiging Vers 10 (Jesaja 13:1) deels met het op den schouder dragen" in onmiddellijke betrekking staat-op zulk een armen lastdrager zal men hoop vestigen!" Omtrent dergelijke bijzondere voorzeggingen vergelijke men hetgeen bij 1 Kon. 13:2 is opgemerkt. Zelfs Josefus (Ant. X 10, 11) denkt aan dit profetisch getuigenis, als hij verhaalt hoe Zedekia juist daarom den Profeet geen geloof wilde schenken, omdat Ezechiël gezegd had, dat hij de koning Babel niet zou zien, terwijl integendeel Jeremia (32:4; 34:3) hem de wegvoering daarheen had geprofeteerd. Dat was een raadsel, welke oplossing eerst de geschiedenis kon geven, maar zulke raadsels bevat het woord van God vele, opdat duidelijk worde wie van harte God aanhangt, of Hem alleen uit egoïsme zoekt en naar Hem vraagt. De verkondiging of het verhalen in Vers 16 geschiedt niet zozeer door woorden, maar integendeel door hun lotgevallen; zo als ook in Psalm 19:1 het verhalen van feitelijke verkondiging voorkomt. Dit geschiedt door het zware lijden, dat zij moeten dragen en de ellende van hunnen gansen toestand.
De heidenen moeten vernemen, dat God niet uit machteloosheid, maar alleen tot straf over den afgodendienst hun Zijn volk heeft prijs gegeven.
De weggevoerden moeten tot een openlijk voorbeeld der wrake Gods tegen de zonde als het ware op ene schouwplaats worden gesteld. Niet alleen zullen zij, terwijl zij inderdaad zullen ervaren, dat hun God waarachtig, rechtvaardig en een vijand der zonde is, maar ook de heidenen in hen Gods heerlijkheid erkennen en prijzen. God pleegt Zijne kastijdingen, die Hij over Zijn volk laat komen, ook aan de ongelovigen, en hen daardoor tot erkentenis der waarheid te brengen.
Door het verhaal van die zonden, welke onder hen in Jeruzalem bedreven waren, om welke God rechtvaardig toornig was, en waarvoor Hij hen strafte, hoewel zij Zijn volk waren, of anders, hoewel zij stil zwegen, echter zou de zaak zelf spreken, en hun ellenden zouden de goddeloosheden uitroepen, die zij tegen God in hun eigen land hadden bedreven, of zij zouden door hun goddeloze bedrijven, welke zij in de gevangenis en onder het oog der heidenen bedreven, duidelijk aan de heidenen doen zien, dat God rechtvaardig was in al Zijne gestrengheid, of zij zouden Gods handelwijze jegens hen rechtvaardigen. Zie (Hoofdstuk 6:8-10. (POOLE en LOWTH).
17.
II. Vers 17-20. Een tweede woord des Heeren draagt den Profeet nog een ander teken op. Hij moet zijn brood met beven eten en zijn water met sidderen en zorgen drinken-een teken van treurige aanwijzing, hoe het met Jeruzalems bewoners zal gaan, en welk het lot des lands zal zijn, van welke spoedig herstel men nu met vast vertrouwen droomt.