7. En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was: ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand, die van de nodige gereedschappen voorzien was; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.
Het aan Ezechiël bevolen teken bestaat in het volgende: hij moet gereedschappen, zo als uittrekkenden gebruiken (reisstaf en reiszak met de nodige levensmiddelen voor de reis) aanbrengen en met deze voor de ogen der om hem wonende gevangenen aan den Chaboras uit zijne woning naar ene plaats uittrekken. Daarbij moet hij het eigenlijke uit de plaats gaan des avonds in den donker volbrengen, zo als dit volgens Vers 12 ene bepaalde aanwijzing moet bevatten. Daar echter ook de gevangenen zijn uittrekken moeten zien, en dien tengevolge bij dag daarop moeten opmerkzaam worden gemaakt, moet de Profeet de handeling in twee delen verdelen; vooreerst moet hij bij dag de reisbenodigdheden uit zijn huis op de straat brengen, opdat de gevangenen het zien en opmerkzaam worden op zijn voornemen. Dan moet hij des avonds in het donker uit de plaats trekken, en wel op die wijze, dat hij niet uit de deur van zijn huis uitgaat, maar zich daartoe een gat door den wand van het huis breekt, vervolgens de gereedschappen op de schouders neemt, en tot ene zekere plaats naar buiten draagt, daarbij, echter ook zijn aangezicht bedekt, zodat hij het land niet ziet.
Een wonderteken is ene buitengewone verschijning, die daartoe in de natuur of het menselijk leven is verordend, om als beeld en gelijkenis iets geheims of toekomstigs aan te duiden.
Wanneer men ziet, dat andere mensen in ongeluk, droefheid en wederwaardigheden geraken, moet men denken, dat is voor mij een wonderteken en ik moet het tot mijne verbetering aanwenden (Lukas 13:2).
Mijn Christen, houd uw reisgereedschap altijd gereed en wees bereid, want gij kunt niet weten, wanneer de avond des levens komen zal, dat God u gebiedt uit den tijd in de eeuwigheid te gaan. Wel den knecht, dien de Heere bereidt vindt (Lukas 12:43) (STARKE.