Jesaja 58:1-2
Toen onze Heere Jezus de Trooster beloofde voegde Hij er bij: En die gekomen zijnde, zal overtuigen", Johannes 16:7, 8. Overtuiging moet ons voorbereiden voor vertroosting, en moet dus scheiding maken tussen het heilige en het onheilige en hen openbaar maken voor wie de vertroosting niet bestemd is. Zo had God Zijn profeet aangesteld om Zijn volk te vertroosten, Hoofdstuk 40:1, maar hier draagt Hij hem op om hen te overtuigen en om hun hun zonden te tonen.
I. Hij moet hun zeggen hoe slecht zij werkelijk waren, vers 1.
1. Hij moet getrouw en open met, hen handelen. Ofschoon zij het volk van God en het huis van Jakob genoemd werden, ofschoon zij dus een eerbiedwaardige naam droegen, waardoor zij deel hadden aan verscheidene kostelijke voorrechten, mocht hij hen niet vleien, maar hun hun zonden en overtredingen aantonen, hun fouten in bijzonderheden bespreken, Welke zonden zij onwetend bedreven hadden, of liever welke zonden zij bedreven, zonder te erkennen dat het zonden waren. Ofschoon zij zich in sommige opzichten bekeerd hadden, moesten zij toch weten dat andere gevallen even slecht gebleven waren als vroeger. "Toon hun hun overtredingen en hun zonden, " dat is: al hun overtredingen in hun zonden, hun zonden en al de verzwaringen daarvan, Leviticus 16:21. God ziet zonden in Zijn volk, in het huis Jakobs en zij mishagen Hem. Zijn volk is soms onbekwaam en ongeneigd om hun eigen zonden te zien en heeft dan nodig dat die hun aangewezen worden, dat hun gezegd wordt, dit en dat hebt gij gedaan.
2. Hij moet daarin openlijk en ernstig te werk gaan, hij moet uit de keel roepen en niet sparen, hen niet sparen, zijn vermaningen niet uitspreken alsof hij bang was hen te kwetsen, maar de wond goed peilen en tot op het gebeente bloot leggen, ook zichzelf niet sparen maar luide uit de keel roepen, ofschoon hij er zijn krachten ook aan zou verspelen, ofschoon hij hun onwil mocht bemerken en ondervinden dat zij hem daarom een kwade naam gaven, hij mag hen niet sparen. Hij moet zijn stem verheffen als een bazuin, opdat zij het wel moeten horen, hoewel zij gaarne aan dat oor doof zijn. Hij moest zijn bestraffingen geven op de indrukwekkendste en dringendste wijze als iemand die begeert dat er naar hem geluisterd wordt. De bazuin mag geen onzeker geluid geven, maar hard en schril weerklinken. Hij moet hen dus opschrikken en hen waarschuwen tegen de vreselijke gevolgen van de zonden, Ezechiël 33:3.
II. Toch moet hij erkennen dat zij zich zeer goed voordoen, Gij zoekt mij dagelijks, vers 2. Toen de profeet hun hun overtredingen kwam tonen, waren zij gereed om te zeggen dat zij niet konden zien dat zij aan overtredingen schuldig waren, want zij waren ijverig en volhardend in de verering van God, en wat zou Hij meer van hen eisen?
A. Hij erkent dat dit waar is, voorzover huichelaars doen hetgeen goed is, zal hun de lof daarvoor niet onthouden worden. Hij erkent dat zij een gedaante van godzaligheid hebben.
a. Zij gaan naar de kerk, zij wonen de bidstonden bij, zij zoeken Mij dagelijks, zij zijn zeer volhardend in hun godsdienstplichten, zij slaan die nooit over, en dulden niet dat iets hen daarin verhindert.
b. Zij horen gaarne een goede preek, zij hebben lust aan de kennis Mijner wegen, gelijk Herodes, die Johannes gaarne hoorde, het is hun als een lieflijk gezang, Exodus 33-32. c. Zij hebben schijnbaar groot genoegen in de godsdienstoefeningen en zijn in hun element als zij daarmee bezig zijn, zij naderen gaarne tot God, niet ter wille van Hem, tot Wien zij naderen, maar om de aangename omgeving, het gezelschap van de feestgangers.
d. Zij zijn zeer onderzoekend naar hun plichten en willen naar het schijnt daar alles van weten, en laten het buiten twijfel dat zij ze vervullen zullen, zij vragen naar de rechten Mijner gerechtigheid, de regelen van de Godsverering, de regelen van de omgang met de mensen, die beide zijn de rechten van Gods gerechtigheid.
e. Voor het oog van de wereld doen zij zich voor alsof zij er een gewetenszaak van maken om hun plicht te betrachten, zij zijn als een volk, dat gerechtigheid doet en geen van de ordinanties van zijn God verwaarloost. Anderen houden hen daarvoor en zij geloven het ook van zichzelf, er was niets in hun gedrag waardoor de tegenspraak van hun belijdenis openbaar werd, maar zij waren schijnbaar zoals zij behoorden te zijn. Men kan een groot deel van de weg naar de hemel bewandelen en toch te kort komen, ja met een goede naam naar de hel gaan.
B. Hij toont echter aan dat dit alles zo weinig tot bedekking of verontschuldiging van hun zonden dienen kon, dat die er integendeel door verzwaard werden. Toont hun hun zonden, waarin zij voortgaan, niettegenstaande hun kennis van goed en kwaad, zonde en plicht, en de overtuiging van hun geweten.