Ezechiël 11:22-25
Hier is,
I. Gods tegenwoordigheid verlaat stad en tempel. Toen de boodschap aan de profeet toevertrouwd werd, en hij die ten volle verstond geheel onderricht, hoe hij het kostelijke van het snode moest onderscheiden, toen hieven de Cherubims hun vleugelen op, en de raderen tegenover hen, vers 22, gelijk tevoren, Hoofdstuk 10:19. Wanneer engelen hun dienst in dit ondermaanse hebben verricht, vliegen zij spoedig terug, want zij hebben geen tijd te verliezen. Wij verlieten de heerlijkheid des Heeren aan de deur van de Oosterpoort van het huis des Heeren Hoofdstuk 9:19, wat hier genoemd wordt in het midden van de stad. Hier nu wordt ons gemeld, dat, aangezien er tot zijn verbazing niemand gevonden werd, om tussenbeide te treden niemand om op te houden, niemand om ze terug te verlangen, de heerlijkheid des Heeren oprees van het midden van de stad en stond op de berg, die tegen het oosten van de stad is, vers 23, dat is: de Olijfberg. Op die berg hadden zij hun afgoden opgericht, om God in Zijn tempel te honen, toen Hij daar woonde, 1 Koningen 11:7, en daarom heet die berg de berg Mashith (des verderfs), 2 Romeinen 23:13, daarom plant de Heere daar als het ware Zijn standaard, richt er Zijn rechtbank op, als om degenen, die de tempel als hun eigendom beschouwden, nu God die verlaten had, te beschamen. Van die berg had men een open gezicht op de stad, daarheen week de heerlijkheid Gods om te doen wat Hij gesproken had, Deuteronomium 32:20 :"Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen, Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen." Van die berg zag Christus de stad, toen Hij over haar weende, in het vooruitzicht van de algehele verwoesting door de Romeinen. De heerlijkheid des Heeren trok zich daarheen terug, om als het ware in het gezicht te blijven en gereed weer te keren indien nog in deze hun dag bedacht werd wat tot hun vrede diende. Wie traag is om te vertrekken neemt telkens weer afscheid. Door dus langzaam, als met trappen, heen te gaan, wil God zeggen, dat Hij ze met smart verliet en niet zou gaan, zo zij Hem er niet toe hadden genoodzaakt Nu zegt Hij nog: "Hoe zou Ik u overgeven, Efraïm? Hoe zou Ik u overleveren, Israël?" Maar, al is Zijn geduld groot, het is niet onuitputtelijk, ten laatste verwerpt Hij ze, en snijdt voor immer af, die Hem verworpen en verlaten hebben.
2. Het gezicht verdwijnt voor des profeten oog. Eindelijk voer het gezicht van hem op vers 24. Hij zag het opstijgen, totdat het uit zijn gezicht verdween, daarin lag een bevestiging van zijn geloof, dat het een hemels gezicht was geweest, dat het vandaar gekomen en derwaarts weer heengegaan was. Zie, de gezichten, die de heiligen gegund worden van Gods heerlijkheid, zullen eerst dan blijvend zijn, wanneer zij in de hemel komen. Zij zien iets van die heerlijkheid, die weldra weer verdwijnt, gezichten varen van hen op, een voorsmaak van de hemelse zaligheid, maar hier vieren wij geen aanhoudend feest. Van de Olijfberg voer het visioen op als type van Christus' hemelvaart, van dezelfde berg, toen zij, die Hem hadden aanschouwd, geopenbaard in het vlees, Hem niet meer zagen. In Zacheria 14:4 was voorspeld dat "Zijn voeten zouden staan op de Olijfberg," daar het laatst zouden staan.
3. De profeet keert weer tot de gevankelijk weggevoerden. Dezelfde Geest, die hem in een verrukking van de zinnen had medegevoerd naar Jeruzalem, bracht hem weer naar Chaldea want daar is zijn tegenwoordige woonplaats daar is de plaats van zijn dienst. De Geest was tot hem gekomen, niet om hem uit zijn ballingschap te bevrijden, maar (wat daarvoor in de plaats trad) om hem in zijn ballingschap te sterken en te troosten. 4. Het verslag, dat hij zijn hoorders geeft van al wat hij gezien en gehoord had, vers 25. Hij had ontvangen om te geven, en hij was getrouw geweest die hem had gezonden, hij had zijn boodschap trouw overgebracht. Hij had alles gesproken, en niets anders, wat God hem had getoond. Hij had hun verteld van de grote goddeloosheid, die hij te Jeruzalem had gezien, van de verwoesting, die haastelijk over die stad kwam, opdat zij geen berouw mochten krijgen, dat ze zich aan de koning van Babel hadden overgegeven, gelijk Jeremia hun had geraden. Zij mochten zich anders eens gaan beschuldigen of hen bevrijden, die achtergebleven waren en hen nu uitlachten, zij moesten niet wensen, nog in Jeruzalem te zijn, maar in hun ballingschap tevreden wezen. Wie zou begeren in een stad te wonen, zó vol zonde en zó nabij haar ondergang? Het is beter in Gods gunst te Babel te wonen, dan onder Zijn toorn en vloek te Jeruzalem. Maar, al werd dit alles terstond meegedeeld aan de gevangenen in Babylon, wij mogen onderstellen, dat hij de inhoud ervan ook naar Jeruzalem heeft gezonden, waarmee zij in correspondentie bleven. En het zou goed voor Jeruzalem geweest zijn, zo ze met die inhoud rekening had gehouden.