Johannes 17:1-5
Wij hebben hier de omstandigheid van dit gebed, vers 1. Menig plechtig gebed heeft Christus in de dagen Zijns vlezes opgezonden (soms bleef Hij den gehelen nacht over in het gebed) maar geen Zijner gebeden is zo uitvoerig meegedeeld als dit. Merk op:
1. Den tijd, wanneer Hij dit gebed heeft gebeden, toen Hij dit, of deze woorden, gesproken heeft, het bovenvermelde vaarwel aan Zijne discipelen, heeft Hij dit gebed in hun tegenwoordigheid gebeden, zodat het:
a. Een gebed was na ene leerrede, nadat Hij van God tot hen gesproken had, sprak Hij nu tot God voor hen. Voor hen, tot wie wij spreken in prediking, moeten wij bidden. Hij, die over de dorre beenderen moest profeteren, moest ook bidden: Gij Geest! kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden. En voor het gepredikte woord moet gebeden worden, want God geeft den wasdom.
b. Het was een gebed na een sacrament, nadat Christus en Zijne discipelen tezamen het pascha en des Heeren Avondmaal hadden gegeten, en Hij hun daarbij had toegesproken en vermaand, besloot Hij de plechtigheid met dit gebed, dat God de goede indrukken, die zij daarbij ontvangen hadden, in hen zou bewaren.
c. Het was een gebed van, of met het gezin. Christus' discipelen vormden Zijn gezin, en, ten einde aan de hoofden van huisgezinnen een goed voorbeeld te geven, heeft Hij, als een Zoon van Abraham, niet slechts Zijn gezin onderwezen, Genesis 18:19, maar als een Zoon van David, heeft Hij Zijn huisgezin gezegend, 2 Samuël 6:20, voor hen en met hen gebeden.
d. Het was een afscheidsgebed. Als wij van onze vrienden scheiden, dan is het goed om bij het afscheid met elkaar te bidden, Handelingen 20:36. Christus scheidde van hen door den dood, en die scheiding moest geheiligd en lieflijk gemaakt worden door gebed. De stervende Jakob zegende de twaalf patriarchen, de stervende Mozes de twaalf stammen, en zo ook hier, de stervende Jezus de twaalf apostelen.
e. Het was een gebed ter inleiding van Zijne offerande, die Hij nu op aarde stond op te offeren, de gunsten en zegeningen noemende, die door de verdienste van Zijn dood voor de Zijnen verkregen zouden worden. Christus bad toen als een priester, die offerde, uit kracht waarvan alle gebeden gedaan moesten worden.
f. Het was een gebed, dat als voorbeeld kan dienen van Zijne voorspraak, daar Hij altijd leeft om voor ons te bidden binnen den voorhang. Niet, alsof Hij in Zijn verhoogden staat zich met dezelfde nederige smeking wendt tot Zijn Vader als toen Hij nog op aarde was. Neen, Zijne voorspraak in den hemel is een aanbieden van Zijne verdienste aan Zijn Vader, met verzoek dat zij Zijnen uitverkorenen ten goede zal komen.
2. De uitdrukking van vurige begeerte, die Hij gebruikt in Zijn gebed: Hij hief Zijne ogen op naar den hemel, zoals tevoren, Hoofdstuk 11:41, niet alsof Christus het nodig had als ene hulp om Zijne aandacht te bepalen, maar het behaagde Hem aldus deze houding te heiligen voor hen, die haar aannemen, en haar te rechtvaardigen tegenover hen, die haar bespotten. Het betekent, de opheffing der ziel tot God in het gebed, Psalm 25:1. Sursum corda was vanouds ene opwekking tot gebed. Heft op uwe harten tot den hemel, dáárheen moeten wij onze begeerten richten in het gebed, en vandaar moeten wij de goede dingen verwachten, om welke wij gebeden hebben.
II. Het eerste gedeelte van het gebed zelf, waarin Christus voor zich zelven bidt.
1. Hij bidt tot God als een Vader. Hij hief Zijne ogen op, en zei: Vader. Gelijk tot God alleen gebeden moet worden, zo is het onze plicht om Hem in het gebed als Vader te beschouwen, en Hem onzen Vader te noemen. Aan allen, die den Geest der aanneming hebben, wordt geleerd Abba Vader te roepen, Romeinen 8:15, Galaten 4:6. Indien God onze Vader is, dan hebben wij vrijen toegang tot Hem, grond van vertrouwen in Hem, en grote verwachtingen van Hem. Christus noemt Hem hier heilige Vader, en rechtvaardige Vader, vers 25. Want het zal ons zeer nuttig zijn in het gebed, zo tot leiding als tot bemoediging, om God te noemen zoals wij hopen Hem te zullen bevinden.
2. Hij bad ten eerste voor zich zelven. Hoewel tot Christus, als God gebeden werd, heeft Christus, als mens, zelf gebeden, aldus betaamde het Hem alle gerechtigheid te vervullen. Tot Hem, evenals tot ons, was gezegd: Eis, dat is: bid, en Ik zal u geven, Psalm 2:8. Hij moet vragen, bidden, om hetgeen Hij verworven heeft, en zullen wij denken te zullen hebben wat wij nooit hebben verdiend, maar duizend maal hebben verbeurd, zo wij er niet om bidden? Het zet ere bij aan het gebed, dat het de bode was, dien Christus op Zijne boodschappen heeft uitgezonden, de weg was, waarop Hij zelf met den hemel gemeenschap onderhield. Het geeft ook een grote aanmoediging aan biddende mensen, en reden om te hopen, dat zelfs het gebed degene, die gans ontbloot is, niet versmaad zal worden. Er was een tijd, toen Hij, die onze Voorspraak is, een eigen zaak had te bepleiten, een grote zaak, van welks welslagen Zijne eer afhing als Middelaar, en dit moest Hij doen op dezelfde wijze, als die aan ons is voorgeschreven, door gebeden en smekingen, Hebreeën 5:7, zodat Hij het gemoed kent van den smekeling, Exodus 23:9. Merk nu op: Christus begon met te bidden voor zich zelven, en daarna bad Hij voor Zijne discipelen, deze barmhartigheid moet beginnen met ons zelven, hoewel zij daar niet moet eindigen. Wij moeten onzen naaste liefhebben als ons zelven, en voor hem bidden als voor ons zelven, en daarom moeten wij op de rechte wijze eerst ons zelven liefhebben en voor ons zelven bidden. Christus was veel beknopter in het gebed voor zich zelven dan in Zijn gebed voor Zijne discipelen. Ons gebed voor de kerk, de gemeente, moet niet in een hoekje van onze gebeden worden gedrongen, als wij bidden voor al de heiligen, hebben wij ruim gelegenheid om hierover uit te weiden, en dan moeten wij ons niet beperken, niet nauw zijn. Nu zijn hier twee beden, die Christus opzendt voor zich zelven, en deze twee zijn een-namelijk dat Hij verheerlijkt zal worden. Maar die ene bede: "Verheerlijk Mij", wordt tweemaal opgezonden, omdat zij op tweeërlei zaken ziet. Ter verdere voortzetting van Zijne onderneming: "Verheerlijk Mij, opdat Ik U verheerlijke", door te doen hetgeen overeen is gekomen, dat nog gedaan moet worden, vers 1-3. En, voor de volbrenging van Zijne onderneming totnutoe: "Verheerlijk Mij, want Ik heb U verheerlijkt". Ik heb het Mijne gedaan, Heere, doe Gij nu het Uwe, vers 4, 5.
a. Christus bidt hier om verheerlijkt te worden, opdat Hij God zou verheerlijken, vers 1. Verheerlijk Uwen Zoon overeenkomstig Uwe belofte, opdat Uw Zoon U verheerlijke overeenkomstig het werk, dat Hij op zich genomen heeft. Merk hier op: a. Waar Hij om bidt-dat Hij verheerlijkt zal worden in de wereld: "De ure is gekomen, wanneer al de machten der duisternis zich zullen verenigen om Uwen Zoon te honen en te vernederen, Vader, verheerlijk Gij Hem nu." De Vader heeft den Zoon op aarde verheerlijkt. Ten eerste. In Zijn lijden zelf, door de tekenen en wonderen, die er bij plaatshadden. Toen zij, die kwamen om Hem te grijpen, als door den donder getroffen waren door een woord, -toen Judas beleed, dat Hij onschuldig was, en die belijdenis bezegeld heeft met zijn eigen schuldig bloed, -toen de vrouw des rechters in den slaap, en de rechter zelf wakker zijnde, Hem rechtvaardig verklaarden, -toen de zon verduisterd werd, en de voorhang des tempels scheurde, toen heeft de Vader den Zoon niet slechts gerechtvaardigd, maar verheerlijkt. Ja meer. Ten tweede. Zelfs door Zijn lijden, toen Hij gekruisigd werd, werd Hij grootgemaakt, werd Hij verheerlijkt, Hoofdstuk 13:31. Het was in Zijn kruis, dat Hij den Satan en den dood overwonnen heeft, Zijne doornen waren een kroon, en in het opschrift boven Zijn hoofd heeft Pilatus meer geschreven dan hij dacht. Maar Ten derde. Nog veel meer na Zijn lijden. De Vader heeft den Zoon verheerlijkt, toen Hij Hem van de doden heeft opgewekt, Hem openlijk aan verkoren getuigen getoond heeft, en den Geest heeft uitgestort om Zijne zaak te steunen en te bepleiten, en Zijn koninkrijk heeft opgericht onder de mensen, toen heet Hij Hem verheerlijkt. Hierom bidt Hij nu, hierop dringt Hij aan. b. Waarop Hij pleit ter ondersteuning van Zijne bede.
Ten eerste. Hij pleit op verwantschap: Verheerlijk Uwen Zoon, Uwen Zoon als God, als Middelaar. Het is in aanmerking hiervan, dat Hem de heidenen gegeven zijn tot Zijn erfdeel, want Gij zijt Mijn Zoon, Psalm 2:7, 8. De duivel had Hem verzocht met het aanbod van de koninkrijken der wereld om van Zijn Zoonschap afstand te doen, het te laten varen, maar Hij heeft dit aanbod met minachting afgewezen, en was voor Zijne verhoging afhankelijk van Zijn Vader, en nu wendt Hij zich daarvoor tot Hem. Zij, die de aanneming tot kinderen hebben ontvangen, kunnen in het geloof bidden om de erfenis der kinderen, indien zij geheiligd zijn, dan worden zij ook verheerlijkt: Vader, verheerlijk Uwen Zoon.
Ten tweede. Hij voert den tijd aan als pleitgrond: De ure is gekomen, de tijd, tot op een uur bepaald. De ure van Christus' lijden was in den raad Gods vastgesteld en bepaald. Hij had dikwijls gezegd, dat Zijne ure nog niet was gekomen, maar nu was zij gekomen, en Hij wist het. De mens weet zijn tijd niet, Prediker 9:12, maar de Zoon des mensen wist het. Hij noemt het deze ure, Hoofdstuk 12:27, en hier de ure, Markus 14:35 en Johannes 16:21. Want de ure van den dood des Verlossers was, evenals de ure van Zijne geboorte, voorzeker wel de merkwaardigste en gewichtigste ure, en ongetwijfeld ook de hachelijkste ure, die er ooit was, sedert de klok des tijds aan den gang was gemaakt. Nooit is er ene ure geweest als deze, en nooit heeft ene ure van tevoren zo vele verwachtingen opgewekt, noch daarna zo vele gedachten.
1. "De ure is gekomen, waarin Ik nodig heb erkend te worden". Nu is het de ure, wanneer deze grote zaak beslist moet worden, na vele voorafgaande schermutselingen zal nu de beslissende strijd tussen den hemel en de hel plaatshebben, en de grote zaak, waarmee Gods eer en des mensen geluk gemoeid zijn, moet nu voor altijd gewonnen of verloren worden. De twee kampioenen, David en Goliath, Michael en de draak, treden nu het strijdperk binnen, de krijgsklaroen wordt geblazen voor een aanval, die voor de ene of de andere zijde noodlottig zal zijn: Verheerlijk thans Uwen Zoon, geef Hem thans de overwinning op de overheden en machten, laat nu het vermorzelen van Zijne verzenen het vermorzelen veroorzaken van den kop der slang, laat Uw Zoon thans zo ondersteund worden, dat "Hij niet zal falen noch ontmoedigd zal worden", (Jesaja 42:4) . Toen Jozua uitging, overwinnende en opdat hij overwonne, werd gezegd, dat de Heere Jozua groot maakte, en zo heeft Hij Zijn Zoon verheerlijkt, toen Hij Zijn kruis tot Zijn zegewagen heeft gemaakt. 2. "De ure is gekomen, bij het einde waarvan Ik verwacht gekroond te worden, de ure is gekomen, wanneer Ik zal worden verheerlijkt en aan Uwe rechterhand zal worden gezet." Tussen Hem en die heerlijkheid lag het bloedig toneel des lijdens, daar dit echter van korten duur was, spreekt Hij alsof Hij dit gering achtte: De ure is gekomen, dat Ik verheerlijkt moet worden, en eerder verwachtte Hij dit niet. In de ure der beproeving, en inzonderheid in de stervensuur, kunnen goede Christenen bidden: "De ure is nu gekomen, sta mij bij, treed voor mij op, nu of nooit, thans zal de aardse tabernakel worden gebroken, de ure is gekomen, dat ik zal verheerlijkt worden, 2 Corinthiërs 5:1.
Ten derde. Hij pleit op des Vaders eigen belang hierin. Opdat ook Uw Zoon U verheerlijke, want Hij had geheel Zijne onderneming aan Zijns Vaders eer en heerlijkheid gewijd. Hij wenste triomfantelijk door Zijn lijden naar Zijne heerlijkheid heengevoerd te worden, opdat Hij den Vader op tweeërlei wijze zou verheerlijken: -
1. Door den dood des kruizes, dien Hij nu stond te ondergaan. Vader, verheerlijk Uwen naam, dat gaf de grote bedoeling te kennen van Zijn lijden, het doel namelijk van des Vaders geschonden eer onder de mensen te herstellen door Zijne genoegdoening. "Vader, erken Mij in Mijn lijden, opdat Ik U door Mijn lijden moge eren."
2. Door de leer van het kruis, die nu weldra aan de wereld verkondigd zal worden, en waardoor Gods koninkrijk weer opgericht zal worden onder de mensen. Hij bidt, dat Zijn lijden zozeer door Zijn Vader verheerlijkt en gekroond zal worden, dat niet slechts de ergernis van het kruis er door weggenomen zal worden, maar dat het voor hen, die behouden worden, de wijsheid Gods en de kracht Gods zal zijn. Indien God Christus gekruisigd niet had verheerlijkt door Hem op te wekken van de doden, dan zou geheel Zijne onderneming teniet zijn gedaan, en daarom: Verheerlijk Mij, opdat Ik U verheerlijke. Nu heeft Hij ons hiermede geleerd:
a. Wat wij in onze gebeden, in al onze voornemens en begeerten op het oog moeten hebben, namelijk de ere Gods. Daar het ons hoofddoel is God te verheerlijken, moeten andere dingen gezocht en gedaan worden in onderworpenheid aan en ten dienste van den Heere. "Doe dit, of dat, voor Uwen dienstknecht, opdat Uw dienstknecht U moge verheerlijken. Geef mij gezondheid, opdat ik U moge verheerlijken met mijn lichaam, voorspoed, opdat ik U moge verheerlijken met mijn goed, mijne bezitting," enz. Uw naam worde geheiligd moet onze eerste bede zijn, en het doel bepalen van al onze andere gebeden, 1 Petrus 4:11.
b. Hij heeft ons geleerd wat te verwachten en te hopen. Indien wij er ons in oprechtheid toe begeven den Vader te verheerlijken, dan zal Hij niet in gebreke blijven datgene voor ons te doen, wat nodig is om ons instaat te stellen Hem te verheerlijken, ons de genade te geven, die Hij weet genoeg voor ons te zijn, en de gelegenheid, die Hij gepast en geschikt acht. Maar indien wij innerlijk, in het verborgen, ons zelven meer eren dan Hem, dan is het rechtvaardig in Hem, om ons aan onze eigen raadslagen over te laten, en in plaats van ons zelven te eren, zullen wij ons zelven dan te schande maken.
Ten vierde. Hij pleit op Zijne opdracht, vers 2, 3. Hij begeert Zijn Vader te verheerlijken, in overeenstemming met, en tengevolge van, de opdracht, die Hem gegeven is: "Verheerlijk Uwen Zoon, gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt, verheerlijk Hem in de uitoefening van de macht, die Gij Hem gegeven hebt", aldus is het in verband met de bede, of, "opdat Uw Zoon U verheerlijke, overeenkomstig de macht, die Hem gegeven is, aldus is het in verband met den pleitgrond. Zie hier nu de macht van den Middelaar.
A. De oorsprong van Zijne macht: Gij hebt Hem macht gegeven, Hij heeft haar van God, wiens alle macht is. In zijn gevallen toestand moet de mens, ter zijner wederherstelling, onder een nieuwen regeringsvorm worden gebracht, die niet ingevoerd kon worden dan door een bijzondere opdracht onder het groot zegel des hemels, gegeven aan den Ondernemer van dat hoogheerlijk werk, Hem aanstellende als enigen Scheidsman in het grote geschil, dat er was, en enigen Borg van het grote verbond, dat er zijn zal, tussen God en den mens, zodat Hij voor dit ambt Zijne macht ontving, welke uitgeoefend moest worden op een verschillende wijze met Zijne macht en regering als Schepper. De Koning der kerk is geen overweldiger, zoals de overste dezer wereld, Christus' recht om te regeren is onbetwistbaar.
B. De uitgebreidheid Zijner macht: Hij heeft macht over alle vlees.
a. Over geheel de mensheid. Hij heeft macht in en over de wereld der geesten, de machten der ongeziene bovenwereld zijn Hem onderworpen, 1 Petrus 3:22, maar thans bemiddelende tussen God en den mens, pleit Hij hier op Zijne macht over alle vlees. Zij waren mensen, die Hij moest onderwerpen en redden, uit dat geslacht is Hem een overblijfsel gegeven, en daarom is geheel die orde van wezens onder Zijne voeten onderworpen.
b. Over het mensdom, beschouwd als verdorven en gevallen, want aldus is de mens vlees genoemd, Genesis 6:3. Indien hij in dezen zin geen vlees ware geweest, dan zou hij geen Verlosser nodig hebben. Over dit zondig geslacht heeft de Heere Jezus alle macht, en al het oordeel, hen betreffende, is Hem overgegeven, macht om te binden en te ontbinden, om kwijt te schelden of te veroordelen, macht op aarde om de zonden te vergeven, of niet te vergeven. Als Middelaar is aan Christus het bestuur over geheel de wereld in handen gegeven, Hij is de Koning der volken, Hij heeft macht zelfs over hen, die Hem niet kennen en Zijn Evangelie niet gehoorzamen. Hen, over wie Hij niet regeert, beheerst Hij, Psalm 22:29, 72:8, Mattheus 28:18, Johannes 3:35.
C. Het grote oogmerk van deze macht: Opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. Hier is de verborgenheid van onze zaligheid blootgelegd.
a. De Vader geeft de uitverkorenen over aan den Verlosser, stelt hen onder Zijne hoede en zorg, als de kroon en het loon van Zijne onderneming, Zijn volbracht werk. Hij heeft soevereine macht over geheel het gevallen geslacht, maar een bijzonder deel in het verkoren overblijfsel, alle dingen zijn onder Zijne voeten onderworpen, maar zij zijn overgegeven in Zijne handen.
b. De Zoon onderneemt het de zaligheid te verzekeren van hen, die Hem gegeven zijn, opdat Hij hun het eeuwige leven geve. Zie, hoe groot de macht is van den Verlosser. Hij heeft levens en kronen te geven, eeuwige levens, die nooit sterven, onsterfelijke kronen, die nooit verwelken. Denk er nu over na, hoe groot de Heere Jezus is, die zo grote bevordering en verhoging kan schenken, en hoe genadig Hij is, daar Hij aan hen, die door Hem verlost en behouden worden, het eeuwige leven schenkt. a. Hij heiligt hen in deze wereld, geeft hun het geestelijk leven, dat het eeuwige leven is in de kiem, Hoofdstuk 4:14. Genade in de ziel is de hemel in die ziel. b. Hij zal hen verheerlijken in de andere wereld, hun zaligheid zal volkomen zijn in het zien van God en in Hem te genieten. Dat alleen wordt genoemd, omdat al het overige Zijner onderneming, zoals hen te onderwijzen, voor hen te voldoen, hen te heiligen en hen toe te bereiden voor het eeuwige leven, er onder begrepen is. Wij worden geroepen tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid en wedergeboren tot de erfenis. Wat het laatste is in de volvoering, is het eerste geweest in het voornemen of de bedoeling, en dat is het eeuwige leven.
c. Hiertoe is de algemene heerschappij des Verlossers dienstbaar. Hij heeft macht over alle vlees, ten einde het eeuwige leven te geven aan de uitverkorenen. Christus' heerschappij over de kinderen der mensen strekt tot behoudenis van de kinderen Gods. Al deze dingen zijn om hunnentwil, 2 Corinthiërs 4:15. Al de wetten van Christus, al Zijne inzettingen, al Zijne beloften, die aan allen gegeven zijn, zijn bedoeld en bestemd om geestelijk leven mede te delen aan, en het eeuwige leven te verzekeren voor, allen, die aan Christus gegeven zijn, Hij is der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen. Het bestuur over het rijk der voorzienigheid en het rijk der genade is in dezelfde hand gegeven, opdat alle dingen zouden medewerken ten goede voor hen, die geroepen zijn.
D. Wij hebben hier een nadere verklaring van dit grote plan, vers 3:Dit is het eeuwige leven, hetwelk Ik gemachtigd ben en ondernomen heb te geven, dat is zijn aard en wezen, en dit is de weg, die er heenleidt, dat zij U kennen, den enigen, waarachtigen God, hierin bestaan al de openbaringen en beginselen van den natuurlijken Godsdienst, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt als Middelaar, en de leerstellingen en wetten van dien heiligen Godsdienst, dien Hij ingesteld heeft tot wederherstelling van den mens uit zijn gevallen staat". Hier is:
a. Het grote doel, dat ons door den Christelijken Godsdienst wordt voorgesteld, en dat is: het eeuwige leven, de gelukzaligheid ener onsterfelijke ziel in het zien en genieten van een eeuwigen God. Dit moest Hij aan allen openbaren en voor allen, die Hem gegeven waren, verzekeren. Door het Evangelie worden leven en onsterflijkheid aan het licht gebracht, een leven, hetwelk het tegenwoordige leven even ver te boven gaat in voortreffelijkheid als in duur.
b. De zekere weg, om tot dit doel te komen, welke is: de rechte kennis van God en Jezus Christus: Dit is het eeuwige leven: U te kennen, hetgeen op tweeërlei wijze opgevat kan worden. a. Het eeuwige leven ligt in de kennis van God en Jezus Christus, het tegenwoordige beginsel van dit leven is de gelovige kennis van God en Christus, de toekomstige volmaking van dat leven zal de kennis van God en Christus wezen door aanschouwing. Zij, die met Christus verenigd zijn en een leven leiden van gemeenschap met God in Christus, weten in zekere mate, door ervaring, wat het eeuwige leven is, en zullen zeggen: "Indien dit de hemel is, dan is de hemel lieflijk, zie Psalm 17:15. b.
b. De kennis van God en Christus leidt naar het eeuwige leven, dat is de wijze, waarop Christus het eeuwige leven geeft, door de kennis degene, die ons geroepen heeft, 2 Petrus 1:3, en dat is de wijze waarop wij het ontvangen. De Christelijke Godsdienst toont ons den weg naar den hemel. Ten eerste. Door ons te wijzen op God, als de oorzaak en de zaligheid van ons bestaan, want Christus is gestorven om ons tot God te brengen. Hem te kennen als onzen Schepper, Hem lief te hebben, te gehoorzamen, zich aan Hem te onderwerpen, als onzen Eigenaar, Bestuurder en Weldoener-Hem ons zelven toe te wijden als onzen Opperheer, van Hem afhankelijk te zijn als ons voornaamste goed, alles heen te leiden tot Zijn lof, als ons hoogste doel, -dat is het eeuwige leven. God wordt hier genoemd de enige, waarachtige God, om Hem te onderscheiden van de valse goden der heidenen, die namaaksels waren, maar niet van den persoon van den Zoon, van wie uitdrukkelijk gezegd wordt, dat Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven, 1 Johannes 5:20, en die in dezen tekst voorgesteld wordt als voorwerp van dezelfden Godsdienstigen eerbied met den Vader. Het is zeker, dat er slechts een enige levende en ware God is, en dat is de God, dien wij aanbidden. Hij is de ware God, en niet een blote naam of gedachte, de enige, ware God, en allen, die zich in mededinging met Hem hebben opgeworpen, zijn ijdelheid en een leugen, Zijn dienst is de enig ware Godsdienst. Ten tweede. Door ons te wijzen op Jezus Christus, als den Middelaar tussen God en den mens: Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. Indien de mens in den staat der onschuld ware gebleven, dan zou de kennis van den enigen waren God voor hem het eeuwige leven geweest zijn, maar nu hij gevallen is, moet er iets meer zijn, nu er schuld op ons drukt is God te kennen, Hem te kennen als den rechtvaardigen Rechter, wiens vloek op ons is, en niets is meer dood-aanbrengend dan dit te weten. Het is dus nodig voor ons Christus te kennen als onzen Verlosser, door wie alleen wij thans toegang kunnen hebben tot God. Het is het eeuwige leven in Christus te geloven, en Hij heeft op zich genomen dit te schenken aan zo velen, als Hem gegeven zijn. Zie Hoofdstuk 6:39, 40. Zij, die met God en Christus bekend zijn, bevinden zich reeds in de voorsteden van het eeuwige leven.
b. Christus bidt hier, dat Hij verheerlijkt mocht worden, uit aanmerking dat Hij den Vader totnutoe verheerlijkt heeft, vers 4, 5. De betekenis van de vorige bede was: "Verheerlijk Mij in deze wereld, de betekenis van de laatste bede is: Verheerlijk Mij in de toekomende wereld. Ik heb U verheerlijkt op de aarde, en nu verheerlijk Mij. Merk hier op: a. Met welk een troostrijke gedachte Christus terugziet op het leven, dat Hij op aarde geleefd heeft: Ik heb U verheerlijkt. Ik heb voleindigd het werk, het is zo goed als afgedaan. Hij klaagt niet over de armoede en de schande, die Zijn deel zijn geweest, over het leven van vermoeienis, dat Hij geleid heeft. Hij ziet dit voorbij en vindt er behagen in terug te zien op Zijn dienen van den Vader, en den voortgang van het werk, dat Hij had ondernomen. Dit wordt hier vermeld.
Ten eerste. Tot eer van Christus, dat Zijn leven op aarde in alle opzichten beantwoord heeft aan het doel, waarmee Hij in de wereld is gekomen. Onze Heere Jezus had werk, dat Hem te doen was gegeven door Hem, die Hem had gezonden, Hij is niet in de wereld gekomen om een gemakkelijk, rustig leven te leiden, maar om het land door te gaan goeddoende, en alle gerechtigheid te vervullen. Zijn Vader gaf Hem Zijn werk, Zijn werk in den wijngaard, Hij heeft er Hem toe aangesteld en er Hem in bijgestaan. 2. Het werk, dat Hem te doen gegeven was, heeft Hij voleindigd. Hoewel Hij toen nog niet door het laatste gedeelte er van was heengegaan, was Hij toch zo nabij van geheiligd te zijn door lijden, dat Hij kon zeggen: Ik heb het voleindigd, het was zo goed als afgedaan. Hij ging er nu de laatste hand aan leggen, eteleioosa -Ik heb voleindigd. Het woord betekent Zijn volbrengen van ieder deel Zijner onderneming op de volledigste en volkomenste wijze.
3. Hierin verheerlijkte Hij Zijn Vader, Hij behaagde Hem, Hij loofde Hem. Het is de heerlijkheid Gods, dat Zijn werk volkomen is, en hetzelfde is de heerlijkheid van den Verlosser, hetgeen, waarvan Hij de werker is, daar zal Hij ook de voleindiger van wezen. Het was een vreemde weg voor den Zoon om den Vader te verheerlijken door zich zelven te vernederen (het had veeleer den schijn van Hem te verkleinen), maar het was zo geschikt en beraamd, dat het Hem zou verheerlijken: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde, op zulk ene wijze, dat de mensen op aarde de openbaring Uwer heerlijkheid konden dragen." Ten tweede. Het wordt vermeld als voorbeeld voor allen, opdat wij Zijn voorbeeld zouden volgen. 1. Wij moeten er ons op toeleggen om het werk te doen, dat God ons te doen heeft gegeven, overeenkomstig onze geschiktheid en de sfeer onzer werkzaamheid, wij moeten, een iegelijk van ons, al het goed in de wereld doen, dat wij kunnen.
2. Wij moeten in alles de heerlijkheid Gods op het oog hebben. Wij moeten Hem verheerlijken op de aarde, die Hij aan de kinderen der mensen heeft gegeven, slechts dien cijns er voor vragende, op de aarde, waar wij in proeftijd zijn, en in een staat van voorbereiding voor de eeuwigheid.
3. Wij moeten hierin volharden tot aan het einde onzer dagen, wij moeten niet neerzitten voor wij ons werk volbracht hebben, totdat wij "als een dagloner onzen dag afdoen", Job 14:6 1). Ten derde. Het is vermeld tot bemoediging van allen, die zich op Hem verlaten. Indien Hij het werk voleindigd heeft, dat Hem te doen is gegeven, dan is Hij een volkomen Zaligmaker, en dan heeft Hij Zijn werk niet ten halve volbracht. En Hij, die Zijn werk voor ons voleindigd heeft, zal het ook in ons voleindigen tot aan den dag van Christus. b. Zie met welk een vertrouwen Hij uitziet naar de vreugde, die Hem voorgesteld is, vers 5:En nu verheerlijk Mij, Gij Vader. Dat is het, waarop Hij staat maakt, en dat Hem niet ontzegd kan worden.
Ten eerste. Zie hier, waar Hij om bad, Verheerlijk Mij, zoals tevoren, in vers 1. Alle herhalingen in het gebed zijn nog geen ijdele herhalingen, Christus bad, zeggende dezelfde woorden, Mattheus 26:44, en toch bad Hij te ernstiger. Hetgeen Zijn Vader Hem had beloofd, en waarvan Hij verzekerd was, daar moest Hij toch om bidden, beloften zijn niet bestemd of bedoeld om gebeden te vervangen, maar om de gidsen te zijn voor onze begeerten en de grond voor onze hoop. Het verheerlijkt zijn van Christus omvat alle eer, en macht, en blijdschap van Zijn verhoogden staat. Zie hoe het beschreven wordt.
1. Het is heerlijkheid bij God, niet slechts: Verheerlijk Mijn naam op de aarde, maar Verheerlijk Mij bij Uzelven. Het was het paradijs, het was de hemel, om bij Zijn Vader te zijn, zoals Spreuken 8:30, Daniël 7:13, Hebreeën 8:1. De grootste heerlijkheid van den verhoogden Verlosser zou tentoongespreid worden binnen den voorhang, waar de Vader Zijne heerlijkheid openbaart. De lofzeggingen van de bovenwereld gaan op tot Hem, die op den troon zit, en het Lam, Openbaring 5:13, en de gebeden van de benedenwereld doen genade en vrede neerkomen van God, onzen Vader, en van onzen Heere Jezus Christus, en aldus heeft de Vader Hem verheerlijkt bij zich zelven.
2. Het is de heerlijkheid, die Hij bij God had, eer de wereld was. Hieruit blijkt:
a. Dat Jezus Christus, als God, het aanzijn had eer de wereld was, van gelijke eeuwigheid met den Vader is. Onze Godsdienst maakt ons bekend met Enen, die voor alle dingen was, en door wie alle dingen zijn.
b. Dat Zijne heerlijkheid bij den Vader is van eeuwigheid, zowel als Zijn bestaan bij den Vader, want Hij is van eeuwigheid het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid geweest, Hebreeën 1:3. Gelijk Gods schepping van de wereld Zijne heerlijkheid slechts heeft bekend gemaakt, maar er niets wezenlijks aan toegevoegd heeft, zo heeft Christus het verlossingswerk op zich genomen, niet omdat Hem heerlijkheid ontbrak, want Hij had heerlijkheid bij den Vader eer de wereld was, maar omdat wij heerlijkheid nodig hadden. c. Dat Jezus Christus in den staat Zijner vernedering zich ontdaan heeft van Zijne heerlijkheid, er een sluier over heeft geworpen, hoewel Hij nog God was, was Hij echter God geopenbaard in het vlees, niet in Zijne heerlijkheid. Hij heeft voor een wijle Zijne heerlijkheid afgelegd, als een blijk en onderpand, dat Hij Zijne onderneming ten einde zou brengen, overeenkomstig het bestel Zijns Vaders.
d. Dat Hij in Zijn verhoogden staat Zijne heerlijkheid weer heeft aangenomen, en zich wederom met Zijn vroeger gewaad des lichts bekleed heeft. Zijne onderneming nu volbracht hebbende, eiste Hij nu ook het loon, dat Hem er voor toekwam, door deze woorden: Verheerlijk Mij. Hij bidt, dat zelfs Zijn menselijke natuur bevorderd mocht worden tot de hoogste eer, waarvoor zij vatbaar was, Zijn lichaam een heerlijk lichaam zou wezen, en dat de heerlijkheid der Godheid nu geopenbaard zou worden in den persoon van den Middelaar, EMMANUEL, Godmens. Hij bidt niet om verheerlijkt te worden bij de vorsten en groten der aarde, neen, Hij, die de beide werelden kende, en kon kiezen in welke Hij bevorderd wilde worden, verkoos haar in de heerlijkheid der andere wereld, als ver al de heerlijkheid van deze overtreffende. Hij had de koninkrijken dezer wereld en hun heerlijkheid veracht, toen Satan ze Hem aanbood, en daarom kan Hij met des te meer vrijmoedigheid aanspraak maken op de heerlijkheid der andere wereld. Laat datzelfde gevoelen in ons zijn. "Heere, geef de heerlijkheid dezer wereld aan wie Gij haar wilt geven, maar laat mij deel hebben aan de heerlijkheid in de toekomende wereld. Het is van geen belang, er is niets aan gelegen, dat ik door de mensen gehoond en vernederd word, maar, Vader, verheerlijk mij bij Uzelven. Ten tweede. Zie hier waarop Hij pleit: Ik heb U verheerlijkt, uit aanmerking nu hiervan, verheerlijk Gij Mij. Want:
1. Daar was billijkheid in, en een uitnemende gepastheid, dat, zo God in Hem verheerlijkt was, Hij Hem bij zich zelven zou verheerlijken, gelijk Hij had opgemerkt, Hoofdstuk 13:32. Er was zulk een oneindige waardij in hetgeen Christus deed om Zijn Vader te verheerlijken, dat Hij al de heerlijkheid van Zijn verhoogden staat terecht verdiend heeft. Indien de heerlijkheid des Vaders verhoogd werd door de vernedering des Zoons, dan voegde het, dat de heerlijkheid des Zoons er op den duur niet door verminderd zou worden.
2. Het was overeenkomstig het verbond tussen hen, dat, zo de Zoon Zijne ziel tot een schuldoffer wil stellen, Hij de machtigen als een roof zal delen, Jesaja 53:10, 12, en het koninkrijk Zijner zou wezen: en hierop had Hij het oog, hierop rekende Hij in Zijn lijden, het was voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, dat Hij het kruis heeft verdragen, en in Zijn verhoogden staat verwacht Hij nog de voltooiing van Zijne verhoging, omdat Hij Zijne onderneming voltooid heeft, Hebreeën 10:13.
3. Het was het geschiktste blijk, dat Zijn Vader het werk, dat Hij volbracht had, aannam en goedkeurde. Door de verheerlijking van Christus zijn wij overtuigd, dat God voldaan was, en hierin werd een werkelijk bewijs gegeven, dat Zijn Vader een welbehagen in Hem had als in Zijn geliefden Zoon.
4. Aldus moet ons geleerd worden, dat diegenen, en diegenen alleen, die God op aarde verheerlijken, en volharden in het werk, dat God hun te doen heeft gegeven, bij den Vader verheerlijkt zullen worden, als zij niet meer in deze wereld moeten zijn. Niet alsof wij, evenals Christus, die heerlijkheid kunnen verdienen, maar ons verheerlijken van God wordt vereist als een blijk van ons deel aan Christus, door wie het eeuwige leven Gods vrije gave is.