Johannes 5:17-30
Wij hebben hier Christus' rede bij gelegenheid, dat Hij beschuldigd werd een sabbatschender te zijn, en het schijnt Zijne verdediging geweest te zijn voor het sanhedrin, toen Hij bij hen was aangeklaagd. Of het op dezelfden dag, of wel twee of drie dagen later was, blijkt niet, waarschijnlijk was het op dezelfden dag. Merk op:
I. De leer, door Hem vastgesteld, door welke Hij hetgeen Hij deed op den sabbatdag rechtvaardigde, vers 17. Jezus antwoordde hun. Dit onderstelt, dat Hem iets ten laste was gelegd, of dat Hij wat zij tot elkaar zeiden, toen zij Hem zochten te doden, vers 16, heeft geweten, en dat Hij hun daarop antwoordde: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Een ander maal heeft Hij, in antwoord op dergelijke beschuldiging, gewezen op het voorbeeld van David's eten van de toonbroden, het slachten der offers door de priesters, en het drenken van het vee op den sabbatdag door het volk. Maar hier gaat Hij hoger en voert het voorbeeld aan van Zijn Vader en Zijn Goddelijk gezag. Alle andere verwering daarlatende, blijft Hij staan bij die, welke instar omnium - gelijk was aan het geheel, of aan allen, en die Hij genoemd heeft in Mattheus 12:8. De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat, maar hier weidt Hij er nog verder over uit.
1. Hij wijst er op, dat Hij de Zoon van God is, dit is duidelijk te kennen gegeven in het noemen van God als Zijn Vader. Dit zo zijnde, is Zijne heiligheid aan geen twijfel onderhevig en Zijne vrijmacht onbetwistbaar, en dan kan Hij de veranderingen aanbrengen in de wet, die Hem goeddunken. Voorzeker zullen zij den Zoon ontzien, die de erfgenaam is van alle dingen.
2. Dat Hij medearbeider is met God.
a. Mijn Vader werkt tot nu toe. Het voorbeeld van Gods rusten van al Zijn werk op den zevenden dag is in het vierde gebod als grond aangegeven om dien dag waar te nemen als een sabbat, of dag der ruste. Nu heeft God slechts gerust van zulk werk, als Hij op de zes dagen gedaan heeft, maar anders werkt Hij tot nu toe. Hij werkt iedere dag, op sabbatdagen en op weekdagen, alle schepselen onderhoudende en besturende, en door de gewone leiding Zijner voorzienigheid al de bewegingen en werkingen der natuur doende medewerken tot Zijne eer en heerlijkheid. Als ons dus bevolen wordt te rusten op den sabbat, worden wij hiermede toch niet teruggehouden om datgene te doen, hetwelk onmiddellijk strekken kan tot heerlijkheid Gods, zoals dit het geval was met het dragen van zijn bed door den herstelden zieke.
b. Ik werk, niet slechts: daarom mag ik ook werken, door, evenals Hij goed te doen op de sabbatdagen, zowel als op de andere dagen, maar Ik werk met Hem. Gelijk God alle dingen door Christus geschapen heeft, zo onderhoudt en bestuurt Hij ze ook allen door Hem, Hebreeën 1:3. Dit stelt alles wat Hij doet boven bedenking of bedilling, Hij, die zo groot een Werker is, moet ook wel een onbetwistbaar Bestuurder zijn, Hij, die alles doet, is van alles Heere, en dus ook Heere van den sabbat. Dit bijzondere deel van Zijn gezag wilde Hij nu handhaven en hoog houden, omdat Hij dit weldra nog verder zal doen blijken in het verschuiven van den zevenden tot den eersten dag.
II. De ergernis, die door deze leer bij hen werd opgewekt, vers 18. Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden. Zijne verontschuldiging werd Zijne beschuldiging, alsof Hij door zich te rechtvaardigen hetgeen reeds erg was nog erger had gemaakt. Zij, die door het woord van Christus niet verlicht willen worden, zullen er door vertoornd en geprikkeld worden, en niets vertoornt de vijanden van Christus zo zeer als Zijne handhaving van Zijn gezag, Psalm 2:3-5. Zij zochten Hem te doden.
1. Omdat Hij den sabbat had geschonden, want, Hij mag zeggen wat Hij wil om zich te rechtvaardigen, zij zijn besloten om Hem, terecht of te onrecht, voor schuldig te houden aan sabbatsschennis. Als boosaardigheid en afgunst op den rechterstoel zitten, dan hebben rede en recht voor de balie slechts te zwijgen, want, wat zij ook mogen zeggen, het zal toch verwerpelijk worden geacht.
2. Maar dat niet alleen, Hij had ook gezegd, dat God Zijn Vader is. Nu wenden zij ijver voor voor Gods ere, gelijk tevoren voor de eer van den sabbat, en beschuldigen Christus van de zware misdaad van Godslastering, daar Hij zich Gode gelijk maakt, en het zou ook inderdaad een zware, afschuwelijke misdaad geweest zijn, indien het niet waar was. Het was de zonde van Lucifer, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. Nu was dit:
a. terecht afgeleid uit hetgeen Hij zei, dat Hij de Zoon van God was, en dat God Zijn Vader was, patera idion -Zijn eigen Vader, de Zijne, zoals van niemand anders. Hij had gezegd, dat Hij werkte met Zijn Vader, door hetzelfde gezag en kracht, en hierdoor heeft Hij zich Gode gelijk gemaakt.
Ecce intteligunt Judaei, quod non inttelligunt Ariani, -Zie de Joden begrijpen wat de Arianen niet begrijpen
b. Maar het werd Hem ten onrechte als misdaad toegerekend, dat Hij zich Gode gelijk maakte, want Hij was, en is God, even gelijk met den Vader, Filippenzen 2:6. Daarom maakt Christus gene bedenking tegen deze beschuldiging, alsof zij Zijne woorden verkeerd begrepen hadden, of er een gedwongen uitlegging aan gaven, neen, Hij handhaaft Zijn gezegde, en bewijst dat Hij in macht en heerlijkheid Gode even gelijk is.
III. Christus' rede bij deze gelegenheid, welke onafgebroken voortgezet wordt tot aan het einde van het hoofdstuk. In deze verklaart en bevestigt Hij Zijne opdracht als Middelaar en gevolmachtigde in het verbond tussen God en den mens. En gelijk de ere, waarop Hem hierdoor het recht gegeven wordt van zulk een aard is, dat het aan geen schepsel toekomt haar te ontvangen, zo is ook het werk, dat Hem hierdoor wordt opgedragen en toevertrouwd van zulk een aard, dat het voor geen schepsel mogelijk is om het te doen of te volbrengen, en daarom is Hij God, en even gelijk met den Vader.
1. In het algemeen. Hij is een met den Vader in alles wat Hij doet als Middelaar, en er heerste hieromtrent een volmaakte harmonie tussen hen. Het wordt ingeleid met het plechtige Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, vers 19, Ik, de Amen, de Amen, zeg het. Hiermede wordt aangeduid, dat de dingen, die Hij zegt:
a. Zeer groot en van ontzaglijk belang zijn, en waaraan de diepste aandacht geschonken behoort te worden.
b. Zeer waar en gewis zijn, en waarmee men ongeveinsd behoort in te stemmen. c. Dat het zaken zijn van zuiver Goddelijke openbaring, dingen, die Christus ons gezegd heeft, en waarmee wij anders niet bekend zouden kunnen worden. Betreffende die eenheid van den Zoon met den Vader zegt Hij in het algemeen twee dingen: Dat de Zoon zich schikt naar den Vader, vers 19, De Zoon kan niets van zich zelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen, want zo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. De Heere Jezus, als Middelaar, is: Ten eerste. Gehoorzaam aan den wil des Vaders, zo geheel en volkomen gehoorzaam, dat Hij niets van zich zelven kan doen, in dezelfden zin als er gezegd wordt: God kan niet liegen, kan zich zelven niet verloochenen, hetgeen de volmaaktheid uitdrukt van Zijne waarheid, niet ene onvolkomenheid van kracht of vermogen. Zo ook hier: Christus was zo volkomen toegewijd aan den wil Zijns Vaders, dat het voor Hem niet mogelijk was om ergens afzonderlijk in te handelen.
Ten tweede. Hij let op des Vaders raadsbesluit, Hij kan, Hij wil niets doen dan wat Hij den Vader ziet doen. Niemand kan het werk Gods uitvinden, maar de eengeboren Zoon, die in Zijn schoot was, ziet wat Hij doet, is innig bekend en vertrouwd met Zijne bedoelingen, en heeft het plan er van steeds voor Zijne ogen. Wat Hij in geheel Zijne onderneming als Middelaar gedaan heeft, was het nauwkeurige afschrift van hetgeen de Vader deed, dat is: wat Hij bedoelde en bestemde, toen Hij in Zijn eeuwigen raad het plan onzer verlossing heeft vastgesteld, en die maatregelen heeft genomen, die nooit verbroken konden worden, en nooit veranderd behoefden te worden. Het was de kopie van het grote origineel, het was Christus' getrouwheid, zoals het Mozes' getrouwheid was, dat hij alles deed naar het voorbeeld, dat hem op den berg getoond was. Dit wordt uitgedrukt in den tegenwoordigen tijd, "wat Hij den Vader ziet doen", om dezelfde reden waarom toen Hij op aarde was, gezegd werd, dat Hij in den hemel is, Hoofdstuk 2:13, en in den schoot des Vaders is, Hoofdstuk 1:18. Gelijk Hij zelfs toen door Zijn Goddelijke natuur tegenwoordig was in den hemel, zo waren de dingen, gedaan in den hemel, tegenwoordig in Zijne kennis, Zijn weten er van. Wat de Vader in Zijne raadsbesluiten gedaan heeft, dat heeft de Zoon steeds op het oog gehad, en had Hij nu nog op het oog, zoals David in den geest van Hem gezegd heeft: Ik stel den Heere geduriglijk voor mij, Psalm 16:8.
Ten derde. Toch is Hij gelijk met den Vader in werking, want "zo wat die -de Vader-doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks." Hij deed dezelfde dingen, niet zulke dingen, maar tauta, dezelfde dingen, en Hij deed ze op dezelfde wijze, homoioos, desgelijks, met hetzelfde gezag, dezelfde vrijheid en wijsheid, met dezelfde kracht en uitwerking. Worden door den Vader bepaalde wetten vastgesteld, herroepen en gewijzigd? Beheerst Hij de natuur, kent Hij het hart der mensen? De Zoon doet en vermag hetzelfde. De macht van den Middelaar is een Goddelijke macht. Dat de Vader den Zoon mededeelt, vers 20. Merk op: Ten eerste. Zijn beweeggrond hiertoe: De Vader heeft den Zoon lief. Hij heeft verklaard: Deze is Mijn geliefde Zoon. Hij was niet slechts welgezind voor, welwillend jegens de onderneming, Hij had een oneindig welbehagen in den Ondernemer. Christus werd nu gehaat door de mensen, Hij was een, aan welken het volk een gruwel heeft, Jesaja 49:7, maar Hij vertroostte zich hiermede, dat de Vader Hem liefhad.
Ten tweede. De voorbeelden er van. Hij toont het:
1. In hetgeen Hij Hem mededeelt. Hij toont Hem alles wat Hij doet. Des Vaders maatregelen omtrent het maken en besturen der wereld zijn den Zoon getoond, opdat Hij dezelfde maatregelen zal nemen voor de formering en het bestuur der kerk, welk werk een duplicaat moest wezen van het werk der schepping en der voorzienigheid, en daarom wordt zij de toekomende wereld genoemd. Hij toont Hem alles, ha autos poisi, wat Hij doet, dat is: wat de Zoon doet, zoals het overgezet zou kunnen worden, al wat de Zoon doet, doet Hij onder de leiding des Vaders, Hij toont Hem.
2. In hetgeen Hij zal mededelen. Hij zal Hem tonen, dat is, zal Hem bestemmen voor, en leiden tot, grotere werken dan deze.
a. Werken van grotere kracht en macht dan de genezing van een verlamde, want Hij zal de doden opwekken, en Hij zal zelf opstaan van de doden. Door de kracht der natuur, met het gebruik der middelen kan ene ziekte met der tijd genezen worden, maar nooit kan de natuur door het gebruik van enig middel te eniger tijd doden opwekken.
b. Werken van groter gezag dan het machtigen van den man om zijn beddeken te dragen op den sabbat. Zij dachten, dat dit een stout waagstuk was, maar wat betekende dit in vergelijking met Zijne opheffing van geheel de ceremoniële wet, en Zijne instelling van nieuwe verordeningen, dat Hij weldra doen zal opdat gij u verwondert. Nu beschouwden zij Zijn werk met minachting en verontwaardiging, maar weldra zal Hij doen wat zij met verbazing zullen aanschouwen, Lukas 7:16. Velen worden er toe gebracht om zich over Christus' werken te verwonderen, waardoor Hij er de ere van ontvangt, die er niet toe gebracht worden om te geloven, waardoor zij er het nut en voordeel van zouden hebben. 2. In het bijzonder. Hij bewijst Zijn even gelijk zijn met den Vader door sommige van de werken, die Hij doet, in bijzonderheden te vermelden, als in het bijzonder werken Gods zijnde. Hierover wordt verder uitgeweid in vers 21 -30. Hij doet, en zal doen, hetgeen inzonderheid het werk is van Gods almachtige kracht-het opwekken van doden en het geven van leven, vers 21, 25, 26, 28. Hij doet, en zal doen, hetgeen het bijzondere werk is van Gods soevereine heerschappij en van Zijn rechtsgebied-oordelende en het oordeel uitvoerende, vers 22-24, 27. Deze twee zijn ineengestrengeld als na aan elkaar verwant en verbonden, en wat eens gezegd is, wordt herhaald en ingeprent. Voeg deze twee tezamen en zij zullen het bewijs leveren dat Christus' woorden niet onjuist of verkeerd waren, waarmee Hij zich even gelijk met den Vader heeft verklaard.
a. Let op hetgeen hier gezegd is betreffende de macht van den Middelaar om de doden op te wekken en om leven te geven. Zie Zijn gezag, of Zijne volmacht om dit te doen, vers 21. Gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil. Ten eerste. Het is Gods kroonrecht om de doden op te wekken, en om leven te geven, Hij, die het eerst den adem des levens den mens ingeblazen heeft, en hem aldus tot een levende ziel heeft gemaakt, zie Deuteronomium 32:39, 1 Samuël 2:6, Psalm 68:21, Romeinen 4:17. Dat heeft God gedaan door de profeten Elia en Elisa, en het was ene bevestiging van hun zending. Ene opstanding van de doden lag nooit op den gewonen weg der natuur, is nooit binnen den gedachtekring gevallen van hen, die alleen den omvang der natuurkrachten hebben bestudeerd, van wie een der algemeen aangenomen axioma's er lijnrecht tegenover stond: A privatione ad habitum non datur regressus. Het bestaan, eenmaal uitgeblust zijnde, kan niet opnieuw worden ontstoken. Daarom werd het dan ook te Athene bespot als ene ongerijmdheid, Handelingen 17:32. Het is zuiver en alleen het werk van een Goddelijke almacht, en de kennis er van wordt zuiver en alleen door Goddelijke openbaring verkregen. Dit wilden de Joden erkennen.
Ten tweede. De Middelaar wordt met dit kroonrecht bekleed, Hij maakt levend, die Hij wil, geeft leven aan wie Hij wil, en wanneer Hij wil. Hij geeft het leven niet door een natuurlijke noodwendigheid, zoals de zon, welker stralen natuurlijkerwijze opwekken en verlevendigen, neen, Hij handelt als een vrij werkend Wezen, heeft de aanwending Zijner kracht in Zijn eigen hand, en wordt in het gebruiken er van nooit gedwongen noch bedwongen. En gelijk Hij de macht heeft, zo heeft Hij ook de wijsheid en de vrijmacht van een God: Hij heeft de sleutelen der hel en des doods, Openbaring 1:18, niet als een dienstknecht om te openen en te sluiten naar het hem bevolen wordt, want Hij heeft ze als den sleutel David's, waarvan Hij de Heer en Meester is, Openbaring 3:7. Hierdoor wordt een onafhankelijk vorst aangeduid, wiens macht door niemand of niets beperkt is, Daniël 5:19. Dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven. Van Christus is dit zonder hyperbool waar. Zijne bekwaamheid om dit te doen. Hij heeft macht, om evenals de Vader, levend te maken, die Hij wil, omdat Hij, evenals de Vader, leven heeft in zich zelven. Niet slechts heeft Hij een bestaan uit zich zelven, zonder het aan iemand anders te ontlenen, of er van iemand anders afhankelijk voor te zijn, Exodus 3:14, maar Hij is ook de vrijmachtige Gever van leven, Hij heeft in zich zelven de beschikking over het leven en over alle goed (want soms is dit de betekenis. van leven), het wordt alles ontleend aan Hem, het is alles afhankelijk van Hem. Voor Zijne schepselen is Hij de Fontein des levens en van alle goed, de Oorsprong van hun bestaan en de Werker van hun welzijn, de levende God en de God van alle levenden.
Ten tweede. Even zeker is het, dat Hij den Zoon gegeven heeft het leven te hebben in zich zelven. Gelijk de Vader de Oorsprong is van alle natuurlijk leven en goed, daar Hij de grote Schepper is, zo is de Zoon, als de Verlosser, de Oorsprong van alle geestelijk leven en goed, is Hij voor de kerk, wat de Vader is voor de wereld, zie 1 Corinthiërs 8:6, Colossenzen 1:19. Het koninkrijk der genade en al het leven in dat koninkrijk zijn even volkomen en volstrekt in de hand des Verlossers als het rijk der voorzienigheid in de hand is van den Schepper. En gelijk God, die aan alle dingen hun bestaan geeft, Zijn bestaan uit en in zich zelven heeft, zo heeft Christus, die leven geeft, zich door Zijn eigen kracht en macht opgewekt van de doden, Hoofdstuk 10:18. Zijn handelen overeenkomstig deze macht en bekwaamheid. Leven hebbende in zich zelven, en gemachtigd zijnde leven te geven aan wie Hij wil, zijn dienovereenkomstig en uit kracht hiervan door het woord Zijner kracht tweeërlei opstanding tot stand gebracht van welke beiden hier gesproken wordt.
Ten eerste. Ene opstanding, die nu is, vers 29, ene opstanding van den dood der zonde tot het leven der gerechtigheid, door de macht van Christus' genade. De ure komt en is nu. Het is ene opstanding, die reeds is aangevangen, en verder voortgezet zal worden, als de doden de stem zullen horen van den Zone Gods. Deze opstanding wordt duidelijk onderscheiden van die in vers 28, waar gesproken wordt van de opstanding ten laatsten dage. Deze zegt niets- zoals die-van de doden in hun graven, en van hen allen, en van hun uitgaan uit de graven. Nu:
1. Denken sommigen, dat dit vervuld was in hen, die Hij wonderdadig tot het leven heeft teruggeroepen, het dochtertje van Jaïrus, de zoon der weduwe en Lazarus, en het is opmerkelijk, dat allen, die door Christus werden opgewekt, toegesproken werden, zoals: Gij dochtertje, sta op! Jongeling, sta op. Lazarus, kom uit, terwijl zij, die onder het Oude Testament opgewekt werden, niet werden opgewekt door een woord, maar door andere middelen, 1 Koningen 17:21, 2 Koningen 4:34, 13:21. Sommigen verstaan het van de heiligen, die met Christus zijn opgewekt, maar wij lezen niet, dat de stem van den Zoon van God hen geroepen heeft. Maar:
2. Ik versta het veeleer van de kracht van Christus' leer ter herstelling en levendmaking van hen, die dood waren door de misdaden en de zonden, Efeze 2:1. De ure was komende, wanneer dode zielen levend gemaakt zouden worden door de prediking des Evangelies, een geest des levens van God haar vergezellende, ja, die ure was toen, terwijl Christus op aarde was. Het kan inzonderheid betrekking hebben op de roeping der heidenen, welke gezegd wordt als een leven te zijn uit de doden, en, naar sommigen denken, voorgesteld werd door Ezechiël's visioen (Hoofdstuk 37: en voorzegd werd in Jesaja 26:19. Uwe doden zullen leven. Maar het moet toegepast worden op den wondervollen voorspoed van het Evangelie, beide onder Joden en heidenen, ene ure welke nog is, en nog komende is, totdat al de uitverkorenen krachtdadig geroepen zullen zijn. Zondaren zijn geestelijk dood, ontbloot van geestelijk leven, gevoel, kracht en beweging, dood voor God, ellendig, maar zich noch van hun ellende bewust, noch instaat om er zich uit op te heffen. De bekering ener ziel tot God is hare opstanding van den dood tot het leven. Zij begint dan eerst te leven, als zij begint Gode te leven, als zij naar Hem uitgaat, zich tot Hem uitstrekt. Het is door de stem van den Zoon van God, dat zielen tot geestelijk leven worden opgewekt, dat geschiedt door Zijne kracht, en die kracht wordt meegedeeld door Zijn woord. De doden zullen horen, zullen horende gemaakt worden, om de stem van den Zoon van God te verstaan, te ontvangen en te geloven, haar te horen als Zijne stem, en dan geeft de Geest er leven door, want anders doodt de letter. De stem van Christus moet door ons gehoord worden, opdat wij er door mogen leven. Zij, die horen en acht geven op hetgeen zij horen, zullen leven. Hoort, en uwe ziel zal leven, Jesaja 55:3.
Ten tweede. Een toekomstige opstanding, Daarvan wordt gesproken in vers 28, 29, en het wordt ingeleid met: "Verwondert u niet over wat Ik gezegd heb van de eerste opstanding, verwerpt het niet als ongelooflijk en ongerijmd, want aan het einde des tijds zult gij een meer waarneembaar en verbazingwekkender bewijs zien van de macht en het gezag van den Zoon des mensen". Gelijk Zijn eigen opstanding bewaard bleef om het laatste, afdoende bewijs te zijn van Zijn persoonlijke zending. zo zal de opstanding van alle mensen een gelijk bewijs zijn van Zijne opdracht, die volvoerd zal worden door Zijn Geest. Merk hier nu op:
A. Wanneer die opstanding zijn zal. De ure komt, het is bepaald tot ene ure, zo juist en nauwkeurig is die grote gebeurtenis vastgesteld. Het oordeel is niet uitgesteld sine die -tot op een onbepaalden dag, neen, Hij heeft een dag vastgesteld. De ure komt.
a. Zij is nog niet gekomen, het is niet de ure, waarvan gesproken wordt in vers 25, die ure komt, en is nu. Diegenen zijn in een gevaarlijke dwaling vervallen, die zeiden, dat de opstanding alrede geschied is. Maar:
b. Zij zal gewisselijk komen: zij is komende, is elke dag nabij, zij is aan de deur. Hoe ver af zij nog is, weten wij niet, maar wèl weten wij, dat zij onfeilbaar beraamd en onveranderlijk vastgesteld is.
B. Wie opgewekt zullen worden: Allen, die in de graven zijn, allen, die sedert den aanvang des tijds gestorven zijn, en allen, die tot aan het einde des tijds sterven zullen. Er was gezegd: Velen zullen ontwaken, Daniël 12:2, Christus zegt hier, dat die velen allen zullen zijn.
Allen moeten voor den Rechter verschijnen, en daarom moeten allen opgewekt worden, ieder afzonderlijk persoon, en het volledig aantal van alle personen, iedere ziel zal wederkeren tot haar lichaam, elk been tot zijn been. Het graf is het gevangenhuis der dode lichamen, waar zij vastgehouden worden, hun oven, waarin zij verteerd worden, Job 24:19. Maar in het vooruitzicht van hun opstanding, kunnen wij het hun bed noemen, waarin zij slapen, totdat zij gewekt zullen worden, hun schathuis, waarin zij opgelegd worden tot later gebruik. Zelfs zij, die niet in een graf gelegd zijn, zullen opstaan, maar omdat de meesten wèl in een graf gelegd zijn, gebruikt Christus hier deze uitdrukking: allen, die in de graven zijn. De Joden gebruikten het woord sheol voor graf, hetgeen betekent de staat, of toestand der doden, allen, die in dezen staat zijn, zullen horen.
C. Hoe zij opgewekt zullen worden. Er worden hier twee dingen gezegd:
a. De werkende oorzaak van deze opstanding: Zij zullen Zijne stem horen, dat is: Hij zal hen haar doen horen zoals Hij Lazarus het woord deed horen, Kom uit. De stem zal vergezeld gaan van een Goddelijke kracht, om leven in hen te brengen, en hen instaat te stellen haar te gehoorzamen. Toen Christus opstond uit het graf, werd gene stem gehoord, geen woord werd gesproken, maar wij bevinden, dat er bij de opstanding van de kinderen der mensen van drie stem men wordt gesproken, 1 Thessalonicenzen 4:16. De Heere zal nederdalen met een geroep, het gejuich eens konings, met de stem des archangels, hetzij Christus zelf, de Vorst der engelen, of de opperbevelhebber, onder Hem, van de hemelse heirscharen, en met de bazuin Gods, de krijgsklaroen het teken gevende tot den krijg, de bazuin van den rechter ter oproeping om ten gerichte te komen.
b. De uitwerking hiervan: En zullen uitgaan uit hun graven, als gevangenen uit hun gevangenhuis, zij zullen opstaan uit het stof, Jesaja 52:1, 2. 11. Maar dat is niet alles, zij verschijnen voor Christus' rechterstoel, zij zullen uitgaan als degenen, die verhoord moeten worden, uitgaan om voor de balie te komen, ten einde in het openbaar hun vonnis te ontvangen.
D. Waartoe zij opgewekt zullen worden, tot een verschillenden staat van gelukzaligheid of rampzaligheid, overeenkomstig hun verschillend karakter, tot een staat van vergelding naar wat zij in hun proeftijd gedaan hebben.
a. Die het goede gedaan hebben, zullen uitgaan tot de opstanding des levens: zij zullen wederom leven, eeuwig leven. Bij welken naam de mensen ook genoemd worden, welke schone belijdenis zij ook afleggen, in den groten dag zal het alleen wèl wezen met hen, die het goede gedaan hebben, gedaan hebben wat Gode welbehaaglijk en anderen nuttig is geweest. De opstanding van het lichaam zal ene opstanding zijn ten leven voor allen, die oprecht en standvastig geweest zijn in goed doen, en voor hen alleen. Zij zullen niet slechts openlijk vrijgesproken worden, zoals wij zeggen van een begenadigd misdadiger, hij heeft zijn leven, maar zij zullen toegelaten worden in de tegenwoordigheid Gods, en dat is leven, is beter dan leven, en met overvloedige vertroostingen vertroost worden. Leven is gelukkig te zijn, en zij zullen boven alle vreze des doods verheven worden, dat is in waarheid leven, waarin de sterflijkheid voor altijd is verzwolgen.
b. Die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis, zij zullen herleven om voor altijd stervende te zijn. De Farizeeën dachten, dat er alleen ene opstanding der rechtvaardigen was, maar Christus herstelt die dwaling. In den dag des oordeels zullen boosdoeners, welke aanspraken zij ook willen laten gelden, als bozen behandeld worden. Voor de boosdoeners, die hetgeen zij verkeerd gedaan hebben niet door berouw en bekering hebben uitgewist, zal de opstanding ene opstanding zijn ter verdoemenis. Zij zullen uitgaan om openlijk schuldig bevonden te worden aan opstand tegen God, en zij zullen openlijk veroordeeld worden tot eeuwigdurende straf, om daartoe gevonnist te worden, en er onmiddellijk heen gezonden te worden zonder enig uitstel. Zodanig zal de opstanding wezen. b. Let op hetgeen hier gezegd wordt betreffende des Middelaars macht om het oordeel uit te voeren, vers 22-24, 27. Gelijk Hij een almachtige kracht heeft, zo heeft Hij ook een vrijmachtig rechtsgebied, en wie is er zo geschikt om de grote zaken van het andere leven te besturen en te regelen als Hij, die de Vader en de Fontein des levens is? Hier is Christus' afvaardiging tot het ambt van rechter, waarvan hier tweemaal gesproken wordt, vers 22. De Vader heeft al het oordeel den Zoon gegeven, en wederom in vers 27, Hij heeft Hem macht gegeven. Ten eerste. De Vader oordeelt niemand. Niet alsof de Vader afstand heeft gedaan van de regering, maar het behaagt Hem door Jezus Christus te regeren, zodat de mens niet onder den angst is van onmiddellijk met God te moeten handelen, maar de vertroostende geruststelling heeft van toegang tot Hem te hebben door een Middelaar. De Vader oordeelt niemand, dat is:
1. Hij regeert ons niet door het blote recht der schepping, maar door het verbond, en naar zekere voorwaarden, vastgesteld door een Middelaar. Ons geschapen hebbende, kan Hij met ons doen wat Hem behaagt, zoals de pottenbakker met het leem, maar toch maakt Hij slechts gebruik van Zijne macht om ons te trekken met mensenzelen.
2. Hij bepaalt onzen eeuwigen staat niet naar het verbond der onschuld, en ook maakt Hij geen gebruik van het voordeel, dat Hij over ons heeft door ons verbreken van dat verbond. De Middelaar, ondernomen hebbende een plaats bekledende genoegdoening te geven, is Hem de zaak overgegeven, en God is bereid een nieuw verdrag met ons aan te gaan, niet onder de wet van den Schepper, maar onder de genade van den Verlosser.
Ten tweede. Hij heeft al het oordeel den Zoon overgegeven. Hij heeft Hem gesteld tot Heere van allen, Handelingen 10:36, Romeinen 14:9, zoals Jozef in Egypte, Genesis 41:40. Dit was voorzegd, Psalm 72:1, Jesaja 11:3, 4, Jeremia 23:5, Micha 5:1, Psalm 67:5, 96:13, 98:9. Alle oordeel is onzen Heere Jezus overgegeven, want:
1. Hem is de administratie toevertrouwd van het rijk der voorzienigheid. Hij is een Hoofd boven alle dingen, Efeze 1:22, het Hoofd eens iegelijk mans, 1 Corinthiërs 11:3, Alle dingen bestaan door Hem, Colossenzen 1:17.
2. Hij is gemachtigd wetten te maken, die onmiddellijk het geweten binden. "Ik zeg u", dat is de formule, waarin thans de wetten van het koninkrijk der hemelen zijn voorgesteld. Het is verordineerd door den Heere Jezus, en door Zijn gezag.
3. Hij is gemachtigd om de voorwaarden vast te stellen van het nieuwe verbond, en de vredesvoorwaarden op te maken tussen God en den mens, het is God in Christus, die de wereld verzoent, en aan Hem heeft Hij macht gegeven om het eeuwige leven te schenken. Het boek des levens is het boek des Lams, bij Zijne uitspraak moeten wij staan of vallen.
4. Hem is opgedragen om den oorlog voort te zetten en te beëindigen met de machten der duisternis, den overste dezer wereld te oordelen en buiten te werpen, Hoofdstuk 12:31. Hem is opgedragen, niet slechts te oordelen, maar krijg te voeren, Openbaring 19:11. Allen, die strijden willen voor God tegen den Satan, moeten dienst nemen onder Zijne banier. 5. Hij is aangesteld tot enigen uitvoerder des gerichts op den groten dag. Over het algemeen hebben de oude kerkvaders deze woorden opgevat als de kronende daad van Zijne rechtsmacht. Het laatste en algemene oordeel is den Zoon des mensen overgegeven, het is Zijn tribunaal, het is de rechterstoel van Christus, het is Zijn gevolg van machtige engelen, Hij zal de rechtszaken onderzoeken en het oordeel uitspreken, Handelingen 17:31.
Ten derde. Hij heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, vers 27. Merk op:
1. Welke macht het is, waarmee onze Verlosser is bekleed: macht om gericht uit te voeren , Hij heeft niet slechts een wetgevende en rechterlijke macht, maar ook een uitvoerende macht. De uitdrukking is hier inzonderheid gebruikt voor een gericht ter veroordeling, Judas 15, poiêsai krisin - gericht uit te oefenen over allen, hetzelfde als Zijn: wraak doende, 2 Thessalonicenzen 1:8. Het verderf over onboetvaardige zondaren komt van de hand van Christus, Hij, die het oordeel over hen uitvoert, is dezelfde, die de zaligheid voor hen gewerkt zou hebben, waardoor het oordeel onwraakbaar wordt, en er is geen verhaal op, geen appel van het vonnis des Verlossers, de zaligheid zelf kan hen niet zalig maken, die door den Zaligmaker worden veroordeeld, waardoor het verderf onherstelbaar wordt.
2. Vanwaar Hij die macht had, de Vader heeft Hem die macht gegeven. Christus' macht als Middelaar is Hem verleend, Hij handelt als des Vaders Plaatsbekleder, als des Heeren Gezalfde, de Christus des Heeren. Dit alles nu strekt grotelijks tot eer van Christus, Hem onschuldig bewijzende aan de misdaad van Godslastering als Hij verklaart Gode evengelijk te zijn. En het strekt ook zeer ter vertroosting van alle gelovigen, daar zij zich met de grootste gerustheid aan zulke handen kunnen toevertrouwen. Hier zijn de redenen (redenen van staat) waarom Hem die opdracht is gegeven. Al het oordeel is Hem overgegeven om twee redenen: Ten eerste. Omdat Hij de Zoon des mensen is, hetgeen drie dingen te kennen geeft: -
1. Zijne vernedering en genadige, neerbuigen de goedheid. De mens is een worm, de mensenzoon is een worm, toch was dit de aard, de hoedanigheid, die de Verlosser heeft aangenomen, om gevolg te geven aan de raadsbesluiten der liefde. Tot dezen lagen staat heeft Hij zich willen neerbuigen, heeft Hij zich willen onderwerpen aan al de vernederingen, die hiermede gepaard gingen, omdat het Zijns Vaders wil was. Tot beloning nu van deze bewonderenswaardige gehoorzaamheid, heeft God Hem die waardigheid geschonken. Omdat Hij zich verwaardigde de Zoon des mensen te zijn, heeft Zijn Vader Hem tot Heere gesteld over allen, Filippenzen 2:8, 9.
2. Zijne verwantschap met ons. De Vader heeft Hem het bestuur over de kinderen der mensen gegeven, omdat Hij, de Zoon des mensen zijnde, van dezelfde natuur is met hen over wie Hij gesteld is, en daarom des te meer onwraakbaar is en des te meer aannemelijk als Rechter. Zijn Heerser zal uit het midden van hen voortkomen, Jeremia 30:21. Hiervan was deze wet een type: Uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen, Deuteronomium 17:15.
3. Dat Hij de beloofde Messias was. In het vermaarde visioen van Zijn koninkrijk en heerlijkheid, Daniël 7:13, 14, wordt Hij eens mensen zoon genoemd, en Psalm 8:5-7,:Gij doet Hem heersen over de werken Uwer handen. Hij is de Messias, en daarom is Hij met al die macht bekleed. De Joden hebben den Christus gewoonlijk Zoon van David genoemd, maar Christus noemt zich gewoonlijk de Zoon des mensen, dat was de nederiger titel, en duidt Hem aan als Vorst en Zaligmaker, niet slechts van het Joodse volk, maar van geheel het geslacht der mensen.
Ten tweede. Opdat allen den Zoon eren, vers 23. Van het eren van Jezus Christus wordt hier gesproken als van het grote doel Gods (de Zoon bedoelde den Vader te eren, en daarom bedoelde de Vader den Zoon te verheerlijken, Johannes 13:32), en van den groten plicht des mensen als instemming met dat doel. Indien God wil, dat de Zoon geëerd zal worden, dan is het de plicht van allen, aan wie Hij bekend is gemaakt, Hem te eren. Merk hier op:
1. Den eerbied, die aan onzen Heere Jezus bewezen moet worden: wij moeten den Zoon eren, moeten Hem beschouwen als Een, die geëerd moet worden, zowel wegens de allesovertreffende uitnemendheid en volmaaktheden in Hem zelven, als om de betrekking, waarin Hij staat tot ons, en wij moeten er ons op toeleggen Hem dienovereenkomstig te eren, wij moeten belijden, dat Hij de Heere is, en Hem aanbidden, wij moeten Hem eren, die om onzentwil gesmaad werd.
2. De mate er van: gelijk zij den Vader eren. Dit onderstelt, dat het onze plicht is den Vader te eren, want de geopenbaarde Godsdienst is gegrond op den natuurlijken Godsdienst, en leidt ons om den Zoon te eren, Hem te eren met Goddelijke eer. Wij moeten den Verlosser eren met dezelfde eer, waarmee wij den Schepper eren. Zo ver was het er vandaan, dat Hij zich schuldig maakte aan Godslastering, als Hij zich zelven even gelijk aan God verklaarde, dat het de grootste belediging is, waaraan wij ons kunnen schuldig maken, als wij Hem voor iets anders verklaren. De waarheden en wetten van den Christelijken Godsdienst, voor zoveel zij geopenbaard zijn, zijn even heilig en eerbiedwaardig als die van den natuurlijken Godsdienst, en moeten in gelijke eer en waardij gehouden worden. Want wij hebben dezelfde verplichting aan Christus, den Oorsprong of Werker van ons welzijn, als aan den Oorsprong van ons zijn, ons bestaan, en zijn even noodwendig afhankelijk van de genade des Verlossers, hetgeen een voldoende grond is voor deze wet-den Zoon te eren, gelijk wij den Vader eren. Om deze wet nog te versterken, is er bijgevoegd: Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, die Hem gezonden heeft. Sommigen wenden eerbied voor voor den Schepper, en spreken van Hem met ontzag, terwijl zij met onverschilligheid of minachting spreken van den Verlosser, maar laat dezulken weten, dat de eer en de belangen van den Vader en den Zoon zo onafscheidelijk saamverbonden zijn, dat de Vader zich nooit geëerd acht door iemand, die den Zoon onteert. Smaadheden, den Heere Jezus aangedaan, vallen terug op God zelf, en zullen als zodanig in den hemel verklaard en gerekend worden. De Zoon zo zeer des Vaders ere omhelsd hebbende, dat Hij de smadingen, Gode aangedaan, op zich heeft genomen, Romeinen 15:3, wordt de ere des Zoons niet minder omhelsd door den Vader, en zo acht Hij zich getroffen in Hem. De reden hiervan is, dat de Zoon door den Vader gezonden is, van Hem Zijne opdracht ontvangen heeft, het is de Vader, die Hem gezonden heeft. Beledigingen, een gezant aangedaan, worden volkomen terecht ten kwade geduid en gewroken door den vorst, die hem gezonden heeft. En naar dezen regel zullen zij, die waarlijk den Zoon eren, ook den Vader eren, Filippenzen 2:11. Hier is de regel volgens welken de Zoon Zijn last volvoert: Die hoort en gelooft, heeft het eeuwige leven, vers 24. Hier hebben wij de kern van geheel het Evangelie. De inleiding er toe gebiedt aandacht voor een hoogst gewichtige zaak, en instemming met ene zaak, die volkomen zeker is. "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, Ik aan wie, naar gij hoort, al het oordeel is overgegeven, Ik, op wiens lippen een Goddelijke uitspraak is. Ontvangt van Mij des Christens kenmerk en voorrecht." Ten eerste. Het kenmerk eens Christens: Die Mijn woord hoort en gelooft Hem, die Mij gezonden heeft. Een waar Christen te zijn is: 1. Het woord van Christus te horen. Het is niet genoeg, om onder het gehoor er van te zijn, wij moeten er acht op geven, zoals leerlingen op het onderricht van hun leermeesters, en er naar handelen, zoals dienstknechten de bevelen hunner meesters volbrengen, wij moeten het horen en gehoorzamen, ons houden aan het Evangelie van Christus als aan den vasten regel voor ons geloof en onzen wandel.
2. Hem te geloven, die Hem gezonden heeft, want het is Christus' bedoeling ons tot God te brengen. En, gelijk Hij de Oorsprong is van alle genade, zo is Hij ook het Voorwerp van alle geloof. Christus is onze Weg, God is onze Rust. Wij moeten God geloven, als hebbende Jezus Christus gezonden, en Hem aanbevolen hebbende aan ons geloof en onze liefde, door Zijne heerlijkheid te openbaren in het aangezicht van Jezus Christus, 2 Corinthiërs 4:6, als Zijn Vader en onzen Vader.
Ten tweede. Het voorrecht van den Christen, waarin alle ware Christenen deelhebben. Zie wat wij door Christus verkrijgen:
1. Het voorrecht der begenadiging: hij komt niet in de verdoemenis. De genade van het Evangelie is een volledige kwijtschelding van den vloek der wet. Een gelovige zal niet slechts niet liggen onder de verdoemenis in de eeuwigheid, hij zal er thans niet onder komen, niet in gevaar er van komen, Romeinen 8:1, niet komen in de verdoemenis, ja niet eens in staat van beschuldiging gesteld worden.
2. Ene handvest van voorrechten: Hij is overgegaan van den dood in het leven, hij is in het bezit gesteld van tegenwoordig geluk in geestelijk leven en hij heeft het recht verkregen op toekomstig geluk in het eeuwige leven. De strekking van het eerste verbond was: Doe dit, en leef, die dat doet, zal er door leven. Dit nu bewijst Christus even gelijk te zijn met den Vader, dat Hij macht heeft om hetzelfde voordeel, dezelfde weldaad te schenken aan de hoorders van Zijn woord, dat beloofd of voorgesteld was aan de houders der oude wet, dat is: leven. Hoort en leeft, gelooft en leeft. Daar kunnen wij onze ziel op wagen, als wij ons niet instaat bevinden om te doen en te leven, zie Hoofdstuk 17:2. Hier is de rechtmatigheid van Zijne handelingen ter volvoering van dezen last, vers 30. Alle oordeel Hem overgegeven zijnde, moeten wij wel vragen hoe, op wat wijze Hij het doet. En hier is Zijn antwoord op die vraag: Mijn oordeel is rechtvaardig. Al de daden van Christus' regering, beiden voor wetgeving en voor oordeel, zijn nauwkeurig in overeenstemming met de regelen der billijkheid, Spreuken 8:8. Geen der beslissingen of uitspraken van den Verlosser kan gewraakt worden, daarom zal, gelijk geen Zijner wetten ingetrokken kan worden, er ook geen beroep kunnen plaatshebben van Zijne oordelen of uitspraken. Zijne oordelen Zijn gewis rechtvaardig, want zij zijn geleid: Ten eerste. Door de wijsheid Zijns Vaders: Ik kan van Mij zelven niets doen, niets zonder den Vader, maar gelijk Ik hoor, oordeel Ik, zoals Hij tevoren gezegd heeft, vers 19. De Zoon kan niets van zich zelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen, zo ook hier: niets dan wat Hij den Vader hoort zeggen: Gelijk Ik hoor:
1. Van de verborgen, eeuwige raadsbesluiten des Vaders, zo oordeel Ik. Wensen wij te weten, waarop wij kunnen rekenen in onze handelingen met God? Hoor het woord van Christus. Wij behoeven niet door te dringen in de Goddelijke raadsbesluiten, die verborgen dingen, die ons niet behoren, ons niet toekomen, maar wij moeten acht geven op de geopenbaarde orders van Christus' bestuur en oordeel, die ons ten onfeilbaren gids zijn. Want wat Christus beslist heeft, is een nauwkeurige kopie van hetgeen de Vader vastgesteld heeft. 2. Van de bekend-geworden berichten van het Oude Testament. In het volbrengen van geheel Zijne onderneming had Christus het oog op de Schriften, en daarnaar heeft Hij zich gedragen, ten einde ze te vervullen: In de rol des boeks is van Mij geschreven. Aldus leerde Hij ons niets te doen van ons zelven, maar, gelijk wij horen van het woord van God, alzo over de dingen te oordelen, en diensvolgens te handelen.
Ten tweede. Door des Vaders wil: mijn oordeel is rechtvaardig, en kan niet anders dan rechtvaardig zijn, want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, die Mij gezonden heeft. Niet alsof de wil van Christus tegenovergesteld was aan den wil des Vaders, zoals in ons het vlees tegen den geest is, maar:
1. Christus had, als mens, de natuurlijke, onschuldige neigingen van de menselijke natuur, bewustheid van smart en van genot, ene neiging tot leven, een afkeer van den dood, toch heeft Hij zich zelven niet behaagd, is Hij daarmee niet te rade gegaan, toen Hij uitging op deze onderneming, maar heeft Hij volkomen berust in den wil Zijns Vaders.
2. Wat Hij deed als Middelaar was n iet het gevolg van een bijzonder voornemen, of bedoeling van Hem zelven, wat Hij zocht was niet voor zich zelven, om aan eigen wensen of begeerten te voldoen, neen, Hij was er in geleid door den wil Zijns Vaders, en het doel, dat Hij zich had voorgesteld. Daaraan heeft onze Heiland zich bij alle gelegenheden gehouden, hierdoor heeft Hij zich altijd laten leiden. Aldus heeft onze Heere Jezus Zijne zending blootgelegd (hetzij dan al of niet tot overtuiging van Zijne vijanden) tot Zijn eigen eer en tot eeuwige vertroosting Zijner vrienden, die Hem hier aanschouwen als machtig om volkomen zalig te maken.